Peuters en kleuters

JEUGDBOEKEN NR. 11, DECEMBER 2018

Simon Puttock, Daniel Egnéus (ill.): Het Ding

door An-Sofie Bessemans

3+ - Op een dag verwonderen vier voorbijgangers zich over een Ding dat plots zomaar uit de lucht gevallen lijkt. Het beweegt niet, maakt geen geluid. Het is een veelkleurig Mickey Mouse-hoofd-achtig iets wat de vier niet kennen en wat voor hen een geheimzinnige schoonheid in zich draagt. Spontaan verenigd maar elk op hun eigen manier zoeken de vier contact met het Ding: de een roept spontaan hallo, de ander zegt ‘niet bang zijn, we komen met goede bedoelingen’. Nog een ander zegt ‘Hoezo? Dat Ding is toch naar óns gekomen?’ Vanuit een interesse voor het Ding besluiten ze een hut te bouwen. Zo kunnen ze het ‘gezelschap houden’. Maar stilaan raakt de aanwezigheid van het Ding ruimer bekend en komt er een stroom volk op gang om ernaar te kijken.
 
Het Ding is een boek dat mij onzeker achterlaat om verschillende redenen. De uitgeverij tracht dit boek te vermarkten als ‘een geestig prentenboek dat over veel dingen gaat, maar misschien nog wel het meest over vriendschap’. Eerlijk? Je moet al je best doen om hier een verhaal in te zien dat (nog wel het meest!) over vriendschap zou gaan. Geestig is het volgens mij allesbehalve.  
 
Het Ding focust namelijk, zoals de titel al zegt, en dit is echt niet onbelangrijk, op het Ding. Dat spreekt uit de tekst en komt ook in de tekeningen erg naar voren. De schutbladen al geven vrolijke foto’s weer van omstaanders met het Ding, de illustraties tonen het vanuit allerlei perspectieven. Dat Ding is echter een statisch iets waar vier voorbijgangers zich over verwonderen. Het trekt een stroom bezoekers op gang en dat maakt dat je je als lezer ook gaat verwonderen - massahysterie.  
 
Maar van het Ding zelf, besef je achteraf, gaat eigenlijk weinig uit: het verandert niet, het doet niets. Het lokt alleen reactie uit, maar waarom? Omdat onze aandacht ernaar wordt geleid (de mensenmassa, de persaandacht, maar op een metaniveau ook de plaats die het inneemt in de tekeningen van het boek). Omdat niet iedereen het kent of vertrouwt: wat doet dat ding hier? ‘Dat Ding hoort hier niet!’, ‘Het MOET WEG’, staat in de tekst. Het Ding wordt dus bedreigd en de auteurs vinden daar een makkelijke oplossing voor, een die misschien te makkelijk is.
 
De echte inhoud en echte dreiging van dit boek spelen volgens mij echter op een ander niveau. Want terwijl al de aandacht van de personages en de lezer voor het Ding is weggelegd, en het Ding (oppervlakkig, vluchtig, weinig verankerd) voor- en tegenstanders oproept, wordt iets anders bedreigd: de omgeving van het Ding en de aandacht daarvoor van zowel de personages als de lezer. De tekst spreekt van hotdogkraampjes, plastic souvenirs, limonadestalletjes, camera’s die zorgen dat iedereen het Ding kan zien. Er is met andere woorden ontzettend veel aandacht voor het Ding zelf, en ontzettend weinig voor alles wat die aandacht met zich meebrengt. De tekeningen laten een bijna zoete kermis zien, een lieflijk lekkerland met draaimolens die zitjes hebben in de vorm van het Ding.  
 
Wat je niet ziet, en daarvan kun je je afvragen of de auteur en de illustrator dat bewust zo bedoeld hebben, is het vuil rond het Ding, het verkeer naar het Ding. Een kind stelt zich uit zichzelf vast ook geen vragen bij de mogelijke impact van die zogenaamd leuke plastic souvenirs en hamburgertentjes. Je gaat je pas na meerdere lezingen vragen stellen. Als je voorbij het Ding kijkt, lijkt het landschap immers wel veranderd. Het valt aanvankelijk misschien niet zo op, maar bergen en groen ruimen plaats voor het pretpark en uiteindelijk wordt het een woestijn waaruit iedereen wegtrekt. En wat te denken van de parapluutjes en de regen in de beelden?
 
Je kunt vermoeden dat Puttock en Egnéus hiermee een maatschappelijk debat op kindermaat wil aanmoedigen, bijvoorbeeld over de zorg voor de natuur, de impact van toerisme: hoe ga je om met de natuur, de openbare ruimte en de fenomenen die zich erbinnen aandienen? Wie draagt er verantwoordelijkheid voor? Kan het worden geclaimd? Moet het worden beschermd, onderzocht? Mag het worden geëxploiteerd? En: wordt de aandacht van de personages en van de lezer bewust weggeleid van werkelijke problemen?

Voor mij suggereert de prikkelende, niet eenduidige combinatie van tekst en tekeningen, die me een heel bewuste strategie lijkt, dat dat de bedoeling was. Quand le sage désigne la lune, l'idiot regarde le doigt. Het boek lijkt me dan ook helemaal niet over vriendschap te gaan. Het eindigt zo:
 
‘Ze bleven waar ze waren tot de zon onderging. Toen werd het tijd om afscheid te nemen. Ze hadden alle vier nog belangrijke dingen te doen. Ze gaven elkaar een knuffel en zeiden lachend: ‘Tot later, we zien elkaar snel!’ Toen gingen ze ieder hun eigen weg.’
 
Simon Puttock, Daniel Egnéus: Het Ding, Luitingh-Sijthoff, Amsterdam 2018, 36 p. : ill. ISBN 9789024579471. Vertaling van The Thing door Bette Westera. Distributie VBK België 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2020

De hemel boven Lima

Juan Gómez Bárcena

Fantastische nacht en andere verhalen

Stefan Zweig

Houthakken

Thomas Bernhard

Toch. Nagelaten werk

Armando

Waagstukken

Charlotte Van den Broek

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 1, JANUARI 2020

ABZzz... Een slaapverwekkend alfabet

Isabel Minhós Martins, Yara Kono (ill.)

Aladdin

Sjoerd Kuyper (bew.), Sylvia Weve e.a. (ill.)

Het vuur in mij

Erin Stewart

Meisjes en kunst. De 50 meest vernieuwende vrouwelijke kunstenaars wereldwijd

Rachel Ignotofsky

Niemand ziet het

Dolf Verroen, Charlotte Dematons (ill.)

naar overzicht


‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri