Vanaf negen jaar

JEUGDBOEKEN NR. 10, NOVEMBER 2019

Toon Tellegen, Carll Cneut (ill.): De vuurzeevlieg en andere dierenverhalen

door Jen de Groeve

9+ - De belangrijkste illustrator van Toon Tellegens dierenverhalen is Mance Post. Zij was zijn compagnon de route van het eerste uur en illustreerde meer dan vijftien bundels. Maar Tellegens mysterieuze dierenwereld draagt ook de signatuur van Geerten Ten Bosch, Jan Jutte, Annemarie van Haeringen, Kitty Crowther, Ingrid Godon, Sylvia Weve, om maar de bekendste te noemen.
 
Naar de samenwerking van Toon Tellegen met Carll Cneut in deze nieuwe bundel is lang uitgekeken. Iedere illustrator zoekt immers in zijn persoonlijke stijl en visie op illustratie een eenheid te vormen met Tellegens verhalen. Mance Post diepte telkens weer het mysterie verder uit met de zachte sfeer van verwondering en bevreemding die ze in haar illustraties legde, terwijl Kitty Crowther bijvoorbeeld liefst dicht bij de concrete gebeurtenissen bleef en Sylvia Weve de verhalen in haar illustraties inbedde en voor een spetterende dynamiek zorgt.
 
Carll Cneut is de maker van prentenboeken die niet uitgelezen zijn als je de laatste bladzijde hebt omgeslagen, die de verbeelding van de lezer voortdurend prikkelt met prenten die ondoorzichtig en onaf zijn, die gestadig werkt aan technieken om te suggereren dat er meer is dan een prent op het eerste gezicht biedt. Zijn beeldtaal harmonieert voortreffelijk met Tellegens dierenverhalen vol wonder en herkenning.
 
Het titelverhaal gaat over een vuurvliegje, dat dat eeuwige ‘je’ aan het eind van zijn naam hartgrondig beu is. ‘Groots en ontzagwekkend’ wil hij zijn, ‘onstuimig, onrustbarend, overdonderend, tomeloos en nog veel meer.’ En dus schrijft hij een brief: ‘Geachte dieren, / Ik heet voortaan anders. / Ik bén voortaan ook anders. […]’ en tekent met ‘De vuurzeevlieg’. Om zich even later af te vragen waarom hij toch zo onberaden is geweest. Sprankelend nieuw is dit verhaal en toch ook zo herkenbaar, want Tellegens dieren branden wel vaker van onvervulbare verlangens, om dan ten slotte, enigszins vertwijfeld, te berusten.
 
Dat ook een beestje met -je achter zijn naam opzienbarend kan zijn, zie je in de paginagrote prent waarop het vuurvliegje vanuit zijn raam het nachtdonkere bos helder laat oplichten. Ze mochten willen dat ze het konden, de neushoorn en de olifant en al die andere giganten die hij hun omvang benijdde.
 
Berusten doet ook de olifant, die wou dat hij de zon was, om hoog boven de hoogste boomtoppen uit te kunnen klimmen. Na enig diep denken, komt hij echter tot de slotsom dat het geluk van de zon, misschien net diens ongeluk is, en dat hij, de olifant, geluk heeft dat hij zoveel geluk niet kan bereiken. En dus berust hij erin niet hoger te komen dan de boomtop, waar hij dan – het is nu eenmaal zijn lot -- weer uit tuimelt. Ook het wrattenzwijn legt zich na veel woede en verdriet neer bij het feit dat hij een wrattenzwijn is en dus ook zo heet, en het stekelvarken bij het feit dat hij zijn goede voornemens toch niet kan houden.
 
Er zit veel mislukking, onmacht en boosheid in deze verhalen, maar de soms uitgelaten absurditeit en dwaasheid vormen een heilzaam tegenwicht. Carll Cneut heeft die dubbelheid van somberte en lichtvoetigheid bijzonder goed opgenomen in zijn prenten. Hij schildert het bos vaak in warrige, ondoorzichtige prenten, waar je maar blijft naar turen omdat je denkt iets dat net niet zichtbaar is toch te kunnen ontwaren. De troebelheid van de prent houdt immers altijd ook de belofte in van licht en kleur. Het coverbeeld is daar een mooi voorbeeld van: het felle roze van de titel en de achterkant schijnen als het ware door een duistere sluier heen en doen het donkere bos feeëriek oplichten.
 
Cneut laat het wonderlijke van Tellegens dierenbos op die manier erg goed tot zijn recht komen. De aangeklede dierenfiguurtjes hebben de vertrouwde signatuur van de tekenaar. Opvallendst is de aanwezigheid van het olifantje dat zo veelvuldig in Cneuts prentenboeken voorkomt. Ook als hij geen rol speelt in het verhaal, duikt hij op, met gehavende oren en bulten op zijn kop van het vele vallen uit boomtoppen. Cneut heeft een soft spot voor de olifant. Als hij in zijn vastberaden onverstand om het fysiek onmogelijke te bereiken weer eens een boom in klimt, laat Cneut hem in al zijn knullige gestuntel gewoonweg schitteren. Hij zet overigens wel meer heuglijke karakters neer, zoals de bozige pad, broedend op een paddenstoel, of de wezel, wiens aard hem niet toelaat zo gastvrij te zijn als hij zou willen: hij draagt een hemdje met een smiley erop.
 
Toon Tellegen, Carll Cneut: De vuurzeevlieg en andere dierenverhalen, Querido, Amsterdam 2019, 74 p. : ill. ISBN 9789045123776. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan



‚Äč
ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri