Beschouwingen

Karin Kustermans in gesprek met Ingrid Godon: Tijd om te leven

door Karin Kustermans

Karin Kustermans: Hoe is het allemaal begonnen?
Ingrid Godon
: ‘Ik heb eigenlijk een zeer grillig parcours afgelegd. Mijn moeder vertelt altijd dat ik tekende vanaf het moment dat ik een potlood kon vasthouden. Tekenen was iets heel vanzelfsprekends voor mij, even normaal als eten en drinken. Op school zat ik vaak te tekenen, maar met de algemene vakken wilde het niet lukken. Ook niet op de afdeling sierkunsten. Ik heb daar afgehaakt en ben op de academie terechtgekomen en daarna op de kunsthumaniora. Daar had ik gelukkig een zeer goede tekenleraar, Rik van den Brande, en toen ik op een dag een tekening liet rondslingeren in de hoop dat hij ze zou opmerken, kon hij bijna niet geloven dat ze van mij was. Hij dacht dat ik een ideaal kinderboekillustrator zou kunnen zijn.  
 
Maar een echte illustratorenopleiding bestond toen nog niet en hij gaf een klasgenote en mij tussen de lessen door opdrachten. Ik herinner me nog hoe we een ledenpopje moesten natekenen in allerlei houdingen, omdat hij wou dat we inzicht zouden krijgen in hoe een menselijk lichaam beweegt. Verder kwam het er vooral op neer dat we zijn tekeningen kopieerden. Hij schilderde met plakkaatverf, dus dat is het enige wat ik geleerd heb. Na een jaar stopte de opleiding, de rest moest ik zelf uitvinden. Ik ben in de Gouden Gids op zoek gegaan naar uitgeverijen en zo ben ik bij Plantyn terechtgekomen. Ik heb ze opgebeld en mocht langsgaan. Ik had niet eens een portfolio, kende dat niet eens, maar ze zagen wel wat in me en ik ben naar huis gegaan met een opdracht.
 
Jarenlang heb ik niets anders gemaakt dan illustraties voor schoolboeken: bij rekenmethodes, taalmethodes, voor geschiedenisboeken… Al die vakken waar ik op school niets van begreep, mocht ik nu wel illustreren (lacht). Ik heb ook heel veel illustraties gemaakt voor schooltijdschriften in België en Frankrijk. Ik beschouw die tijd als een hele lange leerschool. Dat ik dat werk zo lang ben blijven doen, heeft voor een groot stuk te maken met mijn zelfbeeld. Ik dacht nog steeds zoals dat meisje dat er op school niks van terechtbracht. Ik was allang blij dat ik met tekenen mijn brood kon verdienen.
 
Kustermans: Hoe ben je dan toch in de kinderboekenwereld terechtgekomen?
Godon:
Via de Franse kindertijdschriften. Uitgeverij Casterman merkte mijn illustraties op. Mijn allereerste boek voor hen was een kijkwoordenboek, met op elke spread een thema en woordjes die met dat thema te maken hebben. Bij elk woord hoorde een illustratie. Achthonderd heb ik er gemaakt voor dat ene boek. Achthonderd! En daarna kwamen er nog een paar van die kijkwoordenboeken…
 
In die tijd ben ik ook begonnen met boeken illustreren voor Averbode en eerstelezersboeken voor Zwijsen. Ik werkte keihard, ik had altijd vijf à zes opdrachten tegelijk lopen. Aan carrièreplanning deed ik niet. De opdrachten kwamen op mij af, ook de internationale opdrachten. Na die eerste kijkwoordenboeken voor Casterman werd ik opgebeld door het Engelse Macmillan. Ik was in de jaren daarvoor in Bologna al wel eens benaderd door een buitenlands literair agent, maar ik was daar nooit op ingegaan, ik had tenslotte werk genoeg. Maar Macmillan nam rechtstreeks contact met me op, een van de uitgevers is zelfs naar België gevlogen om kennis te maken. Ik ben toen rechtstreeks voor hen gaan werken.
 
What shall we do with the Boo-Hoo Baby?
was het eerste boek dat ik voor hen maakte. Daarna kwam One Gorgeous Baby.  Nog wat later hebben ze me gevraagd voor een reeks boeken met Carl Norac, die ook in het Nederlands verschenen zijn: Mijn papa is een reus, Mijn mama kan toveren enz. Macmillan was heel duidelijk: hun boeken moeten wereldwijd verkopen, ze moeten dus commercieel en toegankelijk zijn. Het was voor mij een uitdaging om mooi te illustreren voor een breed publiek. Ik vind zelf wel dat ik daar goed in geslaagd ben. Soms moest ik ook wel wat gas terugnemen. De kartonboekjes met flapjes rond het figuurtje Bo waren bijvoorbeeld te gesofisticeerd voor hen.
 
Kustermans: In die tijd verscheen ook Wachten op matroos.
Godon:
Meestal illustreerde ik in opdracht, ik maakte illustraties bij teksten van anderen, maar Wachten op matroos is mijn verhaal. Het zat al jaren in mijn hoofd, maar er was nooit tijd voor. Toen ik het uiteindelijk toch wilde maken, heb ik het eerst voorgelegd aan Casterman. Die vonden het schitterend, maar er moesten kinderpersonages in. Een verhaal met alleen maar volwassenen zou niet verkopen. Daar ben ik niet in meegegaan, omdat ik er voor het eerst in mijn leven van overtuigd was dat het verhaal moest blijven wat het was.
 
Kustermans: Het was jouw verhaal, maar je koos ervoor de tekst door iemand anders te laten schrijven.
Godon:
O ja, want ik kan misschien wel goed tekenen, maar veel minder goed schrijven. Ik zag ook veel te veel collega-illustratoren die wel zelf teksten schreven bij hun illustraties, maar bijna nooit haalden die teksten het niveau van hun illustraties. In die val wou ik niet trappen. Omdat ik vond dat André Sollie een erg goeie pen heeft en hij, net als ik, ook iets met de zee heeft, heb ik hem gevraagd of hij er tekst bij wou schrijven. Het was mijn eerste eigen boek en het viel meteen in de prijzen: een Gouden Griffel, een Boekenwelp, een Boekenpauw en een Vlag en Wimpel.  
 
Kustermans: Wachten op matroos verscheen ook in het Engels: Hello Sailor. Je hoort wel eens zeggen dat de Engelse uitgevers strenge beperkingen opleggen over wat wel en niet kan in een prentenboek.
Godon:
Daar heb ik geen last van gehad, integendeel. Na het verschijnen doken plots recensies op waarin het een homoboek genoemd werd. Ik had dat er zelf nooit in gezien. Het is ook wel tekenend voor onze maatschappij: twee mannen die samen op reis gaan, dat is verdacht. Twee vrouwen die samen op reis gaan, daar wordt nooit iets achter gezocht. Ik verdenk Macmillan er ook wel een beetje van dat ze de titel Hello Sailor bewust gekozen hebben. Er was in die tijd in Engeland veel ophef rond Section 28,  een wet die de ‘promotie’ van homoseksualiteit verbood. Het boek heeft daardoor veel persaandacht gekregen, er is zelfs een artikel verschenen waarin letterlijk stond dat de twee mannen in het boek samen naar boven gingen in een meters hoge penis. Het boek heeft daar duidelijk zijn weg gevonden in twee circuits, net als hier trouwens: kinderboekwinkels en homoboekhandels. Er is trouwens nog veel vraag naar, maar jammer genoeg is het niet meer verkrijgbaar.
 
Bij andere boeken heb ik wel met censuur te maken gehad. Zo had ik in What Shall We Do With The Boo-Hoo Baby? een koe getekend. Met een uier! Die uier moest eruit van Macmillan, die kon niet voor de Engelse kindjes. En in One Gorgeous Baby krijgt een kindje snoepjes. Die heb ik moeten vervangen door in veel gezondere aardbeien.
 
Kustermans: Je staat ook bekend om je boeken voor peuters, over de figuurtjes Nellie en Cezar. Hoe is die reeks ontstaan?
Godon:
Mijn jongste zoon was toen een jaar of drie. Ik merkte dat hij het moeilijk had met begrippen als in en op en achter en onder. Daarom heb ik een kikker en een muis bedacht om die begrippen aanschouwelijk te maken. Eerst heb ik Nellie en Cezar getekend voor tijdschriften. De idee om er boekjes van te maken kwam van Casterman. Er kwamen steeds nieuwe thema’s bij en ondertussen is het uitgegroeid tot een fenomeen. Volgend jaar bestaat de reeks twintig jaar en ik teken Nellie en Cezar nog altijd graag. Ik werk nu aan een doeboek, waarvoor twee keer vijftig tekeningen nodig zijn.
 
Toen ik ziek werd — ik heb twee keer kanker gehad — heeft de uitgeverij wel een studio ingeschakeld, want de reeks moest verder. De tv-reeks met tekenfilms kwam er net aan, er moesten boeken verschijnen. Bij die illustraties staat ‘naar Ingrid Godon’, en je merkt het verschil wel. Die figuren en de opstelling zijn houterig, zielloos. Ik begrijp dat ook wel, de mensen van de studio kunnen dat nooit zo onder de knie krijgen. Ik heb die figuren echt wel in mijn vingers, daar hoef ik me het hoofd niet meer over te breken. Nu teken ik ze weer zoveel mogelijk zelf.
 
Er zit ook een evolutie in de stijl waarin Nellie en Cezar getekend zijn. Twintig jaar geleden tekende ik hen heel voorzichtig en fijn met een dunne Rotring-pen. Op een bepaald moment heb ik een grote partij karton opgekocht en ben ik daarop beginnen werken. Toen is alles sterker geworden. Ik kon gewoonweg niet met aquarel werken omdat het karton alles wegzuigt. Het materiaal vraagt sterkere kleuren en een andere lijnvoering. Daardoor is er veel gaan bewegen in mijn stijl.
 
Kustermans: Je hebt sowieso een lange weg afgelegd. Van een realistische stijl ben je geëvolueerd naar een gestileerdere en experimentele stijl.
Godon:
Ik heb er dan ook dertig jaar over gedaan! (lacht) Maar het klopt wel: less is more, daar geloof ik steeds meer in. Ik wilde graag loskomen van mijn oude stijl, maar het is heel traag gegaan. Ik wou is daarin een keerpunt. Ik had op een keer — gewoon, voor mezelf — een portret nagetekend en was dat gaan schaduwen en inschilderen. Ik dacht: dit is iets nieuws, en die verrassing gaf me zin in meer. De eerste reeks is vervolgens getoond op een overzichtstentoonstelling van mijn werk in Genk. Er kwamen heel enthousiaste reacties op. Ik denk dat mensen toen zagen: o, die brave lieve Godon heeft nog wat anders in haar mars. (lacht)
 
Ik heb toen nog een reeks andere portretten getekend, en stilaan groeide toch het idee voor een boek. Querido heeft Bart Moeyaert gevraagd er teksten bij te schrijven. Hij was heel erg getroffen door de portretten, maar hij heeft de opdracht uiteindelijk teruggegeven. Ik denk dat hij er te veel een verhaal van wilde maken. Zonder tekst zag Querido het niet zitten en toen ben ik bij Lannoo gaan aankloppen. Die vonden het ook een heel moeilijk boek, maar ze wilden het toch uitgeven, zonder tekst. En toen belde Toon Tellegen me op, hij wou graag de teksten schrijven. Je kunt je voorstellen wat voor een cadeau dat was. Ik had al wel illustraties gemaakt voor zijn boek Morgen was het feest, maar dat een reus als Tellegen teksten bij mijn portretten wou schrijven... Toon heeft een aantal portretten gezien, en is toen aan het schrijven gegaan. Hij wou niet veel zien, hij wou vrij kunnen schrijven.
 
Kustermans: Het boek dat de uitgevers ‘heel moeilijk’ noemden, werd een groot succes. Bijna meteen na verschijnen was er al een tweede druk.
Godon:
Ja, ongelooflijk, er is nu zelfs een vierde druk gepland en het is ook vertaald naar het Frans en het Duits. We hebben wel het geluk gehad dat bijna gelijktijdig met het verschijnen van het boek een tentoonstelling met de portretten opende in Museum M in Leuven. Bovendien was het cadeautjesperiode, dat hielp ook. En de portretten sloegen gewoon heel erg aan. Mensen waren geïntrigeerd door de ogen, de blik. Sommigen schrokken ervan, maar werden dan toch nieuwsgierig. Veel mensen herkenden ook iemand of iets. Het is een boek voor alle leeftijden, ik hoor ook dat mensen er met kinderen mee werken rond gevoelens.
 
Door het succes van Ik wou kan ik bij Lannoo een nieuw boek maken. Het heet Ik denk, en het is helemaal anders geworden. Ik wou geen gewoon vervolg maken: het portrettenboek was afgerond. Ik wou verder op de weg van de los getekende schetsen, die er ook in stonden. Ik wist ook vrij snel dat ik maar een paar kleuren wou: rood, wit, zwart. En ik had een bruinig papier ontdekt, dat heel bijzonder is om op te tekenen, omdat het een oud effect geeft.  
 
Eerst wou ik helemaal geen mensen meer tekenen, meer elementen,  een gordijn waar een streep licht doorvalt, een berkenbos... Poëtische beelden die mij raken. Maar gaandeweg kwamen de mensen toch terug, ik kan er denk ik niet aan voorbij (lacht). Ik ben ook gaan experimenteren met druktechnieken, monotype had ik bijvoorbeeld nog niet eerder gedaan. Toen ik in december in Wenen was, zag ik in het  Albertinamuseum een tentoonstelling van kleurendrukwerk uit de vijftiende eeuw. Dat inspireerde me om zelf te gaan experimenteren. Geen houtsneden, want met hout verlies ik mijn soepele lijn, maar monotype, dat gaf mooie resultaten.
 
De uitgeefster had me carte blanche gegeven: ‘Teken maar!’ Ik heb me gewoon geamuseerd, heb van alles gemaakt, en wat ik goed vond, is erin gekomen. Toon Tellegen heeft opnieuw de teksten geschreven. Hij wou dit keer vooraf helemaal geen illustraties zien. Toch vormen ze een mooi geheel met mijn illustraties. Ik vind het zelf een wonder dat het zo werkt. Het is blijkbaar de chemie tussen ons beider werk. Toen we aan het tweede deel begonnen, zei Toon trouwens: laten we er dan meteen drie maken. En dat gaan we ook doen. Er komt dus nog een Ik moet.  
 
Kustermans: Op de ezel hier hangt nog heel ander werk…  
Godon:
Die prenten heb ik gemaakt voor een boek van Paul Verrept. De bank heet het, het is voor volwassenen en verschijnt bij De Eenhoorn. Ik ben in het wilde weg beginnen tekenen. Wat daar hangt, is maar een fractie van wat ik allemaal gemaakt heb, ik heb moeten puzzelen welke prenten erin zouden komen. Ik was begonnen met drukken, daarna ben ik tekeningen gaan maken. Omdat ik vond dat die twee niet samengingen heb ik de druksels weggelegd, maar daarna zijn ze er toch weer bij gekomen, omdat ik plots besefte dat ik de mensen kon tekenen en de landschappen drukken. Die combinatie bleek perfect te werken.
 
Kustermans: Je hebt jarenlang vrij constant geïllustreerd en nu zien we plots een heel andere Ingrid Godon, die hele nieuwe en uiteenlopende kanten van haar talent toont.  
Godon:
Het heeft lang geduurd voor ik dat durfde. Ik was bang en onzeker. Die monotypes waar ik nu voorzichtig mee experimenteer, heb ik nooit leren maken op school. Ik heb tijdens mijn opleiding alleen met plakkaatverf geschilderd, maar nooit met aquarel, nooit met olieverf, ik heb nooit collages gemaakt… Dat heb ik allemaal zelf moeten ontdekken. En daarbij nam ik ook elke opdracht aan, er moest tenslotte brood op de plank komen.
 
Er speelt nog iets anders. Ik denk dat ik door mijn ziekte en het verlies van mijn echtgenoot, Dirk, toch wat anders in het leven sta. Vroeger was ik een tekenmachine. Ik heb keihard gewerkt, het stopte nooit. Na al mijn tegenslagen wou ik eindelijk tijd voor mezelf. En ik wou meer kwaliteit. Soms voelde ik wel dat ik meer in mij had en dat het gewoon niet aan bod kwam door de vele opdrachten. Ik ben dan ook erg blij dat mijn huidige werk opgemerkt en bewonderd wordt in binnen- en buitenland. Dat moedigt me aan en geeft me meer zelfvertrouwen.
 
Voor het eerst in zoveel jaren heb ik me dit jaar in Bologna niet echt thuis gevoeld en dat heeft volgens mij te maken met boeken als Ik denk en De bank. Ik wil graag verder evolueren in die richting. Maar ik ga ook weer een kinderboek maken met Sylvie Neeman, de auteur van Quelque chose de grand. En er komt nog iets moois aan. Voor de stad Genk maak ik een kinderboek voor de 150ste verjaardag van Emiel van Doren. Het verhaal van Emiel van Doren en de schilders rondom hem is heel boeiend, maar tegelijk vind ik het best moeilijk omdat het zo’n open opdracht is. ‘Doe maar’, zeggen ze.
 
Kustermans: Hoorde ik je net niet zeggen dat de carte blanche die je kreeg voor Ik denk een groot cadeau was?
Godon:
Ja, dat is het ook, maar Ik denk is helemaal van mij en de illustraties zijn echt ontstaan vanuit de buik. Een opdracht blijft een opdracht. Het is een beetje vergelijkbaar met mijn boek over Caillebotte, dat ik gemaakt heb voor het Gemeentemuseum Den Haag. Ik had daarvoor ook alle vrijheid en dat viel niet mee, een kader is soms toch wel makkelijk.  
 
Kustermans: De Vlaamse illustratoren doen het al een paar decennia erg goed in het buitenland. Hoe komt dat, denk je?
Godon:
Omdat we goed zijn natuurlijk (lacht). En omdat we heel divers zijn, ieder heeft zijn eigen stijl. En omdat we durven. Al loopt dat laatste een beetje terug. Niet bij de illustratoren zelf, maar bij de uitgeverijen. Ze zijn allemaal voorzichtig geworden. Dat Isabelle Vandenabeele niet meer bij een Vlaamse uitgever terecht kan, vind ik ongelooflijk. En Goele Dewanckel heeft nu om dezelfde reden een Italiaanse uitgever. Daar kan haar werk nog wel.
 
Ik word er zelf ook mee geconfronteerd. Voor Bloomsbury in Berlijn heb ik een boek van Heinz Janisch geïllustreerd, Rita. Dat kreeg in 2013 de Oostenrijkse Kinder- und Jugendbuchpreis, maar ik krijg het hier aan geen uitgever verkocht. ‘Te moeilijk’, klinkt het eensgezind bij Querido, Lannoo en De Eenhoorn. Ik begrijp dat niet. Snappen die Oostenrijkse kinderen dan zoveel meer dan kinderen in Vlaanderen en Nederland? Een ander buitenlands boek van me, Quelque chose de grand, viel ook in de prijzen, kreeg een lovende bespreking in de New York Times en is daar ook verkozen tot een van de mooiste kinderboeken van vorig jaar. Maar hier vindt het geen uitgever.

Het is niet typisch voor het boekenvak, heel onze maatschappij is ervan doordrongen: we zijn oververzadigd. Boeken hebben daardoor ook een erg kort leven gekregen. Neem nu mijn boek over Caillebotte. Ik was heel vereerd toen ik de vraag kreeg van het Gemeentemuseum Den Haag om dat boek te maken. Er was in de pers veel aandacht voor de tentoonstelling, maar over het boek werd met geen woord gerept. Ik zie nog voor me hoe ik aardappelen stond te schillen toen het op de radio wel een kwartier lang over de tentoonstelling ging. Ik dacht: nu komt het, nu gaan ze iets zeggen over mijn boek. Maar nee, helemaal niets. En toen ik er in de Standaard Boekhandel naar vroeg, kreeg ik te horen dat ze het boek niet hadden omdat het ‘themagebonden’ is en dus werd het niet ingekocht.  
 
Ik ben er nochtans erg trots op, net als op de boekjes over Oele en Lila.  Daarmee is het ook niet gelopen zoals ik gehoopt had. Querido wou boekjes voor peuters en dat is dan Dit is Oele en Dit is Lila geworden, met een tekst van Imme Dros. Het moest een commerciële, maar mooie reeks worden. Ik heb er onwaarschijnlijk hard aan gewerkt. Eerst verschenen twee aparte boekjes om de figuurtjes te introduceren, daarna zou er een boek komen dat je kon omdraaien, en waar ze elkaar in het midden zouden ontmoeten.
 
De eerste boeken waren nog maar anderhalve maand verschenen en ik was hard aan dat dubbelboek aan het werken, toen ik een telefoontje kreeg van de redacteur: de uitgeverij had besloten niet met de boekjes verder te gaan omdat de verkoopcijfers tegenvielen. Anderhalve maand na verschijnen? Dat is toch niet ernstig? Een boek krijgt geen tijd meer om te leven. Als je weet hoe lang je soms aan een boek werkt… Gelukkig gaat het niet altijd zo. Straks ligt de vierde druk van Ik wou er, naast een al even mooi uitgegeven Ik denk.
 
Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 2014 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2018

Het genootschap van onvrijwillige dromers

José Eduardo Agualusa

Ik wordt

Harry Vaandrager

niets=iets

Wouter Godijn

Pachinko

Min Jin Lee

Terug naar Reims

Didier Eribon

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2018

De muis en de muur

Britta Teckentrup

Ei! Ei!

Harriët van Reek en Geerten Ten Bosch

Het wonderlijke verhaal van Angelino Brown

David Almond

Liebermann. De zee van meneer Max

Koos Meinderts, Annette Fienieg (ill.)

Veertien

Tamara Bach

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri