Vanaf twaalf jaar

JEUGDBOEKEN NR. 3, MAART 2019

Barry Jonsberg: Een lied dat alleen ik kan horen

door Jen de Groeve

12+ - ‘Mam,’ zei ik. ‘Als jij naar papa kijkt, worden je pupillen dan groot? Moet je blozen en fladderen er vlinders in je buik?’ Het is een vraag van de dertienjarige Rob C. Fitzgerald aan zijn moeder. Hij bestudeert namelijk het mysterie van de liefde omdat hij verliefd is op Destry Chamberwick (Opa Pop: ‘Dat is geen naam. Dat is een rockband uit de jaren tachtig.’) Opa meent dat Rob het beste indruk op Destry kan maken met zijn ‘sportieve capaciteiten’ – die weliswaar onbestaande zijn, maar om een meisje voor je te winnen, doe je nu eenmaal alles. Dus gaat Rob keeperen bij het schoolteam voor de jaarlijkse voetbalwedstrijd tegen de ploeg van St.-Martin, die vorig jaar won met 14-0. Voor het geval hij tijdens de wedstrijd hersenletsel zou oplopen, schrijft hij voor de wedstrijd nog een liefdesgedicht voor Destry. Moeilijk wel, er rijmt weinig moois op ‘Destry’.
 
Robs beste vriend, Andrew, geeft hem de tip die maakt dat Rob niet compleet afgaat op het veld: hij moet denken dat elke bal die zijn richting uit komt, Destry recht in het gezicht zal raken. En of dat helpt, St.-Martins is weliswaar onklopbaar, maar verliezen met maar 4-0 voelt eigenlijk als een overwinning. Alleen spijtig dat Destry niet naar de wedstrijd kwam kijken. Maar niet getreurd denkt Rob, er zijn mogelijkheden zat om haar aandacht te trekken, ook al moet hij zich daarvoor laten vastketenen aan het hek van de schoolkantine.
 
Een week na de wedstrijd krijgt Rob een eerste anoniem berichtje op zijn telefoon, waarin hij manier gestimuleerd wordt zijn verlegenheid te overwinnen en zijn gevoel van eigenwaarde op te krikken. Hij krijgt daartoe – een beetje al te belerend toch -- een aantal opdrachten. De eerste kan al meteen tellen: meedoen aan een talentenjacht.  
 
Een mooie tweede verhaallijn is die van Robs opa. Opa Pop – ‘een verzameling rimpels in een omhulsel van grijsheid’ -- is even wennen. Zijn gevoel voor humor is erop gericht te choqueren, Pop houdt ervan een gokje te doen op wie van zijn medebewoners in het bejaardentehuis als volgende zal sterven en Rob heeft er een hele job aan om de grote hoeveelheden krachttermen die hij gebruikt, weg te bliepen als hij over opa vertelt. Pop zit vol sarcasme en misantropie. Gaandeweg kom je samen met Rob te weten hoe het komt dat hij nooit over vroeger praat en over oma, die Rob zelfs niet heeft gekend.  
 
Barry Jonsberg zet een aantal aantrekkelijke, goed inleefbare personages neer. Rob is een bijzonder innemend kind; zijn onzekerheid en de bravoure waarmee hij dan toch aan zijn zelfbeeld tracht te werken, zijn tragikomisch maar overtuigend. Het is een lichtheid die Robs problemen niet verdoezelt, maar verteerbaar maakt. Rob zet zichzelf op de kaart, slaagt met veel gestuntel en ondanks zichzelf in alles wat hij opzet. De humor en het relativeringsvermogen doen je over een aantal passages heen lezen die wellicht toch wat te romanesk zijn – en waarvoor aan het einde trouwens een redelijke verklaring wordt gegeven. Zoals de figuur van juf Pritchett, een soort superjuf die altijd tijdig opduikt op het moment dat Rob het tegen Daniel, een irritante mannetjesputter, dreigt af te leggen -- ‘Knokken, Fitzgerald?’ ‘Huh? Tong verloren? Knokken? Kom op. Wees een kerel…’  
 
Zo zitten er een paar elementen in die misschien een lampje zouden moeten doen branden, maar je laat je nu eenmaal meeslepen in het uitstekend vertelde verhaal. Het einde is al in zicht wanneer plots de thematiek wordt aangescherpt. Er wordt ineens onthuld dat onder Robs verlegenheid en onzekerheid een identiteits- en genderprobleem schuilt, en het hele verhaal blijkt te zijn geschreven in een therapeutisch traject. Dat brengt helaas mee dat de natuurlijke flow die het boek tot hiertoe kenmerkte, verloren raakt, want nu moet er een en ander in alle ernst worden uitgelegd. De hoeveelheid melig moraliserende lijnen neemt toe en de therapeutische bespiegelingen zijn niet van de lucht.  
 
Was het de bedoeling om duidelijk te maken dat achter heel veel lichtheid een leven met onvermoede problemen schuil kan gaan? Dat humor een therapeutisch middel is om problemen van zich af te schrijven? Hoe dan ook is het slot stilistisch een afknapper. Inhoudelijk vind ik het ook weinig overtuigend om een thema, dat bovendien serieuze aandacht verdient, met een kunstgreep op de valreep nog de roman binnen te smokkelen.
 
Barry Jonsberg: Een lied dat alleen ik kan horen, Lemniscaat, Rotterdam 2018, 265 p. ISBN 9789047710776. Vertaling van A song only I can hear door Annelies Jorna. Distributie De Eenhoorn 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2019

De grote verkilling

Geert van Istendael

Kamers antikamers

Niña Weijers

Verlaten

Jane Harper

Verwondering

Aharon Appelfeld

Winterlaken

Micha Andriessen

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2019

Adres onbekend

Susin Nielsen

Mag je haaien aaien?

Katrijn De wit, Inge Rylant (ill.), Laura Bergans (design)

Niet te stoppen

Angie Thomas

Ploef

Espen Dekko, Mari Kanstad Johnsen (ill.)

Zo slapen dieren

Jiří Dvořák, Marie Štumpfová (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri