Beschouwingen

De autonomie van de vertaler: * Jen de Groeve sprak met Elly Schippers

door Jen de Groeve

Een recente essaybundel over vertalen heeft als titel: The translator as writer (S. Bassnett). Vind je dat een vertaler een schrijver is?  

Ja, dat vind ik wel. Je brengt namelijk je eigen taal mee, die kun je niet verloochenen. Je bent niet alleen een spreekbuis, die precies weergeeft wat de ander schrijft. Als drie vertalers dezelfde tekst vertalen, worden het altijd drie verschillende versies. Iedereen brengt zijn eigen idioom, zijn eigen taalgebruik en zijn eigen achtergrond mee. Als je als vertaler goed werkt, ben je eigenlijk herscheppend, ben je dus creatief bezig.
 
Vind je dat een vertaling een autonoom literair werk is?

Nee, dat niet, want je maakt je niet los van het oorspronkelijke werk. Je houdt je aan het gegeven dat je geboden wordt. Je brengt er wel veel van jezelf in, maar je maakt er niet iets anders van. Je bent een soort bemiddelaar, en ook al kun je je eigen persoon daarbij niet verloochenen, je moet toch zoveel mogelijk naar onzichtbaarheid streven. Helemaal onzichtbaar zijn, is evenwel onmogelijk. Ik werk vaak samen met andere vertalers en wanneer ik hun vertalingen lees, kom ik af en toe woorden of zinswendingen tegen, die ik als typisch voor hun taalgebruik herken. Ik vraag me dan wel eens af: zou de auteur niet toch een ander woord gebruikt hebben of een andere stijl? Dus opnieuw, een vertaler zit er ook altijd zelf in.
 
Wat zijn de basisprincipes waar je van uitgaat bij het maken van een vertaling?
 
Ik vind dat je in alle opzichten recht moet doen aan het origineel, zowel wat inhoud als wat stijl betreft. Ik lees het boek, bekijk de stijl en probeer die vast te houden. Ik ben er geen voorstander van om erg in te grijpen in inhoud of sfeer om daarmee tegemoet te komen aan het land waarvoor je vertaalt. Hoewel het soms wel noodzakelijk kan zijn. In het boek dat ik het laatst vertaald heb, Het lot van de familie Meijer [Charles Lewinsky — Signatuur, 2007], kwam het woord ‘Volksbildungsverein’ voor. Als je dat letterlijk vertaalt, wordt het zoiets als: ‘vereniging tot ontwikkeling van het volk’, maar dat zegt natuurlijk niemand iets. Ik ben toen gaan zoeken op websites van Oostenrijk, Zwitserland en Duitsland en het bleek iets te zijn wat wij ‘volkshogeschool’ noemen. Maar dat paste totaal niet in de context van het boek. Het ging om een soort vereniging die af en toe lezingen organiseerde, een beetje vanuit de filosofie van de vroegere socialistische partijen. Ik ben toen in mijn herinnering gaan graven; mijn vader en moeder zeiden altijd: “We gaan naar een avond van ’t Nut”, de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Ook in Vlaanderen bleek men dat te kennen. Ik heb wel heel erg geaarzeld om zo’n Nederlandse term in een Zwitserse context te introduceren, maar ik heb het uiteindelijk toch gedaan omdat ik het heel belangrijk vond dat de Nederlandse lezer onmiddellijk de juiste associatie had.
 
Maar anderzijds is er ook afstand nodig. Ik vind niet dat je alles maar moet gaan aanpassen om de tekst zo dicht mogelijk bij de lezer te brengen, ook niet in de jeugdliteratuur. De Amerikanen doen dat soms wel. Die zijn bij wijze van spreken in staat om bij elke maaltijd die in een boek voorkomt, hamburgers te serveren. De theorie is dat de lezers anders niet weten waar het over gaat. Het extreemste voorbeeld dat ik ben tegengekomen, was dat in een navertelling voor de jeugd van een klassieker op een gegeven moment ‘patat met appelmoes’ werd gegeten voor de ‘herkenbaarheid’. Dat vind ik dus echt uit den boze.
 
Maar zou je wel een aanpassing maken als het oorspronkelijke een te grote barrière zou opwerpen voor de lezers?

Als er geen ‘aha’ ontstaat, vind ik het wel belangrijk om een aanpassing te maken. Maar ik vind niet dat men het idee moet krijgen dat ze daar in dat verre Rusland of in Bulgarije alleen maar patat met appelmoes eten. Voor kinderen is het trouwens ook heel belangrijk dat ze nog iets bijleren. Daar kun je als vertaler voor zorgen.
 
Ik heb mij laten vertellen dat uitgevers soms bv. thematisch bepaalde zaken aanscherpen of juist verdoezelen om het boek in hun fonds te laten passen of in een bepaalde reeks.  
Een zichzelf respecterende uitgever doet dat niet.  
 
Waarin ligt voor jou in de praktijk het verschil tussen vertalen voor volwassenen en voor de jeugd?
 
Het is niet echt een verschil in aanpak of in filosofie, het heeft eerder te maken met het register dat je kiest. Wanneer ik bv. een werk van Arthur Schnitzler [Oostenrijks schrijver, 1862-1931 — nvdr] vertaal, zal ik, wanneer ik de keuze heb tussen bv. ‘kunnen’ en ‘vermogen’ voor het laatste kiezen, om iets van de oorspronkelijke gedragenheid in de stijl te bewaren. Bij de vertaling van een modern werk zal ik dat niet doen. Bij het vertalen van kinder- of jeugdboeken sta ik voor dezelfde keuzes. Ik kijk welk register het geschiktst is voor de leeftijdsgroep, maar ga niet proberen om dingen uit te leggen of te vereenvoudigen.


Bij het vertalen van jeugdliteratuur gaat men nochtans vaak veel verder dan bv. een personage een Nederlandse naam geven in plaats van de oorspronkelijke Britse of Duitse. Om de leesdrempel niet onnodig te verhogen.  
Ja, maar wanneer je vindt dat het werk zoals het is, met zijn specifieke inhoud, stijl, sfeer en toon, niet geschikt is voor het Nederlandstalige doelpubliek, dan moet je daar als vertaler niet aan sleutelen, dan vertaal je het gewoon niet. In de inhoud schrappen omdat die te saai of te langdradig zou zijn, of omdat ingegaan wordt op bepaalde culturele waarden, die men te complex en niet cruciaal acht voor het verhaal, de toon aanpassen omdat die bv. te moraliserend is, dat is allemaal niet de taak van een vertaler. Dan ben je het boek aan het herschrijven.
 
Mooie voorbeelden van dit soort vertaalpraktijken vind je in de vertalingen die er door de eeuwen heen van de sprookjes van Grimm gemaakt zijn. Diegene die de laatste versie gemaakt heeft, Ria van Hengel — zij heeft vorig jaar de Martinus Nijhoff prijs gekregen voor haar vertalingen uit het Duits —, heeft ze allemaal naast elkaar gelegd en ze heeft vastgesteld wat daar door de jaren heen in verschillende versies mee gebeurd is. Er is een tijd geweest dat alle Joodse verwijzingen eruit moesten. Nou goed, Grimm is natuurlijk wel een verhaal apart, maar dat vind ik dus echt verkrachten.
 
Hoeveel controle heb je eigenlijk over je vertalingen? Komt de uitgever daar soms tussen?  
Ik had een keer in een prentenboek het woord ‘sodeju’ gebruikt. Ik vind dat wel een grappig woord en bij de eerste druk was er ook niets aan de hand. Maar bij de tweede druk kreeg ik te horen van de uitgever dat ze dat woord hadden veranderd omdat er reacties gekomen waren uit de christelijke hoek. Toen kon ik dus niets meer doen, en er werd mij bij die gelegenheid ook meegedeeld dat ik dat soort bastaardvloeken in het vervolg niet meer mocht gebruiken. Het ging allemaal buiten mij om en ik heb er toen ook maar geen punt van gemaakt. Maar sindsdien spreek ik altijd met de uitgever af dat ik de allerlaatste versie, vóór de tekst gezet wordt, nog ter goedkeuring te zien krijg. Maar als je pas begint te vertalen, durf je dat waarschijnlijk niet te vragen.  
 
Ik kreeg ook eens een boek te vertalen waar heel veel Jiddisch in voorkwam. Dat hoorde bij de cultuur van de personages en bij hun taalgebruik. Op bepaalde pagina’s kwamen wel tien à twaalf Jiddische woorden voor. Nu is de stelregel bij de uitgevers dat woorden in een vreemde taal worden gecursiveerd. Maar zo’n hele bladzijde vol met cursief ziet er niet uit en bovendien denkt de lezer dan iedere keer ‘oh, dit is iets bijzonders’, terwijl het juist níet iets bijzonders was. Ik heb toen moeten knokken om dat cursief eruit te krijgen. Ja, ik wil hierin wel het laatste woord hebben.
 
Zijn er grote verschillen in werkwijze tussen de uitgevers?

O ja! Om een collega te citeren: “Er zijn uitgevers waar je manuscript door de voordeur naar binnen gaat en waar het gedrukte boek door de achterdeur naar buiten komt”, en waar je er dus niets meer van ziet. Ik vind het een kwalijke tendens dat er onder druk van de markt steeds meer en sneller geproduceerd wordt en er ook steeds minder zorgvuldigheid betracht wordt bij het uitbrengen van boeken. Je moet als auteur of als vertaler dus de vinger aan de pols houden. Er zijn een aantal goede uitgeverijen waarvan ik weet dat de uitgever en de redacteuren alles zelf lezen, het originele werk en ook de vertalingen, en waar het hele manuscript binnenshuis behandeld wordt. Maar de meeste uitgeverijen besteden alles uit aan externe correctoren en dan moet je maar hopen dat je iemand treft die goed werkt. Alles moet tegenwoordig vlug, vlug, vlug.
 
Je hebt meer dan 100 titels vertaald, maar toen ik je naam in de centrale catalogus van de openbare bibliotheken in Vlaanderen intikte, bleek hij maar één keer voor te komen. Belangrijk vindt men de vertaler hier dus niet. En eigenlijk is het nog erger, want ik stel regelmatig vast dat zelfs de uitgever de vertaler niet vermeldt. Bij prentenboeken bv.

Ik wind me al op als in een recensie de naam van de vertaler niet genoemd wordt. We worden door de vertalersvakgroep van de Vereniging voor Letterkundigen opgeroepen om in zo’n geval te protesteren bij de krant. Bij recensies komt het dus wel eens voor, maar dat ik in het boek niet vermeld word, heb ik nooit meegemaakt. Er is wel heel lang een verschil geweest tussen jeugd- en volwassenenboeken. Bij volwassenenboeken word je als vertaler op de titelpagina vermeld, bij jeugdboeken niet altijd. Ik heb daar ik wel eens een punt van gemaakt, ik wil ook bij jeugdboeken op de titelpagina. Dat is gewoon een kwestie van respect.
 
De notie van de ‘onzichtbaarheid’ van de vertaler is een heel paradoxaal gegeven. Want als een vertaler zijn werk goed doet, is hij onzichtbaar. Hoe ga jij om met die paradox?
 
Dat je als vertaler in de tekst niet zichtbaar bent, is het grootste compliment dat je kunt krijgen. Ik herinner me de eerste keer dat mij dat gezegd werd nog heel goed. Het was mijn derde vertaling, ik gaf toen nog les en een collega had dat boek aan zijn vrouw gegeven. Ze hadden helemaal niet in de gaten dat het een vertaling was.
 
Maar vind je het bv. belangrijk dat een vertaler wel zichtbaar wordt in een paratekst bij het boek, bv. in een verantwoording of een inleiding?

Als het nodig is wel, maar niet per se.
 
Vind je dat vertaalwerk van jeugdliteratuur dezelfde, serieuze aandacht krijgt bij de uitgevers als de volwassenenliteratuur?

Bij een aantal literaire uitgevers wel, en het hangt ook van de vertaler af. Ze zullen niet proberen te pingelen bij bv. Annelies Jorna [vertaalde o.m. Aidan Chambers, David Almond en Allan Stratton — bekroond met de Martinus Nijhoff Prijs 2005 — nvdr], maar ik denk wel dat men op jeugdliteratuur nogal eens probeert te besparen. Bij de royalty’s is er in elk geval een verschil tussen volwassenen- en jeugdliteratuur. Als je een goed contract hebt bij een goede uitgeverij, krijg je voor de eerste 2.500 exemplaren een honorarium; van 2.500 tot 5000 krijg je 1% royalty van het verkochte boek en boven de 5000 krijg je 2% royalty. Bij de prentenboeken begint de royalty soms pas bij 8000. Dus dat is al tekenend. Een uitgeverij zal natuurlijk nooit zeggen dat een goede vertaling niet belangrijk is, maar wanneer ze gaan zoeken waar ze kunnen bezuinigen zijn de vertalers de eersten die het voelen. Eerder bij jeugdboeken dan bij volwassenenliteratuur, en eerder bij thrillers dan bij literair werk.
 
En dan moet het allemaal ook nog heel snel gaan.

Dat is de algemene tendens. Bij prentenboeken is dat heel vaak het geval omdat ze in co-producties verschijnen. Maar de Angelsaksische literatuur zit met hetzelfde euvel. Men zet er vaak twee of drie vertalers op, want de Nederlandse uitgever wil dat de Nederlandse vertaling al uitgekomen is vóór de Engelse pocket op de markt is. En helemaal verschrikkelijk is het als ze proberen de vertaling tegelijk met het originele boek uit te laten komen. Dan moet de vertaler vanuit het manuscript werken, en last minute worden er dan weer allerlei aanpassingen gemaakt die de vertaler moet verwerken, maar de aanpassingen worden niet gemarkeerd etc. Ik dank de hemel op mijn blote knietjes dat ik niet uit het Engels vertaal. Bij Duits gaat het anders omdat er veel minder vertaald wordt. Ik zit nu ook in redactie van de klassieke reeks ‘De Duitse bibliotheek’ van uitgeverij Atlas. Daar hebben we echt alle tijd en kunnen we alles zelf uitkiezen. Dat is heerlijk, maar bij andere boeken, die populairder zijn, kan dat dus niet.
 
Worden er in doorsnee voldoende fondsen vrijgemaakt voor een vertaling? Zou er meer gesubsidieerd moeten worden?

Natuurlijk vind ik dat, want iedere beginnende vertaler zou een mentor moeten kunnen krijgen die zijn werk op de voet volgt en bijstuurt. Maar het is de vraag of het veel zoden aan de dijk zet als de uitgevers onvoldoende tijd geven voor de vertaling. Want in zo’n mentoraat gaat veel tijd zitten. Op een overspannen markt kun je als vertaler dus maar moeilijk expertise opbouwen.
 
Je hebt o.m. Wolf Erlbruch vertaald, Mevrouw Meijer, de merel (Querido, 1998). Hoe moeilijk is het om zo’n literair prentenboek te vertalen?

Het is heel belangrijk om de sfeer van het boek te bewaren. Toen ik Mevrouw Meijer, de merel las, zag ik dat onmiddellijk voor me. Ik kom van een boerderij en wij hadden voor het huis drie heel grote bomen staan. Als kind heb ik, bijna in een repeterende droom, altijd gedroomd dat ik van de ene boom naar de andere vloog, dat ik rondjes over het erf maakte en dan weer terugvloog naar die drie bomen. Toen ik Mevrouw Meijer, de merel las, dacht ik: zo zat ik in mijn droom ook op die takken. Dus dat heb ik op me laten inwerken. Ik weet niet of ik daardoor bewust andere woorden gekozen heb, maar ik vond het wel fantastisch om te doen omdat het zo beeldend was.
 
Ineke Ris schreef in haar artikel ‘Een vertaler is een schrijver’ (De Leeswelp 2008, p. 116) dat je als vertaler van prentenboeken erg intensief bezig bent met het op elkaar afstemmen van prenten en teksten. Is dat bij jou ook zo? Als de schrijver tekst en prenten niet op elkaar betrekt, kan de vertaler dat dan doen en er bv. verschillende betekenislagen in aanbrengen?

Een prentenboek is echt een verhaal apart, want je moet natuurlijk ook daar proberen recht te doen aan inhoud en stijl. Maar je bent van zoveel factoren afhankelijk: de plaatjes, de ruimte die je hebt… Als de zin te lang wordt, dan kan het gebeuren dat het laatste woord in de tekening terechtkomt, dus dat mag dan niet. Of het moet juist wel etc. Je moet je eerst afvragen wat er wordt weergegeven in de tekst, welke sfeer er heerst in tekst en tekeningen. Dat moet je dan op elkaar afstemmen. Soms word je gewoon gedwongen om je meer vrijheden te permitteren.
 
Dan werkt de vertaler van een prentenboek in vele gevallen toch autonomer dan de vertaler van een roman?

Ja, maar een auteur als Wolf Erlbruch heeft natuurlijk zelf al gezorgd dat prenten en tekst op elkaar afgestemd zijn en dat er verschillende betekenislagen in zitten. Dat zijn prentenboeken van een heel hoog niveau. Bij hem zal het niet zo gauw voorkomen dat je zegt: ‘Ach, dit is toch leuker of beeldender in het Nederlands, ik ga het vervangen’. Bij doorsnee prentenboeken ligt dat vaak anders.
 
Krijg je soms reacties van lezers?

Op mijn vertaling van Die Zauberschule und andere Geschichten van Michael Ende [De toverschool en andere verhalen,  Christofoor, 1996] heb ik heel leuke reacties gekregen. Ende speelt daarin een boeiend spel met de namen van de dieren: ze kregen een naam die past bij hun karakter en de initialen van de voor- en achternaam zijn steeds hetzelfde. Soms ook nog de eerste twee letters. Voor al die karakters moest ik dus uiteraard zelf namen verzinnen. Er komt bv. een olifant in voor die Filemon Faltenreich heet, een verwijzing naar Filemon en Baucis van Ovidius. Filemon Faltenreich staat aan de oever van de Nijl en filosofeert over de maan, terwijl er zich tussen zijn poten van alles afspeelt. Ik heb lang zitten piekeren hoe ik zijn persoonlijkheid in een naam zou kunnen vatten. Ik was al op de naam ‘Plooihuid’ gekomen, maar moest die nog laten allitereren met de voornaam. Nu ken je wellicht dat verhaaltje van schrijvers en vertalers die pen en papier naast hun bed hebben liggen om, wanneer ze een idee hebben ’s nachts, dat snel te kunnen opschrijven; de volgende ochtend blijkt er enkel onzin op papier te staan. Maar bij mij is het in dit geval echt zo gegaan. Middenin de nacht schiet mij opeens ‘Plato’ te binnen. Filemon Faltenreich werd dus Plato Plooihuid. Een vondst waar ik nog altijd trots op ben, en dan is het bijzonder fijn wanneer de lezers daar positief op reageren. Je bent als vertaler dan wel onzichtbaar, maar het belet lezers toch niet om je te vinden en te waarderen.
 
Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

Berta Isla

Javier Marías

De klaverknoop

Paul Demets

Het amusement

Brecht Evens

International Bakery (voorheen Cinema Royale)

David Nolens

Michael Ondaatje

Blindganger

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

De blauwe vleugels

Jef Aerts, Martijn Van der Linden (ill.)

De pittige pruim die een pop werd

Vojtěch Mašek, Chrudoš Valoušek (ill.)

De torens van Beiroet

Paul Verrept

De waarheid volgens Mason Buttle

Leslie Connor

Het mysterie van niks en oneindig veel snot

Jan Paul Schutten, Floor Rieder (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri