Beschouwingen

Guus Kuijer: Modernistische en postmodernistische kenmerken in zijn werk

door Vanessa Joosen

Modernisme en postmodernisme hebben op de hedendaagse literatuur voor volwassenen een onmiskenbare stempel gedrukt. Aan het einde van de 19de eeuw moest de realistische roman plaats ruimen voor de moderne literatuur, waar meer ruimte was voor onzekerheid en experiment en waar er met de literaire conventies wel eens een loopje genomen werd. Lange tijd werd jeugdliteratuur enkel beschouwd als een middel om voor kinderen en jongeren de maatschappij te bevestigen en verduidelijken. Daardoor waren modernistische kenmerken in dit genre bij voorbaat uitgesloten: men vond nl. dat het weinig zin had de maatschappij te deconstrueren voordat kinderen haar konden structureren. Deze opvatting vraagt om nuancering.    

Jonge lezers kunnen best met modernistische kenmerken omgaan, het betekent voor hen een boeiend avontuur om literatuur vanuit een ander standpunt te bekijken. Wanneer men de jeugdliteratuur van de 20ste eeuw aan een vergelijkend onderzoek onderwerpt, ziet men een dui­delijke toename van (post)modernistische invloeden. Een interessant voorbeeld hiervan is het werk van Guus Kuijer. Wanneer we zijn Madeliefboeken uit de jaren ’80 met zijn recentere Polleke-romans vergelijken, wordt duidelijk hoe modernistische invloeden de jeugdliteratuur kunnen verrijken.
 
Vertelstructuur
In de modernistische roman is de structuur van de vertelling er niet op afgestemd om de lezer zo goed mogelijk te begeleiden. In tegenstelling tot in de realistische roman houdt de verteller zich niet altijd aan de chronologie van het verhaal en zorgt hij ook niet voor een duidelijk gestructureerde ordening, zodat de lezer een eigen inbreng moet doen om het verhaal te kunnen begrijpen. De vertelstructuur van de Madeliefboeken is nog heel duidelijk en vraagt weinig inzicht. Het verhaal wordt verteld door de derde persoon, die alle overgangen netjes aangeeft. Bovendien is het boek extreem duidelijk gestructureerd in korte hoofdstukjes van enkele pagina’s, met telkens één tekening erbij, die goed aansluit op de inhoud van het hoofdstuk. Ideaal voor korte voorleesmomenten.
 
De verteller van Voor altijd samen, amen, Het is fijn om er te zijn en Het geluk komt als de donder is een ikper­soon: Polleke. Het verhaal wordt verteld in de tegenwoordige tijd, maar wordt voort­durend onderbroken, o.a. door flashbacks. Meestal wordt duidelijk gemaakt dat het om een terugblik gaat, op andere momenten worden de overgangen niet duidelijk door Polleke aangegeven en moet de lezer zelf inzien wanneer het verhaal een sprong in de tijd maakt. Doordat de verteller niet meer duidelijk structuur schept, wordt in het modernisme gebruikgemaakt van andere structurerende middelen, zoals leidmotieven en herhalingen. Die vind je in Voor altijd samen amen duidelijk terug. De titel bv. is een zin die Polleke op verschillende cruciale plaatsen in het boek gebruikt. Ook de gedachte dat Polleke graag heeft dat haar vader haar “mijn Polleke” noemt, komt meermaals voor.
 
Taalcrisis
Polleke heeft zoveel problemen dat ze zich vaak niet meer weet uit te drukken: “Soms ben ik opeens alle woorden kwijt. Ik zoek in mijn hoofd, maar ik vind er geen één. Het is een soort woestijn met alleen maar zaad en geen enkel plantje”. Polleke heeft hier het middel geformuleerd dat modernisten aan het begin van de 20ste eeuw als een mogelijke oplossing van de taalcrisis zagen: de vergelijking of metafoor. Bij haar grootouders vindt Polleke nog een andere manier om zich te uiten: bidden. Aanvankelijk weet Polleke niet hoe het moet, maar na een tijdje begint ze bij moeilijke situaties zelf in gebedjes te spreken: “Ik dacht aan de boerderij van opa en oma […] en aan God. En plotseling waren er weer woorden. Laat Spiek alsjeblieft begrijpen wat ik ga zeggen. Amen”.  
 
Literatuur als construct
Het modernistische verhaal wordt voorgesteld als een duidelijk construct van een verteller: de lezer krijgt nooit de indruk dat het om een weergave van de realiteit gaat (wat in de realistische roman wel het geval is). Ook in dit opzicht is Voor altijd samen, amen een modern jeugdboek. Zo wordt boven elk hoofdstuk de inhoud van wat komt in enkele woorden samengevat, bv.: “Eerste hoofdstuk over dat Mimoen het met mij uitmaakt, omdat ik dichter ben”. Wat hierbij opvalt, is dat zowel de titels als het verhaal in de tegenwoordige tijd staan. Blijkbaar kiest Polleke bij het vertellen bewust voor de tegenwoordige tijd: de titels geven aan dat ze al weet wat er gebeurd is. Een andere mogelijkheid is dat Polleke de titels later toegevoegd heeft, wat opnieuw wijst op een bewust geconstrueerd verhaal. Verder wordt het verhaal een aantal keer onderbroken door gedichtjes van Polleke, die door een tekening om­kaderd in de tekst staan. De prenten zijn niet echt een verduidelijking, zoals in de Madeliefboeken, maar gebruiken eerder triviale elementen uit de tekst om daar een omkadering voor de gedichtjes uit te maken. Het boek lijkt soms een collage. Bovendien komen door enkele geïntegreerde briefjes ook de andere personages aan het woord, zodat de lezer een genuanceerder beeld van Pollekes situatie krijgt.
 
Polleke stelt zichzelf geenszins voor als een alwetende, autoritaire verteller. Ze maakt geregeld fouten, bv. in haar taalgebruik, en zegt vaak dingen waarvan de lezer voelt dat ze het niet meent. Hierdoor ontstaat een ironische afstand: de jonge lezer kent Polleke soms beter dan dat ze zichzelf kent. Er is hier duidelijk een evolutie in de modernistische richting ten opzichte van de Madeliefboeken merkbaar. Daarin is veel minder sprake van de collagestructuur van Voor altijd samen, amen. In Grote mensen, daar kan je beter soep van koken wordt het verhaal op geen enkel moment onderbroken door gedichtjes of tekeningen. De tekeningen zijn niet geïntegreerd in de tekst en dienen vooral ter verduidelijking. Verder komen er brieven in voor maar die staan telkens in een apart hoofdstuk en vormen geen geheel met de rest van de tekst. De lezer heeft veel minder de indruk dat het hier om een construct van een verteller gaat.
 
Interpretatiemogelijkheden
Zoals reeds gezegd, stappen in het modernisme veel auteurs ervan af om hun lezers voortdurend over alles in te lichten. Er wordt van de lezer verwacht dat hij een eigen inbreng doet om het verhaal te begrijpen. Ook bij jeugdboeken wordt dit prin­cipe toegepast, door niet alle interpre­ta­tiemogelijkheden op voorhand in te vullen, maar door de kinderen zelf te laten zoeken wat de betekenis van bepaalde passages voor hen inhoudt. In de Madeliefboeken wordt dat principe al af en toe gebruikt, bv. wanneer Madelief met haar oppas Mieke een chique taverne bezoekt. Om de één of andere, niet genoemde reden wil de ober hen niet bedienen. De lezer voelt aan dat Mieke een volkse vrouw is en dat de ober op haar neerkijkt, maar dit wordt niet duidelijk uitgelegd, en is voor andere interpretaties vatbaar.  
 
In Voor altijd samen, amen moet de lezer nog meer meedenken om het verhaal te kunnen begrijpen: echte antwoorden ontbreken vaak of staan elders in het boek. Lezers moeten heel aandachtig zijn om de oplossing van bepaalde raadseltjes te achterhalen. Een goed voorbeeld is een vraag die Polleke zichzelf stelt, maar waar ze het antwoord niet meer op vindt: “En als jullie niet uitkijken, ga ik oeps! zomaar dood. (Wie zei er ook weer oeps !?)”. Hier kent de alerte lezer de oplossing, de vraag slaat terug op een passage van enkele pagina’s eerder. De uitspraak is volledig uit zijn context gehaald, maar het taalgebruik van Mimoens moeder blijft herkenbaar.
 
Het kindbeeld in het werk van Guus Kuijer
Het kindbeeld dat Guus Kuijer voorstelt in de Madeliefboeken, werd door hem zelf theoretisch onderbouwd in Het geminachte kind (1980). Met dit werk wil hij reageren tegen het “verlichte kindbeeld” waarin de jeugd uitsluitend gezien wordt als het stadium voor de volwassenheid, als een fase die zo snel mogelijk door opvoeding overwonnen moet worden. Kuijer pleit voor een “romantisch kindbeeld” waar­in het kind gezien wordt als een puur, onschuldig wezen met een waarde op zich, dat zich indien gewenst in een eigen wereld moet kunnen terugtrekken. Bovendien integreert Kuijer elementen van het moderne, geëmancipeerde kind. In de Ma­deliefboeken wordt geregeld kritiek geuit op het verlichte kindbeeld. Zo heeft Madelief geen zin om het ideaal van de verlichting, de rationele volwassenheid, te bereiken. De kinderen voelen zich veel beter in hun eigen wereldje want daar kunnen ze spelen en hun fantasie de vrije loop laten. Waar Kuijer zeker gelijk in heeft, en wat ook past in de romantische (en de moderne) visie op het kind, is dat het kind recht heeft op een eigen identiteit en de kindertijd niet mag gezien worden als voorfase van de volwassenheid. Dat kinderen niet altijd serieus genomen worden, blijkt duidelijk uit de Madeliefboeken. Volwassenen proberen kinderen te betuttelen, alsof ze niet in staat zouden zijn hun mening te formuleren. Misschien voelen kinderen zich daarom vaak beter op hun plaats bij de grootouders: die maken wel tijd en luisteren echt. Opvallend is dat de houding van de kinderen tegenover kleinere kinderen soms extreem negatief is. Madelief denkt vaak denigrerend over kleine kinderen: “Het is nog maar een peutertje”. Blijkbaar nemen de kinderen zelf graag de minachtende, “verlichte” houding van de ouders over, wanneer zij zichzelf superieur wanen.
 
Het geminachte kind
en de Madeliefboeken passen ook gedeeltelijk in de visie van de meeste kinderboeken in de periode van 1968 tot 1989: de “modernistische periode” van de jeugdliteratuur. Deze periode ziet de geboorte van het “geëmancipeerde kind” het kind dat niet zozeer in een geïsoleerde omgeving leeft (in tegenstelling tot het romantische kind), maar  dat weet wat in de wereld te koop is en dat graag met zijn omgeving in dialoog treedt. Tegelijkertijd wordt het moderne kind geconfronteerd met een grote onzekerheid (bv. door echtscheidingen) en door een la­wine van informatie. In combinatie met het stervend christelijk waardestelsel is dit voor veel kinderen een niet te nemen hindernis. In deze periode is nog een duidelijk generatieconflict aanwezig. Het geëmancipeerde kind is in staat kritiek te leveren op de leefstijl van de volwassenen, die niet in staat zijn in harmonie te leven met hun omgeving en die geen tijd hebben voor wat belangrijk is. Zo vindt Madelief het ver­velend dat haar moeder een drukke baan heeft en nooit tijd kan vrijmaken. Zij wijst mama geregeld op haar verantwoordelijkheden. Er is sprake van een omgekeerde ouder-kindrelatie: het zijn Polleke en Madelief die hun ouders raad geven (en soms onder druk zetten) om een andere levensstijl aan te nemen.
 
In de jaren ’90 is er in de jeugdliteratuur een tendens naar een meer postmodernistisch kindbeeld. Deze evolutie is duidelijk merkbaar in Voor altijd samen, amen en uit zich in een dedramatisering van het generatieconflict en de mogelijkheid om gelukkig te leven in een wereld vol onzekerheid. Typisch is dat kinderen beter met de onzekerheid in het postmodernisme kunnen omgaan dan hun ouders, die het ontbreken van grote waarheden als een verlies ervaren. De dedramatisering van het generatieconflict is in Voor altijd samen, amen uitgewerkt als een omgekeerd generatieconflict: het lijkt alsof Polleke haar moeder en vader een aantal burgerlijke waarden wil bijbrengen die zij zelf blijkbaar verloren hebben, zoals discretie en fatsoen of verantwoordelijkheid. Af en toe lijkt Polleke een jonge ‘Hyacinth Bucket,’ die, het koste wat het wil, probeert om de schone schijn op te houden. Typerend is de uitspraak: “Grote mensen zijn zooo kinderachtig!” Vaak blijkt dat kinderen de wereld waar ze in leven beter inschatten dan de volwassenen.  
 
Opvallend is dat Polleke met een aantal onzekerheden in de postmoderne maatschappij totaal geen problemen heeft. Een goed bewijs van haar ontspannen houding tegenover de postmoderne, gevaarlijke we­reld, is haar omgang met vreemde culturen. Polleke heeft geleerd om ongedwongen met haar Marokkaanse klasgenoten om te gaan. Zij weet dat er culturele verschillen zijn, maar maakt daar geen probleem van. Pollekes moeder en de meester bewegen zich aanzienlijk minder vanzelfsprekend in de multiculturele samenleving; zo hebben zij een hevige discussie over de vraag of een bepaald briefje van Polleke al dan niet racistisch was. Volwassenen kunnen uit vrees voor racisme geen onderscheid meer maken tussen een ruzie tussen vrienden en racistische uitlatingen.  
 
Postmodernistische en modernistische kenmerken betekenen voor jeugdliteratuur een verrijking: de boeken worden er misschien niet eenvoudiger op, maar lezers die bereid zijn de inspanning te leveren, beleven meer plezier aan hun lectuur en voelen zich meer betrokken bij het verhaalde. Op die manier wordt lezen een spannend en persoonlijk avontuur.
 
Bibliografie
Grote mensen, daar kan je beter soep van koken. Querido, 1997.
Het geminachte kind : acht stukken. De Arbeiderspers, 1980.
Met de poppen gooien. Querido, 1986.
Voor altijd samen, amen. Querido, 1999.
Het geluk komt als de donder. Querido, 2000.
 
Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri