Peuters en kleuters

Quentin Blake: De schatkist van Quentin Blake

door Jan Van Coillie

5+ - Dit boek is wat de titel belooft: een echte schatkist, onuitputtelijk, sprankelend en fonkelend. Het bundelt acht eerder verschenen prentenboeken van grootmeester Quentin Blake, vooral bekend als illustrator van Roald Dahl, maar zelf ook schrijver. Deze bundel maakt echter meteen duidelijk dat Blake toch vooral tekenaar is. De tekst is heel summier, vaak gebaseerd op oude rijmen of verhalen en staat helemaal in dienst van de illustraties.
Het eerste verhaal, ‘Doe ook maar mee’, laat meteen zien waar Blake sterk in is: het typeren van rebelse kinderen. In telkens nieuwe scènes stapelt het kattenkwaad zich op: de kwajongens en –meisjes brullen en maken lawaai, doen volwassenen schrikken, lopen buiten in de regen, roetsjen en glijden waar ze maar kunnen en janken mee met de katten. Al even typerend voor Blake is dat de kinderen uiteindelijk wel flink zijn: ze helpen mee opruimen en verven, en het feest op het einde is typisch Blake.
Ook verder in het boek spat het plezier van de spelende, joelende en springende kinderen van de bladzijden. In ‘Quentin Blake’s kinderrijmen’ wordt Julian Doebiedoep ‘o zo springerig’ van snoep en wat verder springt Ineke Spring-in-‘t-veld overal overheen. Bij de M in ‘Het ABC van Quentin Blake’ maken de kinderen zich mooi vies in de modder. In dit tekenplezier schuilt ook meteen de belangrijkste reden voor Blakes succes bij kinderen: in zijn tekeningen is hij een van hen; hij deelt hun voorliefde voor kattenkwaad, snoep, cadeautjes en …modder.
Ook de volwassenen zijn overigens vaak erg dynamisch, toch als ze sympathiek zijn zoals juffrouw Julia, die van alles uit haar jaszakken tovert (van muizen over zakdoeken tot ijsjes en een olifant), meester De Meijere, die zes kinderen meeneemt op zijn step of mevrouw Hermitage, die met een motorbende de wegen onveilig maakt. Het is ook opmerkelijk hoe Blake er telkens in slaagt zijn karakters te typeren zonder in stereotypen te vervallen: je herkent de enthousiaste meester, de lieve juf, de gezellige oma meteen, maar tegelijk zijn het stuk voor stuk ietwat bizarre Blake-personages door de overdrijving en de ongewone details in hun kledij of uiterlijk.
Blakes illustraties beelden nooit zonder meer het verhaal uit, maar voegen er altijd van alles aan toe: bij de jacht op een muis is een kind verkleed als Romeins legionair, en de neus van Jantje Poot lijkt op die van zijn lievelingsdier. Overal dansen dieren mee met meester De Meijere en wie goed kijkt, ontdekt op meerdere tekeningen een zelfportret van Blake.
Vaak ook zetten de beelden het verhaal verder en zorgen ze voor een onverwachte wending. Dan laat Blake het beeld spreken. In ‘Juffrouw Julia’s jaszakken’ breekt hij soms een zin af, waarna je de bladzijde moet omslaan om het vervolg te kennen: ‘Ze heeft een zak voor skateboards voor kinderen die dat willen, / en dan nog een geheime zak speciaal voor // Op de volgende bladzijde zie je dan in woord en beeld de krokodillen. Het verhaal eindigt met een vraag aan het publiek: ‘En ook nog een zak met… WAT DENK JIJ? Hierop krijg je alleen mogelijke antwoorden te zien op de volgende illustratie, de tekst doet een beroep op je fantasie: ‘Maar wat je ook wilt, ik wed dat ook dit in juffrouw Julia’s jaszakken zit!’
Geregeld gebruikt Blake visuele ironie, waarbij de illustratie strijdig lijkt met de tekst. Het ‘Slaapliedje’ staat bij een prent met katten die de mensen net uit hun slaap houden en bij de letter T van het alfabet luidt het: 'T is een Tent / en daar woon je zo lollig’. Op de prent blijkt de tent echter helemaal in elkaar gezakt.
De schatkist van Quentin Blake vat het wezen van Blakes kunstenaarschap samen. Twee verhalen maken expliciet duidelijk hoe kunst kleur en plezier in het leven kan brengen. Alles krijgt kleur wanneer Pieter op zijn viool speelt: strikjes en veters, de bladeren van de bomen, de vogels, de koeien en de jas van de zwerver. De vissen springen uit het water en een boom hangt plots vol lekkers. Zijn muziek kan zelfs genezen en opvrolijken: de trieste ketellapper gaat er zowaar van huppelen.
‘Engelkrijt’ vertolkt misschien wel het meest kernachtig Blakes visie op illustreren. In dit verhaal geven twee engelachtige meisjes speciale krijtjes aan een straattekenaar, waarmee hij in de lucht kan tekenen. Blake speelt er met de grens tussen realiteit en: ‘Ze waren geen gewone meisjes, eigenlijk waren ze engelen. De meeste mensen wisten dat niet, omdat je hun vleugels in het echte leven niet kon zien. Maar dit is een prentenboek, dus hier zie je ze wel.’ Op het eind van het verhaal vat Blake in één zin zijn ervaring met illustreren: ‘Maar ja, wanneer je aan het tekenen bent, weet je nu eenmaal nooit precies wat er zal gebeuren, waar of niet?’ Deze opvatting dat zijn tekenpen als het ware een eigen leven leidt, verwoordde hij onlangs nog duidelijk in een interview met Libération (3.05.2014). In De schatkist van Quentin Blake vind je geen gouden dukaten, maar je wordt er wel erg vrolijk van.

Quentin Blake, De schatkist van Quentin Blake, Rubinstein Amsterdam, 2014, 256 p., ill. € 24,95. ISBN 9789047615583. Vert. van: The Quentin Blake treasure door Huberte Vriesendorp / Willem Wilmink

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswelp 2014

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies



ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri