Vanaf zes jaar

Davide Cali, Serge Bloch (ill.), Wim Opbrouck (bew.): De vijand

door Frauke Pauwels

Net zoveel mens
 
8+ - Geregeld klinkt de alarmbel: onze kinderen weten te weinig. Over de voorbije oorlogen, bijvoorbeeld. Nu de Eerste Wereldoorlog bijna honderd jaar achter ons ligt, grijpen tal van organisaties de gelegenheid aan om het thema oorlog in de kijker te zetten. Televisiereeksen, boeken en projecten moeten de Groote Oorlog in herinnering brengen. 
 
Hoewel ze niet geheel onvindbaar zijn — denk bijvoorbeeld aan De kleine soldaat van Paul Verrept — blijven oorlogsboeken voor (erg) jonge kinderen uitzonderlijk. Boeken voor die leeftijdsgroep blijven doorgaans dicht bij de eigen leefwereld en dus is oorlog een opvallend afwezig thema. Nochtans zijn er voldoende aanknopingspunten. Is menig kind niet gefascineerd door het oorlogspel? Het recent verschenen Kind van de Westhoek (De Leeswelp 2013 nr. 1, p. 16) grijpt precies dat spelelement aan en spiegelt het aan de ‘echte’ oorlog. Maar is oorlog een spel? Is het ruzie op grote schaal? Waarom moet je vechten om vrede te krijgen? En wat is vrede eigenlijk? Het prentenboek De vijand zet in op filosofie en reflectie. Dit boek barst van het wit: niet alleen letterlijk, doordat twee putten het overwegend lege blad ‘openbreken’, maar vooral figuurlijk. Elke lezing leidt tot nieuwe vragen — en nieuwe inzichten.
 
Denken
Het boek opent op de schutbladen met rijen identieke soldaten. Een van hen heeft een klavertjevier in de mond. Zal enkel hij de oorlog overleven? Want dat het oorlog is, blijkt duidelijk uit de eerste gitzwarte spread. Wat volgt, is de setting: ‘iets wat een woestijn zou kunnen zijn’, een wit blad met enkele lijnen en schijnbaar dode takken. Wie goed kijkt, ziet echter dat ze knoppen dragen. Is het herfst? Daarop volgt winter en breken twee gescheurde gaten het blad open. ‘In die putten, twee soldaten’. Op elke nieuwe dubbele bladzijde wordt de tekening aangevuld, met heen en weer gegooide wapens, van pijlen, bijlen en messen tot granaten. ‘Het zijn vijanden.’
 
Pas dan gaat het doek echt op en krijgen we het titelblad met colofon. De rode spread krijgt de vorm van een theatergordijn, maar de vaartlijnen rond de soldaat kunnen ook een daveren voorstellen, van bombardementen of eenvoudigweg van angst.
 
Vanaf dan neemt de ik-verteller de tekst over. Hij vertelt hoe traag de dag verloopt, hoe alleen hij is, hoe sterren hem laten denken — en hoe hij wil dat de oorlog stopt. Als hij op een nacht naar de put van de vijand sluipt en er familiefoto’s en een oorlogshandboek vindt dat bijna identiek is aan het zijne, groeit het besef dat de vijand net zoveel mens is als hij. Het wachten begint opnieuw, nu in de wetenschap dat ook de ander het einde van de oorlog wil. Als er eindelijk zon door de wolken breekt, bij een schaarse foto tussen de tekeningen, versnelt het tempo: de prenten over een dubbele pagina maken plaats voor drie sequenties op één blad. De soldaten komen in actie en de ik-figuur schrijft een boodschap in een fles voor de andere soldaat. ‘Hopelijk valt mijn fles in zijn put.’ 
 
Met die hoop eindigt ook het verhaal. Op de schutbladen achteraan vinden we opnieuw de rijen identieke soldaten, nu met twee lege plekken. Dat zet aan het denken, want er was toch maar één met een klavertjevier? Waar zijn ze naartoe? Zijn beiden overleden? Gedeserteerd?
 
De vijand?
De grote vraag blijft wie de vijand is. ‘Lang geleden, op de eerste dag van de oorlog, hebben ze ons een geweer en een handboek gegeven. Het handboek vertelt alles over de vijand: [...]’ Dat zijn handboek en de legerleiding liegen, ontdekt de soldaat als hij bij de ander een bijna identiek handboek vindt. Toch blijft hij die ander een vijand noemen en legt hij de bal in zijn kamp. ‘Hij zou een boodschap kunnen sturen om te zeggen dat de oorlog stopt. Ik zou die boodschap onmiddellijk aannemen, waar wacht hij nog op?’ Dat beide soldaten in wezen hetzelfde zijn, blijkt nog maar eens op de laatste prent: twee flessen met een boodschap erin hebben elkaar in de lucht gekruist, op weg naar de put van de ander. 
 
Maar als de andere soldaat niet de vijand is, wie dan wel? De goedlachse, saluerende generaal op de cover lijkt helemaal geen bedreiging te vormen. Van zijn opvallend kleine handen druppelt echter bloed. Het is, in zekere zin, de enige aanwijzing — en vingerwijzing — die Davide Cali en Serge Bloch geven, samen met die ene andere prent waarop twee generaals worden afgebeeld: ‘Als het begint te regenen, wil ik dat de oorlog stopt. Maar ik heb geen idee hoe. Anderen weten dat wel: de generaals. Maar zij zeggen niets.’ Op de illustratie lachen de generaals — bondgenoten of tegenstanders? — elkaar toe, toastend met een bloedkleurig drankje. Ook hun borst is, net als die van de man op de cover, bijna te klein voor hun rode eretekens. 
 
Van legeroversten hebben de makers van dit prentenboek kennelijk geen hoge dunk. Voor de soldaten tonen ze des te meer begrip, en het samenspel van tekst en beeld weet dat knap over te brengen. Het boek blinkt uit in soberheid: er staat geen woord of lijn te veel.

Een spatje rood
De tekeningen van Serge Bloch tonen de belevenissen van de ik-figuur — al kan het, zo blijkt gaandeweg, net zogoed de andere soldaat zijn. Een enkele keer kiest de illustrator voor een ander perspectief en schetst hij de gedachten van de ik-figuur, laat hij de lezer meekijken over zijn schouder of geeft vanuit vogelperspectief een totaalbeeld. Precies die frictie tussen de tekst van de ik-verteller en de tekening dwingt de lezer tot reflectie, tot het inzicht dat de ik-verteller inwisselbaar is. Het maakt niet uit aan welke kant je staat, de situatie is dezelfde.
 
Door de herhaling, de eenvoud en een beperkt kleurgebruik beklemtonen de illustraties de eenzaamheid en verveling in de put. Bloch zet met een kinderlijk-naïeve lijn de soldaat neer, in een spaarzaam decor. Het wit op de pagina’s overheerst en verder zie je weinig meer dan de put en de soldaat in zijn kakikleurig uniform. Dat sobere kleurgebruik is zowel mimetisch als symbolisch. Zo wordt rood spaarzaam, maar doordacht gebruikt, voor bloed, bloeddorstigheid en al wat ‘slecht’ is, zoals het oorlogshandboek.
 
De vijand streeft niet naar identificatie of medelijden. Zonder oorlog te banaliseren, ontlaadt de cartooneske tekenstijl het relaas van de soldaat, waaruit eenzaamheid en wanhoop, maar ook trots, moed en hoop klinken. ‘Soms denk ik dat de wereld niet meer bestaat,’ verzucht de ik-figuur, en op de tekening zien we een ineengedoken man met lange, witte baard en gelapt legeruniform.
 
Zo maakt dit boek je aan het lachen en het zet je aan het denken over oorlog als fenomeen. De soldaat is inwisselbaar, de oorlog universeel. Hoewel de enkele via collage ingevoegde beelden een verleden suggeren, zoals de zwart-witte familiefoto’s en de bladzijde uit het oorlogshandboek, wordt plaats of tijd nergens geconcretiseerd. Dat is een goede zet, want precies de loskoppeling van de geschiedenis en haar schijnbare duidelijkheid over goed en kwaad laat toe om het thema filosofisch te benaderen en zaken in vraag te stellen.
 
Een sterk merk
Wim Opbrouck zorgde voor de bewerking. Zijn tekst klinkt erg raak; hij heeft de stem van een rasechte verteller, iemand die naadloos in de huid van een ander kruipt. Anderzijds is ‘bewerking’ een sterke term voor een tekst die, voor zover ik kon nagaan, dicht aanleunt bij het origineel. De naam Wim Opbrouck, en zijn paginavullende foto op de achterflap lijken dan in de eerste plaats een marketingzet: de acteur is niet alleen een bekend televisiegezicht, hij treedt op het eind van dit jaar ook aan in de VRT-serie In Vlaamse velden over de Eerste Wereldoorlog en speelde eerder de bejubelde theatermarathon Ten oorlog. Een sterk ‘oorlogsmerk’, dus. Maar als dat helpt om dit prachtige boek bij een ruim publiek te brengen, waarom dan spijkers op laag water zoeken? De vijand slaagt om uiterst sober een complex thema neer te zetten. Tussen de regels is veel te lezen, en het boek leent zich dan ook tot zorgvuldig en herhaald kijken en lezen. Sterk.
 
Davide Cali, Serge Bloch (ill.), Wim Opbrouck (bew.): De vijand, Davidsfonds /Infodok Leuven, 2012, 60 p., ill. ISBN 9789059084551
 
Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2019

De grote verkilling

Geert van Istendael

Kamers antikamers

Niña Weijers

Verlaten

Jane Harper

Verwondering

Aharon Appelfeld

Winterlaken

Micha Andriessen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2019

Adres onbekend

Susin Nielsen

Mag je haaien aaien?

Katrijn De wit, Inge Rylant (ill.), Laura Bergans (design)

Niet te stoppen

Angie Thomas

Ploef

Espen Dekko, Mari Kanstad Johnsen (ill.)

Zo slapen dieren

Jiří Dvořák, Marie Štumpfová (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri