Peuters en kleuters

James Joyce, Wolf Erlbruch (ill.): De katten van Kopenhagen

door Jen de Groeve

5+ - Pleidooi voor anarchisme

Dat James Joyce een kattenmens was, is niet verwonderlijk. De kat staat bekend om haar intelligentie, onafhankelijkheid en eigenzinnigheid, eigenschappen die ook toepasbaar zijn op de Ierse schrijver. Joyce keerde zich af van land- en tijdgenoten als W.B. Yeats, J.M. Synge en Lady Gregory, en tijdens zijn vrijwillige ballingschap sloot hij zich evenmin aan bij modernistische groeperingen als The Bloomsbury Group of de Futuristen. Hij ging zijn eigen weg, en het belang daarvan onderstreepte hij op 5 september 1936 in een brief aan zijn kleinzoon Stephen, die nu postuum gepubliceerd is als prentenboek.
Katten keren vaker terug in het werk van Joyce, zo bevat Ulysses een scene waarin Leopold Bloom praat tegen zijn kat. In zijn interior monologue vinden we nog meer katachtige eigenschappen:

Dom vinden ze die. Zij begrijpen wat wij zeggen beter dan wij hen. Zij begrijpt alles wat ze maar wil. Venijnig ook. Wreed. Zo is ze. Vreemd dat muizen nooit piepen. Lijken het wel leuk te vinden. Hoe zou zij mij zien? Torenhoog? Nee, ze kan op mijn schouders springen.
(vert. Paul Claes en Mon Nys)

Katten spelen ook een centrale rol in Joyce’s kinderboeken, of liever gezegd: in zijn brieven aan Stephen. Eerst stuurde hij zijn kleinzoon een soort piñata in de vorm van een kat, gevuld met snoepjes. Een paar dagen later, op 10 augustus 1936, volgde een brief met het kortverhaal ‘The Cat and the Devil’, dat in 1964 postuum werd uitgegeven als prentenboek met illustraties van Richard Erdoes. Het boek werd vertaald in dertien talen, waaronder het Nederlands (De kat en de duivel, Gottmer 1980), maar verdween al snel in de obscuriteit.
Toen in 2012 het auteursrecht op het werk van Joyce verviel, zag de kleine Ierse uitgeverij Ithys Press haar kans schoon om ook zijn andere brief aan Stephen als prentenboek op de markt te brengen. Hun exclusieve editie, met een oplage van slechts 200 stuks die in prijs variëren van 300 tot 1200 euro, ontketende een rel bij de publicatie: de originele brief was in bezit van de James Joyce Foundation in Zürich, die claimde dat het verval van auteursrecht niet gold voor Joyce’s brieven en dat ze nooit toestemming gegeven had voor de publicatie. De Nederlandse uitgeverij Hoogland & Van Klaveren vroeg wel toestemming en kreeg die ook. Ze huurden Joyce-kenners Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes in, die eerder Ulysses en Finnegans Wake vertaalden, en kozen de Duitse tekenaar Wold Erlbruch als illustrator. Met zo’n topteam kon de Nederlandse editie van De katten van Kopenhagen niet anders dan een succesverhaal worden.

Sigaren en fietsende vissen

‘Helaas!’ begint Joyce zijn brief aan de kleine Stephen, ‘Ik kan je geen Kopenhaagse kat sturen want je hebt geen katten in Kopenhagen.’ In eerste instantie lijkt die zin te verwijzen naar de snoepjeskat die Joyce eerder aan zijn kleinzoon stuurde, maar gaandeweg krijgt zijn absurdistische beschrijving van de Deense hoofdstad een anarchistisch tintje, met verhulde kritiek op de zogenaamde fat cats, de steenrijke politieke donateurs die in spotprenten vaak afgebeeld worden als dikke, sigaarrokende mannen van middelbare leeftijd in krijtstreepkostuum.
In De katten van Kopenhagen zien we geen politieke sponsors, maar wel veel politiemannen, die eveneens veel sigaren roken (en karnemelk drinken — het lijkt erop dat dit Deense drankje Joyce niet erg smaakte). Aangezien ‘politiek’ en ‘politie’ beide zijn terug te voeren op het Oudgriekse woord ‘politeia’ (burgerlijke samenleving), kunnen we redeneren dat ze in Joyce’s verhaal inwisselbaar zijn, als een symbool voor de manier waarop
de maatschappij functioneert als de macht in handen is van een select groepje rijken.
De katten van Kopenhagen is echter meer dan een kritiek op het kapitalisme, want het communisme wordt evenzeer op de hak genomen. De politiemannen van Kopenhagen liggen de hele dag op bed, terwijl een stel roodgeklede jongetjes hen brieven brengt van oude vrouwtjes die hulp nodig hebben bij het oversteken. Vervolgens geven agenten orders aan hun rode legertje, dat de mensen vertelt wat ze moeten doen. Deze werkwijze en de kleur van de apenpakjes, doen denken aan de organisatie van de Sovjet-Unie: in die zin zouden de politiemannen ook symbool kunnen staan voor het Politburo, het uitvoerend orgaan van communistische partijen.
Naast politiemannen en roodgeklede jongetjes, zijn er in Kopenhagen ook veel vissen en fietsen. In het Engels wordt de uitdrukking ‘like a fish needs a bicycle’ gebruikt om iets te omschrijven waar we prima zonder kunnen. Zo was de feministische leuze ‘A woman needs a man like a fish needs a bicycle’ populair in de jaren zeventig. Onderzoekers hebben deze uitspraak teruggedateerd tot een citaat van de Amerikaanse psycholoog Charles S. Harris uit 1937 (‘A man without faith is like a fish without a bicycle.’). Dat is rond de tijd dat Joyce zijn brief schreef, wat suggereert dat de vergelijking toen al in omloop was.
Vissen hebben geen fietsen nodig en de mensen in Kopenhagen kunnen prima zonder autoriteit. Ook in dat opzicht is de vergelijking tussen een kat en vissen interessant: terwijl de eerste wordt gezien als een zelfstandig en intelligent dier, leven de tweede gewoonlijk in scholen, gaan mee met de massa en hebben een geheugen dat zich beperkt tot een rondje in de viskom. Het lijkt
Joyce daarom een goed idee om een kat te introduceren in Kopenhagen: die kan de Denen leren om zonder hulp de straat over te steken en behoeft geen dik salaris, maar is tevreden met een stukje vis. De kat is een symbool voor een vrijdenkend mens, dat elke vorm van ongeschiktheid verwerpt. Een anarchist. De uitnodigende slotzin, ‘Nou, wat denk je d’r van?’, suggereert bovendien dat hij in kattenliefhebber Stephen zo iemand ziet.
Sommige lezers stellen dat we het zo ver niet moeten zoeken, dat De katten van Kopenhagen gewoon een brief is van een opa aan zijn kleinzoon. Maar als je grootvader James Joyce heet, dan mag je geen simpel kattebelletje verwachten. De katten van Kopenhagen is een pleidooi voor anarchisme, hetzij in poeslieve vorm.

Emotie in een rimpel en een blos

Op het omslag prijkt een getekend portret van James Joyce, naar de welbekende foto in driekwartprofiel met hoed. Het is blijkbaar frisjes in Denemarken, want Wolf Erlbruch doet de schrijver hier ook een warme das om. Dat is Erlbruch ten voeten uit: hij geeft aan een bekend beeld een lichte twist en tekent zo het literair icoon als een doodgewoon mens, met blosjes op de wangen en een rode neus van de kou. Een schrijver wordt natuurlijk niet zomaar afgebeeld op het omslag van zijn eigen boek. Erlbruch neemt Joyce bovendien ook op in zijn verhaal. Dat verhaal gaat over meer dan katten en een Deense stad, want het kader is de brief van James Joyce aan zijn kleinzoon Stephen. Van een brief van Joyce kun je meer dan een kattebelletje verwachten, schrijft Kyra Fastenau in het artikel hiernaast, van de prenten van Erlbruch meer dan alleen maar een betekenisvolle interactie met de tekst.
Op de openingsprent (hieronder) zie je de schrijver aan zijn werktafel, waar hij ingespannen zit te pennen aan de brief. Er is haast bij, zo laat zijn lichaamstaal zien, en het is alsof hij zijn opwinding heeft overgedragen op de tekenaar. Vooral wanneer we deze tekening vergelijken met bijvoorbeeld de laatste prent, opnieuw van Joyce aan zijn schrijftafel, valt op dat de lijnen in de eerste prent opvallend licht zijn aangezet. Ze lijken snel getekend, net als de strakke streepjes die de voorhoofdsrimpels vormen. Ook zie je aan Joyces gespannen houding en gezichtsuitdrukking dat hij iets belangrijks te melden heeft: ‘Helaas! Ik kan je geen Kopenhaagse kat sturen want je hebt geen katten in Kopenhagen’. Als we nu de slotprent in detail bekijken, waar Joyce achterover leunt in zijn stoel, de afgewerkte brief aan Stephen in de hand, zien we dat hij tevreden is over de oplossing die hij aangedragen heeft voor het Kopenhaagse probleem. Er is rust gekomen in de figuur en ook in de tekening; Erlbruch zet met kalmte de lijnen wat sterker aan, laat de kleuren prominenter naar voren komen en geeft zo zijn tekening een gelijkmoedige sfeer mee. Bedaard maar wel vol verwachting — met denkrimpels en de kin gedecideerd vooruit — naar wat Stephen van de brief zal vinden. Erlbruch typeert zo de persoonlijke relatie van een grootvader met zijn geliefde kleinkind en voegt emotie toe aan een literair-historisch detail (de brief, het nauwelijks bekende verhaal). Hij suggereert ook dat deze grootvader, een van de invloedrijkste schrijvers uit de twintigste eeuw, op wiens werk meer dan een academicus de tanden heeft stukgebeten, veel belang hecht aan de uitkomst van deze communicatie via een kinderverhaal. Tussen begin- en slotprent in gaat het over katten, vissen en smokende mannen, te begrijpen als een anti-establishmentverhaal in tekst en beeld. De drang naar individuele vrijheid en een zacht, van humor doordrongen anarchisme is immers ook eigen aan Erlbruchs oeuvre.
Erlbruch pikt op zijn eigen manier in op de onuitgesproken ‘fish-en-bicycle’-symboliek (zie p. 337). Fietsende vissen mogen ons bij Erlbruch sowieso niet verbazen — hij liet ze in eerder werk al auto rijden, piano spelen en thee drinken (Tien groene haringen, Querido 2001) en beschouwde de ene vis daar als volstrekt inwisselbaar met de andere. Hier fietsen vissen frivool door de straten, afkeurend nagekeken door een schooltje van drie soortgenoten, burgerfiguren met aktetas, bolhoed en sigaar. Leeghoofdigheid en filisterij alom dus, in Kopenhagen? Klaarblijkelijke misdaad ook, en inertie: op de volgende prent wordt een nette burger beroofd door een figuur met klassieke boeventronie (enorme kinnebak, geruit petje, grof gebreide trui…). Zelf kijkt het slachtoffer wel erg argeloos voor zich uit en zijn hondje keert de feiten helemaal de rug toe. Erlbruch zet met zijn typisch absurdisme in grote mate mee de toon. Waar Joyce zelf vooral het aspect van de politiemannen-in-bed het meeste ruimte geeft, werkt Erlbruch in zijn tekeningen ook andere verhaalelementen op hetzelfde ironische elan verder uit.
Knap is bovendien hoe de illustrator mee het leesritme bepaalt. Parallel met de tekst over de lethargie van de politiemannen — ‘de hele dag […] de hele dag.’ — tekent hij de politiemannen in bed in een opeenvolging van herhalende beelden met een lichte variatie. De ene keer ligt hij zus, dan zo, dan karnemelk slurpend, aan zijn sigaar lurkend… Erlbruch neemt de traagheid en inertie die de tekst suggereert, op in zijn compositie. De prenten, getekend op afzonderlijke stukjes papier, zijn compact samengebracht op de bladzijde, waardoor de niksende politiemannen nadrukkelijk de ruimte vullen. Je kunt het zien, dit logge machtsapparaat zit gebeiteld.
De manier waarop Erlbruch begin- en slotprent heeft gemaakt, zijn sprekende voorbeelden van wijze waarop hij emotie toevoegt aan de tekst, maar ook in de andere prenten zijn de druk waarmee een lijn wordt gezet, de ruimte die een figuur krijgt toebedeeld en zijn positie op het blad mee bepalend voor de toon van het beeld. Zijn de straten van de stad een chaotische bende door al die ‘rooie’ uniforme boodschappenjongens, en door de pijlen die alle richtingen uitwijzen, dan eist de kat haar ruimte op. Rustige bladzijden dus, met veel wit. Hoewel, rustig? Haar grijns naar een passerend muisje is veelzeggend en haar individuele parcours op een druk kruispunt kan natuurlijk allerhande gevolgen hebben, vooral ook omdat de truck van de visboer erbij betrokken is. Erlbruch draagt de ironische ondertoon van de tekst verder en werkt die ten volle uit met fijne, intelligente humor. Een heerlijk boek.


James Joyce, Wolf Erlbruch (ill.), De katten van Kopenhagen, Hoogland en Van Klaveren [S.l.], 2013, 40 p., ill. € 13,5. ISBN 9789089671394. Vert. van: The cats of Copenhagen door Erik Bindervoet / Robbert-Jan Henkes

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswelp 2013

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 3, MAART 2021

Al het blauw

Peter Terrin

De andere kant van de zee

António Lobo Antunes

De eenzaamheid in het leven van Lydia Erneman

Rune Christiansen

Lettipark

Judith Hermann

Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld

David van Reybrouck

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 3, MAART 2021

Hallo nu

Jenny Valentine

Kleintje

Barbara de Wolf

Meneer Droste van het Kinderboekenmuseum

Sjoerd Kuyper, Sylvia Weve (ill.)

Op een koude winternacht

Jean E. Pendziwol, Isabelle Arsenault (ill.)

Toen ik de sterkste was

Jason Reynolds

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri