Vanaf negen jaar

Bette Westera, Sylvia Weve (ill.): Aan de kant, ik ben je oma niet!

door Jen de Groeve

9+ - Het mocht ook wel eens gebeuren: Sylvia Weve is dit jaar bekroond met het Gouden Penseel. Ze won eerder al tweemaal zilver, in 1983 met Oma, waar blijft de taart (met Victoria Hazelhoff) en in 1990 met Het bad van de zandloper (met Rindert Kromhout). Weve heeft een oeuvre bij elkaar getekend en geschilderd waar een enorme dynamische kracht van uitgaat, dat traditie en individualisme met elkaar verbindt, en een enorme veelzijdigheid en vertelkracht toont. In Aan de kant, ik ben je oma niet (met Bette Westera), het boek waarvoor ze met goud werd bekroond, is haar techniek, waarbij ze de prenten — elf levensverhalen met een geschiedenis — samenstelt uit teken- en schilderwerk, vlakken, kleuren en onnoemelijk veel rake details in perfecte harmonie met het thema en het concept van het boek.
Het Gouden Penseel is een literatuurprijs, uitgereikt door het Nederlandse boekbedrijf CPNB, en wordt sinds 1973 jaarlijks toegekend aan het best geïllustreerde Nederlandse kinderboek van het afgelopen jaar. Het puikje van Nederlands illustratoren is terug te vinden op de laureatenlijst. In 2011 werd de prijs uitzonderlijk ook opengesteld voor buitenlandse illustratoren, maar dat stuitte op kritiek. Jan Jutte, zelf drievoudig Gouden Penseel-winnaar, vond het jammer dat van een jarenlange traditie werd afgestapt, temeer de boekillustrator in Nederland toch al zo weinig aandacht krijgt. Een beetje afscherming voor eigen talent was dus wel meegenomen.
Hoewel kwaliteit geen landsgrenzen kent, zoals Jan Jutte volmondig beaamde, was zijn oprisping wel begrijpelijk. De boekillustrator wordt nogal vanzelfsprekend genomen en in Nederland misschien nog wel wat meer dan in België. De Vlaamse illustratoren hebben zich de afgelopen decennia als zelfbewust op de kaart gezet. Ze gooien ook in het buitenland hoge ogen met kunstzinnig werk, dat uitdrukkelijk meer wil dan de tweede viool spelen naast de tekst. Nederlandse illustratoren staan minder op zulke autonomie, werken meer in het spoor van hun illustratietraditie — die veel verder teruggaat dan de Vlaamse — en bewegen zich daardoor wellicht meer in de schaduw van de tekstschrijvers. In Tekenaars (2011), haar boek over de Nederlandse illustratietraditie, haalt Joukje Akveld een aantal illustratoren aan die ervaren dat in Nederland conventioneler geïllustreerd wordt en er minder aandacht is voor eigenzinnigheid en experiment. Dat mag dan het globale beeld zijn, laten we toch maar niet te kort door de bocht gaan. Van deze Gouden Penseel-winnaar moet alleszins gezegd worden dat zij in haar werk, dat zich duidelijk inschrijft in de Nederlandse traditie en daar inspiratie in vindt, van vrijheid, bravoure en zin voor vernieuwing getuigt.
Sylvia Weve heeft sinds het begin van haar carrière zowat alles geïllustreerd en ze heeft zich niet tot kinderboeken beperkt. Haar snelle stijl werd graag gezien in de reclamewereld en de journalistiek. ‘Met zo weinig mogelijk middelen een mens of dier in z’n essentie treffen, dat is de kunst’, vindt Weve. Het moet snel gaan, met een sterke dynamiek en rake lijnen, in één keer op papier gezet. En als het fout loopt, moet je niet zitten gummen, maar herbeginnen (uit: Tekenaars). Weve ziet ook niet veel in lievige kindersnoetjes, waarnaar in het kinderboekbedrijf de vraag zo groot is. Zij houdt van karakteristieke gezichten, ‘Kwaaie, ouwe wijven met koppen vol rimpels’ (Tekenaars), dat doet ze graag. Aan de kant, ik ben je oma niet, over de bejaarde bewoners van een verzorgingstehuis, was dus allicht een kolfje naar haar hand. Om meer dan één reden overigens, want eerder werk toont dat de samenwerking met Bette Westera een heel vruchtbare is, die al knappe boeken heeft opgeleverd — denk bijvoorbeeld aan Ik leer je liedjes van verlangen, en aan je apenstaartje hangen (Gottmer, 2010).
In Aan de kant, ik ben je oma niet vertelt Bette Westera in dichtvorm de levensverhalen van mensen in hun oude dag. Twee verhalen voor elk, eentje over hoe het vroeger was en eentje over nu. Weves prent bij het eerste verhaal zie je slechts gedeeltelijk, voor het hele plaatje moet je de bladzijde uitklappen. Op de keerzijde van de uitgeklapte bladzijde staat dan het verhaal van vroeger in tekst en beeld. Een concept dat mooi aansluit bij de idee achter de verhalen: achter het heden gaat het verleden schuil, mensen worden gevormd door hun geschiedenis. Er is meer dan wat meteen, hier en nu zichtbaar is. Westera werkt dat speels en inventief uit in haar teksten, Weve benut de mogelijkheden van de vormgeving voluit. Ze maakt bevlogen prenten waarin het zoeken naar herkenningspunten tussen vroeger en nu amusant en uitdagend is, en waaruit blijkt dat haar prenten, met hun zwierige vormen, kleurige vlakken en uitgelaten humor, verrassend in de diepte kunnen gaan.
Weve knoopt beide verhalen doorgaans luchtig aan elkaar met suggesties, parallelle vormen en lijnen, en herhaling van visuele of verhaalelementen. Meneer Van Bemmelen bijvoorbeeld, ‘zo lelijk als de nacht’ krijgt een lekkend kraantje als neus — iets waarmee ze wel meer ouwetjes uitrust — en, kien gebruikmakend van de vormgeving, krijg je op de eerste pagina al te zien dat er een hond in het spel is. Sla de bladzijde om en je hebt voluit zicht op Meneer Van Bemmelens tronie. Lelijk, zeg dat wel, en met zijn natte neus en een bek vol gele, blikkerende tanden is de link met een hond snel gelegd. De voorkeur van de jongen die meneer van Bemmelen eens was, voor lelijke hondjes die werkelijk niemand wou, krijgt in de visuele parallellen een verklaring.
Weve leeft zich met klaarblijkelijk genoegen uit in het portretteren van uitgesproken karakters en beladen levens. Bekijk maar eens het hoogst ontevreden echtpaar Roest-Van Remmerswaal met al hun kwalen en hebbelijkheden. Bovenop alle mogelijke aandoeningen die in de tekst worden opgesomd, krijgt Arie Roest van Weve ook nog, in hoogrode kleur, een gebroken hart. In een hoekje van de prent is in hetzelfde rood nijdig een plaatje uit hun leven geschrapt. Volg de borstelstreek naar de volgende bladzijde om te weten welk plaatje dat is.
Erg knap vind ik ook de prenten die het verhaal van ‘Meneer Van Mandersloot — de laatste veteraan/Een blonde soldaat’ vertellen. In de eerste prent, waar meneer Van Mandelsloot uitgenodigd wordt door het paleis om samen met de koningin een krans te leggen op het herdenkingsmonument voor de Tweede Wereldoorlog, zit al zijn geschiedenis vervat. Een rijtje saluerende soldaten, medailles, een geweer… Dat is logisch natuurlijk, meneer Van Mandelsloot heeft toch de oorlog meegemaakt. Maar ook het plukje van een staart — of is dit wel een staart? —, het portret van een vrouw, een lintje, een traan zijn de elementen die zijn geschiedenis vormen, nu en toen het oorlog was. Met subtiele parallellen in kleuren en vormen verbindt Weve oorlog, dood en liefde met elkaar. Veel krachtiger dan de tekst het kan, laat ze zien dat achter de herdenkingstraan een verdriet zit met vele facetten.
Ook de prenten bij het verhaal van ‘Meneer Zeybek — Turkse thee/Eigen baas’ zijn erg treffend. De Turkse migrant Eser kwam lang geleden naar Nederland om een nieuw bestaan op te bouwen. Het leven was niet waarvan hij had gedroomd, hij moest eindeloos gangen schoonmaken, kantoren, fabrieken en wc’s. Maar Eser bouwt in zijn eenzame uren tijdens het poetsen aan een nieuwe droom: het starten van een eigen schoonmaakbedrijf. Weve plaatst de inwijkeling van toen in een walmende fabriek waarin vreemde machinerie met radertjes en tandjes, piefjes en leidingen allerhande doen denken aan Chaplins Modern Times. Nu schenkt hij in zijn mooie kamer met balkon Turkse thee voor de schoonmaakster. Een vreemdsoortig robotje, zoals ze in de fabriek destijds te zien waren, stoft de meubels. Eén droom heeft meneer Zeybek bereikt, een andere leeft voort, want een stralende zon werpt schaduwen uit een woestijnland op de vloer en wanneer een stofdoek uitgeschud wordt, dwarrelt een wassende maan en ster, het symbool van Turkije, naar beneden. Maan en ster leiden het oog naar de volgende bladzijde en andermaal knoopt Weve in een eenvoudig, onopvallend tekeningetje heden en verleden, en in dit geval ook Esers beide dromen, aan elkaar. Die onuitgesproken weemoed in een illustratie vol gekke en karikaturale elementen maakt de prent ongemeen spannend.
Het mag duidelijk zijn dat Sylvia Weve illustraties maakt van de hoogste kwaliteit. Tekst en beeld voegen in Aan de kant, ik ben je oma niet toe aan elkaars kwaliteit. Je blijft linkjes en laagjes vinden die je nog niet eerder zag. In de grootse bewegingen die zo kenmerkend zijn voor haar werk, maakt ze prenten die pas op het tweede gezicht ten volle hun kwaliteit tonen.

Bette Westera, Sylvia Weve (ill.), Aan de kant, ik ben je oma niet!, Gottmer Haarlem, 2012, 49 p., ill. € 19,95. ISBN 9789025750756. Distributie: L&M Books

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswelp 2012

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2019

Alle verhalen

Hugo Claus

Dagboek van een dief

Jean Genet

De menselijke maat

Roberto Camurri

Grote verwachtingen. In Europa 1999-2019

Geert Mak

Vaderliefde

P.F. Thomése

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2019

Dromers

Bibi Dumon Tak, Charlotte Dumas (fotogr.)

Het geheime bondgenootschap

Philip Pullman

Het werkstuk, of Hoe ik verdween in de jungle

Simon Van der Geest en Karst-Janneke Rogaar (ill.)

Oef wat een geluk!

Ghislaine Roman, Tom Schamp (ill.)

Verloren woorden. Een betoverboek

Robert Macfarlane, Jackie Morris (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri