Peuters en kleuters

JEUGDBOEKEN NR. 8, JULI 2016

Kyo Maclear, Isabelle Arsenault (ill.): Virginia Wolf

door Ine Muys

5+ - ‘Op een dag werd mijn zus Virginia wakker in een wolfse bui. Ze maakte wolfgeluiden en deed rare dingen…’, zo begint verteller Vanessa haar verhaal. In bed ligt een donkere gedaante, op de vloer een stukgeslagen wekker. Zelfs naar de tsjirpende vogels haalt Virginia uit. En het schurende geluid van een tandenborstel en de zonnige kleur van Vanessa’s lievelingsjurk maken het meisje zo mogelijk nog meer van streek. Uiteindelijk kruipt Vanessa mee in bed en ontdekt ze waar haar zus van droomt. Terwijl Virginia opnieuw indommelt, schildert Vanessa Bloesembes, een paradijselijke tuin die naar rozen en cupcakes geurt.

Met Virginia Wolf mikken Kyo Maclear en Isabelle Arsenault op een breed publiek. Ervaren lezers herkennen de tekstuele knipoog naar Virginia Woolfs turbulente leven, maar op de wolfse sprookjestraditie pikken ook jongere kinderen in. Verrassen doen auteur en illustrator echter met hun uitgebalanceerde kijk op neerslachtigheid en verscheidenheid, ook al verkenden ze in hun eerste gezamenlijke prentenboek Spork (2010) gelijkaardige thematieken.  
Nu eens beeld zonder klank, dan weer oorverdovend gehuil. In tweeëndertig pagina’s weet het auteursduo Virginia’s depressie in al haar facetten te belichten, en dat op een metaforische, maar tegelijkertijd toegankelijke wijze. Vanessa becommentarieert haar overpeinzingen in bed als volgt:

‘We waren twee stille bulten onder de kussens. […] We keken uit het raam en staarden naar de hemel. We zagen de wolken: een gevlekte zeilboot, een vliegende lama en een drijvend kasteel.’  
 
Vanessa’s ingetogen beschrijvingen en voorzichtige vragen geven niet alleen blijk van een aandoenlijke zusterliefde, maar vormen ook een mooi contrast met Virginia’s stormachtige reacties die in bijpassende handgeschreven blokletters worden weergegeven.
 
Beeldrijk is ook de spread waarop Virginia’s geschreeuw tot een neerwaartse spiraal leidt. Niet alleen het meisje zelf, maar ook haar zus en alle spullen uit de slaapkamer raken erin verzeild. Arsenault vult de hele ruimte met donkere inktsilhouetten en laat het gele confetti regenen — ook Vanessa’s zomerse jurkje blijkt aan flarden gescheurd. Het wolfse tafereel gaat met een soort aftelrijmpje gepaard, dat ook in Siska Goeminnes vertaling een krachtige uitwerking kent:  
 
‘Het hele huis zonk weg.
Boven werd onder.
Klaar werd vaag.
Fleurig werd treurig.’  
 
Een spitsvondige variatie op deze spread duikt op nadat Virginia uit haar roes ontwaakt. Niet alleen de kleurschakering, maar ook de richting is gewijzigd: pastelgeel verdrijft grijsblauw en de inktsilhouetten vliegen hemelwaarts.
 
Tegelijkertijd is Virginia Wolf een ode aan de artistieke verbeelding. Vanuit een romantische logica —en met oog voor een woordmopje— legt Maclear het titelpersonage de volgende woorden in de mond:  
 
‘Als ik zou vliegen, dan reisde ik naar een perfecte plek. Een plek met cupcakes en prachtige bloemen en schitterende bomen om in te klimmen en zeker geen pechvogels.’  
 
Het is op deze fantasievolle en idyllische gedachten dat Vanessa voortborduurt. Met een penseel in de aanslag tovert ze Bloesembes en een glimlach op het gezicht van haar zus tevoorschijn. De gedroomde tuin herinnert bovendien aan de levendige krijttekening uit Mary Poppins en ook aan Alices wonderland. Er huppelt zelfs een gekostumeerd konijn voorbij. Zowel Arsenaults kleurrijke collages, inclusief cupcakevulkanen en zuurstokbloemen, als Maclears poëtische toelichting bij Vanessa’s werkproces overtuigen om ook zelf een verfdoos boven te halen. De auteurs presenteren creatieve activiteit als een uitstekende remedie tegen baaldagen, getuige daarvan ook het to-do-lijstje ‘Enkele dingen die helpen tegen een wolfse bui’ dat aan het eigenlijke verhaal voorafgaat.
 
De volgende morgen wordt Virginia echter met de realiteit geconfronteerd: ‘De bloemen zijn slap’, ‘De bomen zien eruit als lolly’s’ en ‘Die struik lijkt op een olifant’. Net wanneer Vanessa vreest dat haar zus in een wolfse bui zal hervallen, drukt Virginia haar appreciatie uit en zegt ze haar zwarte silhouet vaarwel: ze kijkt nu met andere (lees: schaapachtige) ogen naar de wereld en haar puntige oren hebben de vorm van een enorme blauwe strik aangenomen. De artistieke ervaring fungeert zelfs als een opstapje naar de buitenwereld: ‘Kom, we gaan buiten spelen.’ Die werkelijkheid vertoont echter opvallend veel overeenkomsten met Vanessa’s schilderachtige landschap. Snoepjesbloesems tref je er niet aan, en de konijnen rennen er kostuumloos rond, maar even groen, fleurig en vredelievend blijkt die echte wereld wel. Blootsvoets en met een blos op de wangen huppelen de zussen de zon en hun toekomst tegemoet.  
 
Deze net iets te idyllische eindnoot doet echter geen afbreuk aan Maclears en Arsenaults stilistische verfijning en veelzijdige blik op depressie. Daarenboven wordt de lezer uitgenodigd om de eigen rauwe kantjes, maar ook die van anderen mild te beoordelen. Want er schuilt toch een wolf in elk van ons?
 
Wielsbeke : De Eenhoorn 2016, 40 p. Vert. van: Virginia Wolf door Siska
Goeminne. ISBN 9789462911284 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2021

Ik ben er niet

Lize Spit

Italo Svevo

Bekentenissen van Zeno

Kraai. Uit het leven en de liederen van de kraai

Ted Hughes

Tuimelingen : over leven, kust en kijken

Bernard Dewulf

Wildevrouw

Jeroen Olyslaegers

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 1, JANUARI 2021

Bethany en het beest

Jack Meggitt-Phillips, Isabelle Follath (ill.)

De klusjesman. Een internationale politieke thriller

Øyvind Torseter

De wind en wij

Claudia Jong, Kristof Devos (ill)

Het jungleboek

Rudyard Kipling, Daan Remmerts de Vries (bew.), Mark Janssen (ill.)

Wat is kunst? Begin een eiland…

Ted van Lieshout

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri