Peuters en kleuters

Klaas Verplancke: Appelmoes

door Jen de Groeve

'Ik wou dat hij duizend handen had' 3+ - Appelmoes is het verhaal van een zoon en zijn papa. Tussen hen bestaat een grote en onvermijdelijke verbondenheid en dat staat al meteen op de titelpagina:
 
'Mijn papa heb ik gekregen.
Hij was er bij mijn geboorte
en ik heb hem nog altijd.'
 
Het verhaal gaat luchtig over papa op zijn vrolijkst, onder de douche zingend 'als een mama', of aan de andere kant papa met stoppelbaard en ochtendhumeur. Het gaat over een sterke papa, die voetbalt met zijn zoon, en een veilige papa, met zachte buik en een zacht gemoed. En ook over een papa die uitgeteld voor de tv in slaap valt. De ups en downs van een goeie papa, daar kan een zoon wel mee om. Dit is een papa die zorgt, met handen die smaken naar appelmoes. Maar soms gaat het ook anders.
 
'Soms zijn papahanden koud.
Ze tekenen bliksems.
Wanneer papa zwijgt, <br /> hangt er onweer in de lucht.'
 
Papa's zwijgende afwijzing kan zo zwaar wegen dat de zoon op zoek wil naar een andere, een nieuwe papa, die vrolijk is, veilig en warm. Een intense vader-zoonrelatie brengt sterke emoties mee, dingen die klein zijn aan de buitenkant, kunnen vanbinnen reusachtig worden. Waar een vader enkel maar zijn rol als ouder opneemt en zijn kind streng terechtwijst als dat nodig is, moet dat kind soms door een jungle van emoties om die vingerwijzing te verwerken.
 
Het boek opent met een dubbele bladzijde met verschillende speelse tafereeltjes in zachte kleuren en met een zachte textuur. De vader is een mild getekende karikatuur, de zoon is een nogal typisch ventje met de open blik van een kind dat geniet en vertrouwt. De volgende dubbele bladzijde wordt overheerst door een vader met een ochtendhumeur. Blauw is de dominante kleur, de tekeningen zijn met wat ruwere krassen ingekleurd, de zachte ondertoon is eruit. Zonder veel erg, want met het verdwijnen van het humeurtje verdwijnt ook alles wat een tikje scherp of somber was, en vader en zoon vinden elkaar opnieuw.

Zachte speelsheid en scènes met een wat zwaardere toon wisselen elkaar op de volgende bladzijden af. De intimiteit groeit; op een dubbele bladzijde in warme tinten maakt papa het favoriete kostje van zijn zoon:
 
'Zijn vingers smaken naar appelmoes. Ik wou dat hij duizend handen had.'
 
Maar dan loopt er iets mis en wordt papa boos. Zijn terechtwijzing is voor de jongen een afwijzing. Op weer een dubbele blauwe bladzijde torent de vader donker boven de jongen uit. Dat beeld wordt intenser en dreigender op de volgende prent en papa krijgt iets monsterlijks. Papa's boosheid groeit in het hoofd van de jongen en in de daaropvolgende prenten zie je in het gemoed van de jongen een verschuiving van geïmponeerd naar boos naar bang. De milde zelfspot die Verplancke tot dan toe in de vaderfiguur legde, is nu verdwenen. Op het moment dat hij in de ogen van het kind monsterlijke allures krijgt, wordt het voor Verplancke ook helemaal ernst.
 
Deze beeldsequentie is grafisch erg sterk. 'Afgewezen' door zijn papa gaat de jongen verongelijkt en boos de trap op naar boven. Er wordt filmisch ingezoomd op de spijlen van de leuning, die vervolgens een benauwend bos van hoge stammen vormen. Een knappe visualisering van hoe de jongen verward op zichzelf terugvalt en door zijn gevoelens bevangen wordt. Maar geen enkel woud is eindeloos en aan het einde staat een hoge boom waarvan de takken reikende armen zijn. Eentje daarvan brengt hem terug naar huis.
 
En dan volgen de sterkste bladzijden uit het hele boek. Verplancke laat hier de woorden weg, de prenten doen het hele verhaal: nog onzeker en verward komt de jongen thuis uit zijn bange fantasie. Papa ziet er, ondanks zijn bebaarde glimlach, nog steeds monsterlijk uit, maar hij haalt zijn zoon met een warm gebaar naar binnen. De tak gaat over in een hand, aanreiken wordt verwelkomen. Het hoekige, kille beeld verzacht, de strakke vormen en lijnen verdwijnen naar de achtergrond, een vriendelijk neigend lichaam beheerst de prent. Het scherpe blauw neemt af naarmate de zoon zijn weerstand laat varen en de verzoening wordt bezegeld met een kom appelmoes.

De papa 'enerzijds' en 'anderzijds' van de eerste pagina's is in deze passage één figuur: nog bijzonder harig en met een imposant lichaam, maar ook warm en liefdevol. Je moet wel een beetje in de diepte kijken, Verplancke tekent een monsterman met een liefdevol aura. En naarmate de zoon het beter ziet en ingaat op het verzoeningsgebaar, verdwijnt de monsterman en houdt hij een liefdevolle en geliefde papa over.
 
Het dubbele perspectief in deze prenten, het volwassen weten dat de boosheid over is, maar het kind dat nog wat tijd nodig heeft, is bijzonder knap uitgewerkt. De slotbeelden, waar de vader de laatste resten weerbarstigheid van zijn zoon zachtjes wegwerkt, danken hun grote intimiteit aan Verplanckes vermogen om een beeld te scheppen van binnenuit. Precies dat - en Verplancke excelleert hier zonder meer in - maakt de grote kwaliteit uit van dit boek. De sterke prenten, de heldere, goed doordachte verhaalopbouw en de vloeiende, narratief sterk uitgebouwde beeldsequenties spreken de intuïtie aan. Een kind ziet en voelt wat de volwassene rationaliseert. Appelmoes is evenzeer een boek voor zonen en dochters als voor ouders.

Daar waar Verplancke de woorden weglaat, dragen de prenten het hele complexe, emotionele gegeven. Woorden zouden er alleen maar bovenop komen, ze zouden de intensiteit van het moment verstoren. Dat is een zeer gelukkige keuze geweest en Verplancke is ook in de rest van het boek zuinig met woorden, de tekst blijft grotendeels op de achtergrond. Maar ik vraag me af of Verplancke het niet verder had kunnen doortrekken. 'Woorden zijn voor mij een tool, [...] ze zullen bij mij altijd dienstbaar zijn aan het beeld', zegt hij zelf. Woorden die slechts een tool zijn, steken echter af naast prenten die inhoudelijk en grafisch ten volle overtuigen.
 
Globaal genomen heeft Verplancke zijn tekst zeer zorgvuldig afgewogen en een paar keer overtuigt hij volledig met een mooi gelaagd, poëtisch beeld als  
 
'Hij blaast de pijn weg in mijn knie
en vangt verdwaalde dromen
terwijl ik slaap.'
 
En het zangerige ritme van:
 
'Janneman,
wees niet bang.
Een donderpapa
duurt niet lang.'
 
is een geslaagde uitnodiging aan kleuters om helemaal mee te gaan in het verhaal. Moet ik er dan per se over vallen wanneer een ander beeld mij niet frappeert, of wanneer een zinnetje eens niet zo goed bekt? Misschien niet, maar op de momenten dat de tekst niet tot overeenstemming komt met de intimiteit en de expressiviteit van de prenten, vind ik het spijtig dat hij er staat.
 
De discrepantie tussen tekst en beeld in de Vlaamse prentenboeken is allang een moeilijke kwestie en de critici weten er niet altijd blijf mee. Excellente illustratoren zoals Verplancke, Cneut en Vandenabeele hebben vaak genoeg teksten geïllustreerd van schrijvers die ver achterblijven bij de kwaliteit van de tekenaars. Critici leggen dan, begrijpelijk, de nadruk op het beeld en over de tekst wordt schroomvol gezwegen. Verplancke levert als schrijver werk af dat vormelijk en inhoudelijk stukken interessanter is dan wat er in het merendeel van de Vlaamse prentenboeken te lezen valt. Maar hij is in de eerste plaats tekenaar, en excelleren doet hij alleen in de prenten.
 
Wielsbeke : De Eenhoorn 2010, [32] p. ill. ISBN 9789058386397

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2020

De lus

Martha Heesen

In galop het duister in

Baltasar Porcel

Jaag je ploeg over de botten van de doden

Olga Tokarczuk

Melancholie II

Jon Fosse

Verdwijnpunt

Wytske Versteeg

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2020

De fantastische vliegwedstrijd

Tjibbe Veldkamp, Sebastiaan Van Doninck (ill.)

De verhuisdieren

Pieter van den Heuvel

Doe die deur dicht

Koen Van Biesen

Dokter Vos

Daan Remmerts de Vries

Waar mijn vrienden wonen

Cláudio Thebas, Violeta Lópiz (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri