Vanaf zes jaar

: Mijn grote sprookjesboek

door Lien Fret

- Jaar na jaar wordt de jeugdliteraire markt overstelpt met sprookjesvertalingen en -bewerkingen. Sprookjes verkopen nog steeds als warme broodjes, maar worden op literair vlak zelden hoog in het vaandel gedragen. Zo spreekt het aantal sprookjesbewerkingen dat erin slaagt jeugdliteraire prijzen weg te kapen, boekdelen. De afgelopen twee decennia konden alleen uitschieters zoals Het geheim van de keel van de nachtegaal (Peter Verhelst en Carll Cneut, 2009), Zwart als inkt (Wim Hofman, 1998) en De roos en het zwijn (Anne Provoost, 1998) de jury’s van respectievelijk de Gouden Uil Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel en de Gouden Zoen bekoren. Welke soorten sprookjesvertalingen en -bewerkingen worden er naast deze bekroonde dan nog op de markt gegooid? In dit artikel worden telkens twee recente versies van de traditionele sprookjes ‘Doornroosje’, ‘Roodkapje’ en ‘Duimelijntje’ tegenover elkaar geplaatst, waarbij de vernieuwende eigenschappen van de ene versie en de meer traditionele kenmerken van de andere belicht worden.

Doornroosje

Traditionele sprookjes zitten boordevol gaten die lezers of toehoorders zelf moeten invullen. Oppervlakkig uitgewerkte personages, ongemotiveerde acties en ongeloofwaardige verhaalwendingen zijn troef in de vaak vrij summiere verhalen waarin de vertelde tijd zowat altijd de verteltijd overtreft. Een extreem voorbeeld van zo’n sprookje is ‘Doornroosje’ dat in de eerste versie van de gebroeders Grimm uit 1812 (‘Dornröschen’ in Kinder- und Hausmärchen) maar een goede 1200 woorden telt maar ons wel over een periode van een eeuw vertelt. Honderd jaar duurt het alvorens een prins erin slaagt het met doornen omringde kasteel te bereiken. Maar de net ontwaakte Doornroosje heeft maar één oogopslag nodig om in de jongeman haar toekomstige echtgenoot te herkennen. Een paar zinnen later wordt hun bruiloft gevierd. Kansen te over dus voor vertalers en bewerkers om aan deze personages of deze scène meer invulling te geven.
In haar bewerking De schone slaapster (2011) gunt Siska Goeminne haar twee hoofdpersonages dan ook wat meer tijd om elkaar écht te leren kennen. Want, om het met de woorden van Charles Perraults moraal bij ‘La belle au bois dormant’ uit 1697 te zeggen, ‘men verliest niets door te wachten, maar het vrouwelijke geslacht streeft zo vurig naar echtelijke trouw, dat ik niet de kracht, noch het hart heb om deze moraal te prediken.’ (mijn vertaling). In tegenstelling tot Perrault is Goeminne niet bang om die boodschap, zij het impliciet, te verkondigen. Hoe doet ze dat? Door te beweren dat de Schone Slaapster al wakker was vóór de prins kwam en de twee via een intense briefwisseling de kans te geven te bespreken hoe het nu verder moet. Doornroosjes ideaalbeeld van de liefde wordt daarbij al snel aan diggelen geslagen. De Schone Slaapster droomt namelijk al honderd jaar lang van een man die haar ‘hemelsmooi’ vindt en ‘dolgelukkig’ met haar is, zijn woorden zijn ‘charmant en lieflijk’, zijn handen ‘sterk en troostend’ en hun kinderen ‘mooier en grappiger en slimmer’ dan alle anderen. Maar haar prins blijkt een moderne man met bindingsangst die ‘zeker nog geen kinderen’ wil en door het ideaalbeeld dat de Schone Slaapster hem voorhoudt, alleen nog maar koudere voeten krijgt: ‘Door jou ga ik twijfelen aan mezelf en daar heb ik geen zin in. Laat me dus nu maar met rust, oké?’. De emotionele chantage van de prinses — ‘ik kan helemaal niets anders doen dan wachten op jou… Of op de dood.’ — werpt echter haar vruchten af: gepakt en gezakt met de brooddoos die zijn vader voor hem heeft klaargemaakt, gaat de prins op weg. De Schone Slaapster verwelkomt hem met open armen want het maakt haar niet uit dat de man een watje is; al wat ze wil is een prins, een die haar kust. Goeminnes Doornroosje heeft dan wel honderd jaar geslapen, ze is en blijft, net als de prins, een product van onze moderne maatschappij waarin Hollywoodromances vrouwen nog steeds doen dromen van hun prins op het witte paard. Maar in tegenstelling tot de gebroeders Grimms, die de welwillendheid van de Schone Slaapster ten opzichte van die prins níet in vraag stelden, plaatst Goeminne wel degelijk vraagtekens bij dit ideaalbeeld van de liefde. Marianne Büsser en Ron Schröder doen dat niet. Met hun ‘Doornroosje’-versie in Het grote sprookjesboek voor jong en oud (2011) voegen ze dan ook weinig toe aan het traditionele sprookje van de Grimms. Een aantal kleine toevoegingen en wijzigingen zijn net daarom wél tekenend en onthullen een nogal traditioneel kind- en vrouwbeeld. Zo sterft, in tegenstelling tot ‘Dornröschen’, geen enkele prins een ‘treurige dood’ bij zijn pogingen om door de doornhaag te dringen en het kasteel te bereiken. Moeten we deze wijziging interpreteren als een aanpassing om ‘de gebeurtenissen niet al te gruwelijk af te schilderen’ (voorwoord), ter wille van een kindlezer die blijkbaar nog steeds beschermd moet worden? Een toevoeging op het einde van het sprookje sluit dan weer helemaal aan bij Perraults traditionele moraal met zijn zeventiende-eeuwse vrouwbeeld, in tegenstelling tot Goeminnes versie dit keer zónder ironische knipoog naar onze moderne maatschappij: Doornroosje, die net als de vrouwen naar wie Perrault verwijst, vurig lijkt te verlangen naar een echtgenoot, valt na honderd jaar slaap bijna van haar bed van opwinding omdat een prins, met wie ze slechts negen woorden heeft gewisseld, met haar wil trouwen: ‘"Met mij?" riep Doornroosje. "Wil je met mij trouwen?"’.

Roodkapje

De tijd dat de wolf Roodkapje te slim af was, is voorbij. Over de hele wereld zetten Roodkapjes het sprookjespersonage naar hun hand, zowel op intellectueel als op seksueel vlak. Denk maar aan de vele gedaantes van Roodkapje die door Sandra L. Beckett besproken worden in Red Riding Hood for All Ages (Wayne State U Press, 2008). Niet zelden wordt er daarnaast in kinder- en jeugdliteratuur voor het perspectief van de wolf gekozen. Zo ook in Mario Ramos’ prentenboek De slimste (2011), dat met zijn titel ironisch verwijst naar die wolf. Wanneer het gewiekste personage, gekleed in oma’s nachtpon, op zoek moet naar Roodkapje, maakt hij namelijk een fatale inschattingsfout. Gefrustreerd omdat alle sprookjespersonages in het bos denken dat hij oma is, zet hij zijn gemeenste gezicht op en springt tevoorschijn, hopend dat Roodkapje hem tenminste zal herkennen. Omdat de postmoderne wolf zelfbevestiging waardevoller acht dan een snelle hap, slaagt Roodkapje erin uit zijn klauwen te blijven.
Busser en Schröders Roodkapje lukt dat niet. Het meisje heeft dan ook zowaar nog minder gezond verstand dan Perraults ‘Le petit chaperon rouge’ en ‘Rotkäppchen’ van de gebroeders Grimm bij elkaar. Hoewel Roodkapjes moeder haar, in tegenstelling tot die twee eeuwenoude versies, waarschuwt voor de ‘vreselijk gemene wolf’ die in het bos woont, laat ze zich door die wolf wijsmaken dat hij ‘een heel gróót klein, lief hondje’ is. Dit naïeve kind moet duidelijk een lesje leren. Het doelpubliek kan volgens Schröder en Busser dan ook prima leven met ‘het eigen schuld-dikke bult-principe’ (voorwoord). Of dat principe in dit sprookje nog eens extra in de verf moest worden gezet, is nog maar de vraag. Boontje komt namelijk sowieso om haar loontje: net als bij de Grimms moet de goedgelovige Roodkapje uit de buik van de wolf gered worden door de boswachter. In Busser en Schröders versie komt niet Roodkapje zelf, maar oma vervolgens op het idee hem vol te stoppen met stenen, zodat in een einde dat lijkt op het tweede deel van de Grimms’ ‘Rotkäppchen’, ook de wolf zijn verdiende loon krijgt.
Net als bij de ‘Doornroosje’-versie uit Het sprookjesboek voor jong en oud vallen er echter geen — expliciete — doden: de wolf zou de ‘PLONS’ in de waterput met ‘erg laag’ water, best wel overleefd kunnen hebben. Aan de (voor)lezer om over zijn lot te beslissen. De auteurs zijn het er, zoals al vermeld werd, alvast over eens dat ‘een beetje eng mag, maar té eng wilden we onze doelgroep niet aan doen.’ (voorwoord). Een zelfde motivatie zorgde er waarschijnlijk voor dat er aan Perraults ‘Le petit chaperon rouge’, waarin Roodkapje eenvoudigweg opgegeten wordt, door zowel de Grimms als deze hedendaagse sprookjesbewerkers een wat minder noodlottig einde gebreid werd.

Duimelijntje

In ‘Duimelijntje’ van Hans Christian Andersen (1836) passeren een heleboel personages de revue. Een vrouw die verlangt naar een kind, een paddenmoeder en haar zoon, een vlinder, een meikever, een zwaluw, een veldmuis, een mol, een engelenprins… Alleen Duimelijntje — ook wel Duimeliesje genoemd — krijgt een naam, die na haar lange reis via al deze personages door de prins veranderd wordt in Maja. In traditionele sprookjes blijven personages wel vaker naamloos. Het zijn dan ook meestal vlakke personages, die de moraal in de verf moeten zetten. Wanneer sprookjes geromantiseerd worden, is er meestal wél ruimte en motivatie voor psychologische uitwerking van de personages én voor eigennamen. Maar ook auteurs van korte bewerkingen maken die keuze. Hoewel Jacques Vriens’ ‘Duimelijntje’ uit De allerleukste sprookjes van Jacques Vriens bijvoorbeeld niet langer is dan zijn brontekst, gunt de bewerker zijn personages wat meer diepgang, onder andere door middel van eigennamen. Zo krijgt de vrouw die ontzettend graag een baby wil, de naam juffrouw Maja Hunker. Met een knipoog naar de volwassen (voor)lezer toont Vriens dat een diepe kinderwens niet altijd het verhoopte resultaat oplevert: ‘Ik wilde eigenlijk graag een… een echt baby’tje… je weet wel, met luiers en flesjes en zo. En ook wat groter.’, jammert Maja, die in plaats van een baby Duimelijntje heeft gekregen. Van de moederpad die Duimelijntje wil doen trouwen met haar achterlijke zoon maakt Vriens een dominant kreng, van Kees een wat dommige kever en van de mol een intellectuele seksist die Duimelijntje met ‘het bekende werk voor het vrouwtje’ wil opzadelen. Op het einde van het verhaal is het niet de prins maar de ondernemende Duimelijntje zelf die zich de nieuwe naam Maja aanmeet. In zijn voorwoord beweert Vriens zijn sprookjes opgeschreven te hebben zoals hij ze zelf vaak vertelt, en dat merk je. Geen getrouwe vertalingen schotelt hij ons voor, maar ‘leuke’ sprookjes die hij opnieuw het nodige leven heeft ingeblazen.
De reis van Duimelijntje uit Het grote sprookjesboek Volume 2 (2011) is even grimmig maar een stuk minder onderhoudend. Het boek biedt de lezer niet veel meer dan een lichtjes ingekorte versie van Andersens tekst, zonder eigennamen, maar met als toemaatje een nóg gelukkiger einde. Waar Duimelijntje bij Andersen afscheid moet nemen van de zwaluw die haar tot bij de prins heeft gebracht — hij moet immers terug naar zijn nestje boven het raam van de sprookjesverteller — weet Duimelijntje in deze recente sprookjesbundel dat de zwaluw zal terugkomen zodra de winter weer begint. Een zoveelste toegeving aan de kindlezer?
Terwijl talloze sprookjesvertalingen en -bewerkingen de grens tussen traditie en vernieuwing bewandelen, is het slechts enkele gegund boven de gemiddelde jeugdliteratuur uit te stijgen. Maar misschien zijn het net de auteurs die de traditionele sprookjes op hun kop zetten in plaats van de conventionele rollen te bevestigen en de traditionele moraal op de helling zetten in plaats van hem te onderstrepen, die de sprookjes levend houden.


, Mijn grote sprookjesboek, Kids Marketeers Amsterdam, 2010, 85 p., ill. € 19,95. ISBN 9789073011687. Distributie: Libridis

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswelp 2010

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2020

De lus

Martha Heesen

In galop het duister in

Baltasar Porcel

Jaag je ploeg over de botten van de doden

Olga Tokarczuk

Melancholie II

Jon Fosse

Verdwijnpunt

Wytske Versteeg

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2020

De fantastische vliegwedstrijd

Tjibbe Veldkamp, Sebastiaan Van Doninck (ill.)

De verhuisdieren

Pieter van den Heuvel

Doe die deur dicht

Koen Van Biesen

Dokter Vos

Daan Remmerts de Vries

Waar mijn vrienden wonen

Cláudio Thebas, Violeta Lópiz (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri