Beschouwingen

Mensen zijn verhalen: * Over het werk van Peter van Gestel

door Mirjam Noorduijn

Hij heeft geen eigen website, hij heeft geen weblog en hij heeft vast en zeker een bescheiden hekel aan het fenomeen twitteren: Peter van Gestel (°1937) is typisch zo’n auteur die niet zal voordringen, die niet luidkeels vanaf de bühne zijn mening zal verkondigen, die niet snel in het middelpunt van de belangstelling zal staan en die zich ook niet zal opwerpen als pleitbezorger van het zogenaamde betere kinderboek. Hij doet wat hij doet. Hij aanschouwt de wereld. Hij bevraagt de wereld. Hij becommentarieert de wereld. Hij schrijft verhalen over mensen. Verhalen waarvan hij vindt dat hij ze moet schrijven, zonder dat hij vooraf een bepaalde doelgroep in zijn hoofd heeft. Dat die verhalen door hun vorm in de kast met de kinderboeken terecht zijn gekomen — zo zij het. En dat hij daarom, nadat hij in 2006 is gelauwerd met de Theo Thijssen-prijs, nu genomineerd is voor de Hans Christian Andersen Award, de belangrijkste internationale onderscheiding voor jeugdboekenauteurs en ook wel de kleine Nobelprijs genoemd — zo zij het. Sinds zijn kinderboekendebuut Schuilen onder je schooltas (1979), dat gedeeltelijk al eerder was gepubliceerd in de kinderbijlage van het weekblad Vrij Nederland, opereert Van Gestel enigszins in de marge van de wereld der jeugdliteratuur en dat bevalt hem ogenschijnlijk prima.
 
Daarmee is Van Gestel ontegenzeggelijk verwant aan veel van zijn boekpersonages: geen echte buitenstaanders, maar wel een beetje ‘allenige’, besluiteloze maar licht opstandige tieners, die vanaf de zijlijn het menselijk gekrioel met een relativerende onbevangenheid gadeslaan en met licht ironische ondertoon becommentariëren, onder het motto: ‘de wereld is een groot complot’ (uit Winterijs, 2001) en ‘de mensheid is een klucht’ (uit Mariken, 1997). Ze zijn bijzonder en gewoon tegelijkertijd. Zoals Joost, uit Joost of de domme avonturen van een slim jongetje (1981), die uitzonderlijk begaafd is, maar een enorme stuntelaar blijkt als hij meisjes probeert te versieren. Zoals ook de lichtelijk onnozele veertienjarige Ko Kruier, die voortdurend in alle hevigheid verliefd is en door zijn wiskundeleraar zo geweldig treffend wordt gekenschetst als ‘een eigenaardig exemplaar van de menselijke soort’ die altijd verbaasd kijkt, te veel in omwegen denkt, maar er toch ‘zo bedrieglijk gewoon uitziet’.
 
Met Uit het leven van Ko Kruier (1984) en Ko Kruier en zijn stadsgenoten (1985), boeken die eerder al in afleveringen waren verschenen in ‘Goochem’, de jeugdpagina van dagblad Het Parool, en waarvan de titels onmiskenbare knipogen zijn naar de klassieke ‘Dik Trom’-boeken van C. Joh. Kievit (Uit het leven van Dik Trom en Dik Trom en zijn dorpsgenoten), zette Van Gestel zich in de picture: hij ontving een Zilveren Griffel voor zijn eerste ‘Ko Kruier’-boek en de Nienke van Hichtumprijs voor zijn tweede. Zijn luchtige, beschouwende stijl werd vergeleken met die van Simon Carmiggelt. Zijn scherpe, levendige en bondige dialogen — vermoedelijk voortgekomen uit Van Gestels dramaturgische opleiding en werk als script– en scenarioschrijver voor radio en televisie — werden alom geprezen. En, in navolging van een ter ere van de Nienke van Hichtumprijs geschreven essay uit 1987 van Joke Linders, werden (en worden) zijn literaire helden in een adem genoemd met die bekende (andere) ‘aardige jongetjes’: Thijssens Kees de Jongen en Multatuli’s Woutertje Pieterse, zo aangenaam dromerig, fantasierijk en dwars tegelijkertijd.
 
Duidelijk zichtbaar is de rechte lijn die van Joost en Ko naar onder andere Soe uit Boze Soe (1990) loopt, door oud NRC-recensente Bregje Boonstra indertijd kernachtig omschreven als ‘een van agressie en emotie overborrelende ketel, een sissende snelkookpan, waar elk moment de zekering uit kan springen’, naar Bo uit Lieve Claire (1994) en naar de recentere meisjeskarakters Sip (dertien jaar) alias Sibille, en Nikki (elf jaar) uit respectievelijk Die dag aan zee (2003) en Nikki (2005). Allemaal ‘verdwalen’ ze op hun eigen manier in het leven. En allemaal ontdekken ze samen met Van Gestels enige middeleeuwse protagonist Mariken dat ‘de wereld dieper is dan ze ooit had gedacht’.
 
Hoe ongelofelijk schrijnend en tragisch Sips verhaal over haar opstandige zeventienjarige broer Cham ook is en hoe geweldig knap ook Van Gestel de lezer tot op het laatst toe, door kleine in herinneringen en dialogen verstopte aanwijzingen, laat raden naar de aanleiding van Chams verdrinkingsdood in zee (was het zelfmoord of een ongeluk?), toch wijkt Sip als eigentijdse puber enigszins af van Van Gestels eerdere meisjeskarakters. Ze praat soms licht archaïsch, in een soort ouderwetse meisjesboekentaal — en dat geldt eigenlijk nog meer voor Nikki, die met haar hoogzwangere moeder in een complete, hilarische chaos belandt op de dag dat ze samen met de voor haar onbekende roodharige Sem, op wie ze stiekem ‘smoor’ wordt, auditie moet doen.
 
‘Lui die van buiten komen’, jongens die ‘mal’ doen en meisjes die nog ‘jofel’ zeggen en naar ‘de plee’ gaan, horen eigenlijk meer thuis in verhalen die zich afspelen in de jaren veertig, vijftig van de vorige eeuw. Verhalen zoals Kleine Felix, Van Gestels nieuwste boek, en natuurlijk het met verschillende soorten ‘goud’ bekroonde Winterijs (2001), dat binnen Van Gestels oeuvre door critici algemeen wordt beschouwd als zijn magnum opus en het boek waarin de ziel van de schrijver het duidelijkst voelbaar is.
 
Wanneer je eenmaal hebt kennis gemaakt met de Amsterdamse straatschooiertjes Felix Wonder (Kleine Felix) en Thomas Vrij (Winterijs), moet je wel concluderen dat Van Gestel niet alleen een absolute leeftijd, maar ook een absolute plaats van handeling heeft. Hij voelt zich ontegenzeggelijk het beste thuis in het naoorlogse Amsterdam, dat hij door de ogen van een  tienjarig jongetje op meer dan voortreffelijke wijze tot leven weet te brengen. De koude winter van 1947, de ‘kolennood’, eten dat nog op de bon was, de geheimen van de oorlog die heel geleidelijk aan werden onthuld, het gewone leven dat langzaamaan weer op gang kwam maar nog verre van gewoon was, de ontdekking van Tuschinski als ‘wegdroompaleis’, de vele weeshuismeisjes en weeshuisjongetjes en de bijbehorende thematiek van ontheemding, eenzaamheid en vriendschap: dat alles verweeft Van Gestel geweldig knap in beide verhalen.
 
Van de twee jongens is Felix de onafhankelijkste en dwarste, Thomas de dromerigste. Beiden kennen Amsterdam — zoals Van Gestel, die een rasechte Amsterdammer is — op hun duimpje. Beiden manifesteren zich beurtelings naïef en betweterig. Beiden hebben voortdurend ingewikkelde haat-liefdeverhoudingen met de meisjes uit hun directe omgeving (een typisch Van Gestelgegeven). Beiden verstoppen hun verdriet en accepteren met een stille, inwendige snik dat hun ouders ze noodgedwongen tijdelijk verlaten. Je zou kunnen zeggen dat de jongens verre achterneven van elkaar zijn.
 
Maar ‘de halve wees’ Thomas is en blijft degene die het meest ontroert. Vaak wordt dit toegeschreven aan het feit dat Winterijs Van Gestels meest autobiografische roman tot nu toe is — volgens zijn eigen zeggen ontstaan ‘in een oud hoofd vol herinneringen van iemand van boven de zestig’ —, maar goed beschouwd heeft de ontroering die Thomas teweegbrengt veeleer te maken met de dieptragische geschiedenis van de in de Tweede Wereldoorlog omgekomen Amsterdamse Joden, waaraan het verhaal refereert en het menselijk onvermogen om een onbeschrijfelijk groot leed werkelijk te benoemen, te begrijpen en met elkaar te delen. Van Gestel is bij uitstek het type auteur van weinig woorden. Hij duidt niet, benoemt niet en oordeelt nergens. Hij laat de taal zijn verhaal vertellen. Het grote drama van De Tweede Wereldoorlog verstopt hij subtiel onder woorden, wat geheel past bij de naoorlogse periode, waarin zwijgen over de recente oorlogsverschrikkingen de norm was. Want, merkt Thomas terecht op, ‘wanneer je iets niet begrijpt kun je vragen hoe het precies zit, maar als je een heleboel niet begrijpt, vraag je niks omdat je bij god niet weet waar je moet beginnen’. Winterijs is zo’n boek waarin vorm en inhoud naadloos op elkaar aansluiten en in elkaar overgaan. Als lezer moet je het dus doen met terloopse opmerkingen en gedachtespinsels van de hoofdpersonen, met het opmerken van kleine details tussen de regels en met de vaak geestige dialogen die in de loop van de jaren Van Gestels handelsmerk zijn geworden. 
 
Thomas’ verdriet over zijn moeder, die door ‘een griep’ kort na de oorlog is overleden, is slechts af en toe voelbaar. Als hem wordt gevraagd of hij zijn moeder mist, antwoordt hij dat hij niet precies weet wat missen is. Typerend is ook een licht cynische opmerking van Thomas als ‘ik had alleen een dode moeder — dat was niet veel, maar ik had er toch mijn handen vol aan’, die volgt op het ontluisterende verhaal van zijn Joodse schoolvriendje Zwaan en diens nichtje Bet over het droevige lot van hun ouders (de onwetende Thomas hoort een en ander pas halverwege het boek). Verder spreken ook de vragen en terzijdes van Zwaan boekdelen. ‘Ik houd niet van stations’, vertelt hij Thomas op een gegeven moment, zonder uit te leggen waarom niet. En: ‘ik ben altijd een Amsterdammer geweest, nu ben ik een jood, daar heb ik nooit bij stilgestaan’. Maar ook Bet munt uit in het zeggen van alles en niets tegelijkertijd. Wanneer Thomas een foto van Zwaans moeder onder ogen krijgt, merkt ze veelbetekenend op dat je ‘ze’ nergens meer in de stad ziet en dat ‘in hun huizen andere mensen wonen’ en ‘ze’ geen eens een graf hebben. En nergens is de absurde wreedheid van de Holocaust beter voelbaar dan in het wrange, ontnuchterende antwoord dat Zwaan geeft op Thomas’ vraag waarom de Duitsers zijn vader hadden weggehaald: ‘omdat ze hem een gevaarlijke communist vonden en een ongevaarlijk jood’.
 
Dat de vriendschapsband tussen de drie kinderen niet kan duren, ligt al opgesloten in het begin van Winterijs wanneer Thomas, na een zomers verblijf met zijn vader in Apeldoorn, tussen de stapels post een brief van Zwaan vindt waaruit blijkt dat hij naar zijn oom Aaron in New York is vertrokken. Pas aan het einde van Thomas’ verhaal — ‘het verhaal van Zwaan en mij en Bet en mij en van de kou en het winterijs in Amsterdam en van de dooi die aan alles een einde maakte’ — wordt de inhoud van Zwaans brief prijsgegeven en wordt pijnlijk duidelijk hoe diep eenzaam Zwaan zich in Amsterdam voelde. Echte herinneringen had hij niet meer. Hij had alleen foto’s en verhalen van en over zijn ouders, ooms, tantes, neefjes en nichtjes. ‘Maar verhalen van een ander zijn geen herinneringen’, schrijft Zwaan aan Thomas. ‘In New York ben ik ver weg van de mensen van wie ik houd, maar ook ver van de mensen die allemaal dood zijn en die je nooit meer iets kunt vragen’. Dan weet je met Zwaan en Thomas en Bet hoe het voelt als voorbije tijd binnenin je zit en je levenslust bevriest. Van Gestel slaagt erin door te dringen tot in het diepste van de ziel, niet alleen die van zijn personages, maar ook die van de lezer.
 
Het vertellen van verhalen blijkt voor Van Gestel een noodzaak om die ziel — zowel die van volwassenen als kinderen — enigszins te kunnen doorgronden. Het belang daarvan en wat de ziel mogelijkerwijs is, probeert hij lovenswaardig — op zijn bekende, eigenzinnige wijze — te duiden in het veelvuldig bekroonde en verfilmde Mariken, dat de fictieve wordingsgeschiedenis van het middeleeuwse mirakelspel Mariken van Nieumeghen vertelt. Vermoedelijk daarom beschouwt Van Gestel dit boek als zijn beste — het is ook het boek waarvan hij hoopt dat het de tijd zal trotseren.
 
Mariken lijkt af te wijken van Van Gestels andere werk. De grote stad (Amsterdam) als plaats van handeling is verdwenen en de eenentwintigste en twintigste eeuw zijn vervangen door een tijd die de middeleeuwen suggereert. Maar schijn bedriegt: de verweesde Mariken kan probleemloos meelopen in de omvangrijke stoet typische Van Gestelpersonages. Ze is slim, leergierig, levenslustig, onbevangen en onbevreesd. Doordat zij ver van de bewoonde wereld in het Waanwoud is opgevoed door de wijze kluizenaar Archibald en zijn boek ‘De mensheid is een klucht’, is zij de ultieme personificatie van ‘het onschuldige kind’. Wanneer Mariken de wereld buiten het woud betreedt om een nieuwe geit voor Archibald te kopen en te ontdekken wat het leven nog verder te bieden heeft, beleeft ze het ene na het andere avontuur en valt ze — zoals het jonge poesje Stientje uit Van Gestels geestige poezen- en hondenverhaal Rommelkatje — van de ene oprechte verbazing in de andere. De haar omringende volwassen mensen herkennen haar onschuld, zoals ze de onschuld van dieren herkennen en tonen zich bereid het meisje in de wereld vooruit te duwen.
 
Mariken aanschouwt de wereld. Ze bevraagt de wereld. Ze becommentarieert de wereld. Zoals haar schepper. ‘Gisteren wist ik alles van de mensheid’, zegt Mariken, ‘nu niet meer’. Want, licht ze toe: ‘‘t is erg druk buiten het Waanwoud […]. Je struikelt over de mensen. De gekste dingen gebeuren. Met dukaten kun je florijnen kopen en met florijnen dukaten en voor niets krijg je niets. Gelukkig vond de Duvel mij op straat’. Ze wordt namelijk opgenomen door een groep Middeleeuwse wagenspelers die ‘Masscheroen, een afgezant van de duivel’ opvoeren. Het gegeven van het theaterspel buit Van Gestel vernuftig uit. Naar Shakespeares motto all the world’s a stage, and all the men and women merely players houdt hij zijn protagonisten, lezers en zichzelf voortdurend een spiegel voor — soms een holle, soms een bolle en soms een gewone spiegel — en laat hij ze meermalen in hun eigen ziel kijken en hun ziel ontdekken: ‘dat wat je bent en wat je voelt en denkt en waar niemand iets van weet’.
 
Ook Mariken kijkt in de spiegel. Doordat ze luistert naar verhalen, kijkt naar verhalen en doordat ze verhalen vindt in boeken en in mensen. ‘Mensen zijn verhalen’, dat is ongetwijfeld Peter van Gestel zijn levensmotto. En gelukkig voor hem en voor ons lopen er daarvan duizenden en duizenden rond. Duizenden verhalen die meer vertellen dan hoe het eraan toegaat in het eigen huis en in het eigen dorp. Buiten het Waanwoud ontdekt Mariken aldus dat ze een ziel heeft: ze voelt pijn, ze heeft verdriet en ze maakt plezier. Ze is een mens, een echt mens, een typisch Van Gestelmens: op een bescheiden, eigenzinnige manier onvergetelijk aanwezig.
 
Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 2010

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri