Vanaf zes jaar

JEUGDBOEKEN NR. 4, FEBRUARI 2016

Toon Tellegen en Sylvia Weve: Op een ochtend vroeg in de zomer

door Jan Van Coillie

8+ - ‘Op een dag vroeg de lezer aan de schrijver: wat is je geheim, schrijver?’ Zo zou een verhaal van Tellegen kunnen beginnen. Het is in elk geval een vraag die zich aan me opdrong terwijl ik dit boek las en nog maar eens genoot en bleef genieten van de verhalen over de eekhoorn, de mier en al die andere dieren uit Tellegens wonderlijke dierenuniversum. Ik geef toe dat ik bij de eerste verhalen even het idee had: dit is te vertrouwd, meer van hetzelfde. Maar dat idee smolt als sneeuw voor de zon en toen ik eenmaal mee kon zwieren met de olifant aan de lamp bij de eekhoorn, was ik weer helemaal verkocht en werd elk verhaal een nieuw cadeautje dat je nieuwsgierig opent en dat telkens weer voor een verrassing zorgt.  
 
Blijft de vraag: wat is zijn geheim? Wie vertrouwd is met de verhalen van Toon Tellegen, weet dat die nooit een antwoord bieden op de vragen, wel cirkelen ze om dat antwoord heen, besnuffelen ze het, raken ze het heel even aan of lichten ze het deksel een klein beetje op. Verder is het aan de aandachtige lezer.

Geen van de dieren in Tellegens verhalen heeft een naam en dat is niet zomaar. Ook al heeft elk dier een eigen persoonlijkheid, daar gaat het in wezen niet om. Wel belangrijk is wat ze zeggen, denken of voelen. Een eerste reden waarom Tellegens verhalen lezers blijven aanspreken, is omdat ze zo diepmenselijk zijn. Ze gaan over heel herkenbare menselijke neigingen, gedachten, zorgen, gevoelens en vooral verlangens. Precies door die te projecteren in dieren, slaagt Tellegen erin om je als lezer de nodige afstand te geven om even stil te staan en je te verwonderen, na te denken of weg te dromen.   
 
Tellegen doet je ook beseffen hoe complex, duister of absurd onze verlangens vaak zijn. Het aardvarken verstopt zich omdat hij zo graag wil dat iemand hem eens zou zoeken. Tot zijn verbazing is er zo iemand, alleen komt hij niet te weten wie. Hij doet ook geen moeite om dat te achterhalen. Weten dat er iemand is die hem zoekt en weet wie hij is, volstaat. Hij maakt zich zo klein mogelijk, ‘zodat zelfs iemand die hem al dagenlang zocht en heel dichtbij was, hem niet zou kunnen vinden, en viel tevreden in slaap’. Het einde is typisch Tellegen: het gaat niet om het vinden, maar om het zoeken. De vlinder in een ander verhaal is er het hart van in dat hij niet weet wat zijn diepste wens is, vooral omdat hij wel weet dat hij heel gelukkig zou zijn als die in vervulling zou gaan. Uiteindelijk bedenkt hij dat zijn wens misschien wel altijd geheim moet blijven, ook voor hemzelf. Waarom, dat weet hij niet. En met die gedachte valt ook hij in slaap. Als de zwaluw in een volgend verhaal een feest geeft, leren alle dieren vliegen om erbij te kunnen zijn, ook al gaat dat niet zonder slag of stoot. Het verhaal gaat in wezen over de oude menselijke droom om te kunnen vliegen, maar evenzeer gaat het om het verlangen naar veiligheid en het vertrouwde. Als de walvis na een lange duikvlucht in zee landt, verzucht hij ‘Hè hè. Ik ben blij dat ik weer thuis ben.’   
 
Wat de dieren ook zo vertrouwd maakt, is dat ze allemaal hun kleine kantjes hebben. De beer wil graag gasten uitnodigen, maar het komt er maar niet van omdat hij telkens weer de taart die hij bakt, zelf opeet. Ook de mol en de aardworm willen een feest geven en bakken taarten, ‘van zwarte modder en boomwortels’.  Maar uiteindelijk vinden ze het toch maar gezelliger onder hun tweetjes, dan hoeven ze hun taarten niet te delen. De neushoorn en het nijlpaard zijn ontzettend boos op elkaar. Waarom, dat weten ze niet en ze herinneren zich evenmin waarom ze ruzie hebben, maar boos op elkaar zullen en moeten ze zijn. Tussendoor laat de neushoorn nog vallen dat hij les volgt in onverschilligheid, die dag zal het gaan over ‘alles goedvinden’. Daardoor wordt de hele ruzie nog onzinniger. De leeuw is dan weer ontevreden: hij vindt zichzelf er fantastisch uitzien, maar zijn gebrul vindt hij maar niets. Uiteindelijk gaat ook dit verhaal over een onzinnige wens. Misschien nog het zieligst is de duizendpoot. Zijn identiteitscrisis is fundamenteel: elke keer als hij zijn poten telt, komt hij tot een ander resultaat. Hij is dus telkens iemand anders.

Zonder twijfel fascineren Tellegens verhalen ook omdat ze je doen stilstaan bij wat wezenlijk is in het leven. Dat doen ze nooit nadrukkelijk, laat staan opdringerig. Ze nodigen je integendeel uit om na te denken, te filosoferen, je te verbazen. Wanneer de dromedaris en de kameel elkaar ontmoeten, leidt dat tot een diep gesprek over verschillend zijn en toch op elkaar lijken. Aan de struisvogel stellen de andere dieren de vraag waarom hij zijn hoofd eigenlijk in de grond steekt. Omdat ook hij geen antwoord kan geven, proberen ze het allemaal zelf, met een feestelijke afloop, want zo steken ze ongewild hun hoofd binnen bij de mol en de aardworm, die net een feestje gaven. De mier ziet dan weer letterlijk zijn gedachten voor zich: zijn verstand krijgt een lichaam met pootjes en al en opent het ene schuifje na het andere om er gedachten uit te halen. Maar zelfs met een ladder is er een gedachte waar hij niet bij kan, ‘mijn verstand kan er niet bij.’ Hier kan de lezer extra genieten als hij de woordspeling herkent. Ook in andere verhalen toont Tellegen zich een taalvirtuoos die vastgeroeste uitdrukkingen als ‘je kop in het zand steken’ of ‘uit je humeur zijn’ nieuw leven inblaast. Dat doet hij ook met woorden, waarbij hij de lezer dwingt stil te staan, woorden als ‘uiteenlopend’, ‘verplichtingen’, ‘grotendeels’ of ‘mysterie’. Zelfs een doodgewoon woord als ‘morgen’ is voor de eendagsvlieg bijzonder. Hij denkt dat het een soort dans is. Daardoor kan hij de uitnodiging van de eekhoorn niet aannemen, hij kan immers niet morgen.  
 
Ondanks alle zorgen, vragen of gepieker van de dieren, geven de verhalen de lezer meestal een gelukzalig gevoel. Dat komt onder meer omdat, wat er ook gebeurt, de dieren er rustig en beleefd bij blijven. Het verhaal dat dit het treffendst illustreert is ‘De olifant’. In dit verhaal kruipt hij niet enkel meer in bomen, maar slingert hij ook aan de lamp van de eekhoorn. Natuurlijk valt hij en in zijn val vernielt hij de hele inboedel. Beduusd vraagt hij de eekhoorn of die hem nu niet onaardig vindt, waarop de eekhoorn hem vraagt waarom. De olifant begrijpt echt niet waarom de eekhoorn niet iets heel onaardigs tegen hem zegt. Typisch Tellegen is dat de eekhoorn repliceert dat hij dat evenmin begrijpt, waarna ze samen thee drinken. Als de olifant boos weggaat en buiten ook nog eens uit een beuk valt, denkt de eekhoorn: ‘daar gaat mijn vriend’, waarop het verhaal sluit met ‘Want de olifant was zijn vriend en hij wilde niets anders denken, wat er ook gebeurde.’ Bij zo’n verhaal krijg je het warm, omdat je plots zo helder ziet wat echte vriendschap is, met alle gestuntel en brokstukken die te lijmen vallen.  
 
Feest, mét taart, het is een leidmotief in Tellegens verhalen. Feesten staan symbool voor gezelligheid en vriendschap. De dieren nodigen elkaar graag uit en altijd gaan ze op de uitnodiging in, vanzelfsprekend, al kost het hen moeite of moeten ze dingen doen die ze eigenlijk liever zouden laten. Maar een uitnodiging voor een feest sla je niet af en hoeveel moeite het ook kost, achteraf vallen de genodigden én de gastheer of -vrouw altijd moe maar voldaan in slaap. Als er al een boodschap steekt in de dierenverhalen van Tellegen, dan is het deze wel: wil je echt gelukkig zijn, ga dan bij elkaar op bezoek.

Sylvia Weve illustreert Tellegens dierenverhalen voor het eerste en het resultaat is fascinerend. Ze plaatst de verhalen in kaders, waarrond ze haar illustraties opbouwt. Daarbij varieert ze voortdurend haar composities en perspectieven, wat de prenten een enorme dynamiek geeft. Die vergroot ze dan nog eens met vaartlijnen en gedachteballonnen. Een sterk staaltje van de zwier die Weve hierdoor in haar illustraties brengt, biedt de prent met de olifant die aan de lamp slingert. Vanuit vogelperspectief zie je tegelijk de chaos die zal volgen. In een gedachteballon rechts onder aan het verhaalkader staat een hartje met een pijl. De combinatie vat de essentie van het verhaal.  
 
Opmerkelijk is ook Weve’s kleurgebruik. Ze koos voor gedempte kleuren, vooral lichtgroene, bruine, roze en paarse tinten, die de gezelligheid en de beheerste emoties mooi vatten. Tegelijk zijn veel illustraties bijzonder grappig, zoals die bij het verhaal over de struisvogel met alle dieren die hun hoofd onder de grond steken. Die beelden nodigen extra uit om niet alleen de verhalen te lezen en opnieuw te lezen, maar ook de prenten telkens opnieuw te bekijken en nieuwe dingen te ontdekken. Wat is er immers mooier dan een cadeau dat je telkens opnieuw kunt openmaken?
 
Amsterdam : Querido 2016, [64] p. : ill. ISBN 9789045118857  

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 2, JANUARI 2019

Bakermat

Luuk Gruwez

De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen

Bart Van Loo

There There / Er is geen daar daar

Tommy Orange

Toekomstkoorts

Annelies Beck

Vorosjylovhrad

Serhi Zjadan

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2019

De schelmenstreken van Reinaert de Vos

Koos Meinderts (bew.), Carll Cneut, Charlotte Dematons e.a. (ill.)

De sprookjesverteller. Sprookjes van overal

Thé Tjong-Khing

Feo en de wolven

Katherine Rundell

Lepelsnijder

Marjolijn Hof, Annette Fienieg (ill.)

Mijn oma is kwijt…

Peter Theunynck, Lies van Gasse (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri