Beschouwingen

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2020

Speels, scherpzinnig en met heldere inzichten: Over het werk van Joukje Akveld

door Henk van Viegen




Joukje Akveld werd geboren op 12 november 1974 in Leiden en groeide op in Koudekerk aan den Rijn en Berkel en Rodenrijs. Ze studeerde Nederlands aan de Universiteit van Utrecht. Als student bleek al haar belangstelling voor de jeugdliteratuur: ze studeerde er op af, ze werkte in de Utrechtse kinderboekenwinkel en vertaalde prentenboeken. Hierna verhuisde ze naar Amsterdam. Twee en een half jaar werkte ze bij kinderkrant Kidsweek, daarna ging ze freelance verder. Akveld is zeer actief in het jeugdliteraire veld, met meer dan dertig vertalingen uit het Duits en Engels van kinderboeken (voornamelijk prentenboeken van uitgeverij De vier windstreken) en artikelen, vooral in Lezen en Literatuur zonder leeftijd. Voor Trouw, de Volkskrant en Het Parool berichtte ze over jeugdliteratuur, ook schreef ze recensies over jeugdtheater. Ze publiceerde een bundel interviews met illustratoren en drie monografieën, over Thé Tjong-Khing, Tonke Dragt (allebei samen met Annemarie Terhell) en Sieb Posthuma. In 2012 debuteerde ze als kinderboekenschrijfster. Akveld kreeg een Vlag & Wimpel voor ABC Dragt en een Zilveren Griffel voor Een aap op de wc en Wij waren hier eerst.
 
Joukje Akveld heeft na haar afstuderen het journalistieke vak geleerd en verfijnd met tal van artikelen op het gebied van (vooral) de jeugdliteratuur. De journalistieke inslag verraadt zich gemakkelijk in haar non-fictiewerk en in haar boeken over Nederlandse illustratoren. Basis is daarbij steeds het interview, gekoppeld aan gedegen onderzoek naar opleiding, voorbeelden, materialen en technieken van de beschreven illustratoren. Ze heeft een vlotte, maar zeker niet vlakke, eerder beeldrijke pen. Opvallend is haar gedrevenheid aandacht te krijgen voor (het vak van) de in haar ogen enigszins ondergewaardeerde illustratie, hoewel ze, net als (oud-)professor Illustratie Saskia de Bodt, wel aangeeft dat er de laatste jaren veel ten goede is veranderd. Haar eerste boek, Tekenaars. Kinderboekenillustratoren geportretteerd, is gewijd aan negentien Nederlandse tekenaars. Een serie kinderboeken naar haar concept, Van wie is….?, heeft onder andere als doel ook de kleinste lezers kennis te laten maken met de beste Nederlandse illustratoren. Het is haar gelukt deze met de reeks te verbinden. Ook voor haar (andere) prentenboeken wist ze gerenommeerde tekenaars te strikken.
 
Schrijven over jeugdliteratuur
In 2010 debuteerde ze als onderzoeker met het interviewboek Tekenaars: Kinderboekenillustratoren geportretteerd. Voor een deel zijn deze gesprekken voorgepubliceerd, maar dan in veel kortere vorm, vooral in het tijdschrift Lezen, dat een rubriek heeft ‘Een kijkje in het atelier van – ‘. Akveld bezocht negentien tekenaars (vaak verschillende keren), toonde hun atelier, sprak met hen over hun ontwikkeling, hun opleiding en leermeester(s) en hun voorbeelden in de beeldende kunst. Elk portret, steeds 12 pagina’s lang, start met een foto van Amber Beckers van de illustrator op zijn/haar werkplek. In het ruimhartig geïllustreerde boek werden deze gesprekken gepresenteerd op volgorde van leeftijd van de geportretteerden: de oudste (Mance Post) eerst, de jongste (Martijn van der Linden) als laatste. Uiteraard verantwoordt Akveld met enige schroom de keuze van de jongste tekenaars, immers, het is nog niet ‘bewezen’ dat zij tot de besten behoren. Wat het boek vooral zo interessant maakt, is de aandacht voor materialen en technieken in combinatie met doel, zeggingskracht en veranderende omstandigheden (zoals leeftijd). Waarom voelt de ene illustrator zich aangetrokken tot gouache (Harrie Geelen) en waardoor ging de andere (Mance Post) over op knipwerk? Moet een tekenaar herkenbaar zijn, een handelsmerk hebben?  
 
De drie monografieën die Akveld daarna publiceerde leunen eveneens sterk op interviews.  
De boeken over Thé Tjong-Khing en Sieb Posthuma zijn grofweg op dezelfde manier tot stand gekomen, zij het dat Akveld het bij Posthuma in haar eentje deed. Ze werden gemaakt naar aanleiding van een grote tentoonstelling in het Letterkundig Museum en het Kinderboekenmuseum. Dankzij de gastvrijheid van de illustrator kon er stevig doorgevraagd worden, maar kon ook ter plekke veel materiaal ingezien worden. Beide boeken starten chronologisch, met veel biografische informatie, maar worden gaandeweg thematisch. In allebei de boeken is ook gesproken met collega’s, (mede)leerlingen en theatermakers.
 
Thé Tjong-Khing: Van strip tot sprookje is een breed overzicht in biografie en thema’s van diens lange carrière als tekenaar, van wie het ‘oeuvre is gekenmerkt door een evolutie van zwart-wit naar kleur, van realisme naar fantasie en van dynamiek naar verstilling.’ De monografie toont hoe Thé vanuit de stripwereld de kinderboekenwereld ingetrokken werd, en daar, door Miep Diekman, ingezet werd voor het realistische kinderboek. Gaandeweg kreeg hij andere opdrachten.
 
Ook Sieb Posthuma: Van toen, tot hier, en nu verder toont een tekenaar die pas op een later moment in zijn carrière instapte als kinderboekenillustrator. Akveld sprak hem een jaar lang nagenoeg elke zondag, en interviewde familie, vrienden en collega’s. Het resultaat is een heel levendig portret dat, na een uitvoerig stuk over zijn jeugd- en jongvolwassenejaren en dat over zijn werk voor volwassenen, vanaf p. 63 inzoomt op dat voor kinderen. Daarna is er nog aandacht voor zijn werk voor theater (decors en kostuums), maar ook daar komen jeugdboeken aan de orde omdat twee boeken (Mannetje Jas, 2006 en Mr. Finney, 2013) leidden tot een theateruitvoering en een voorstelling tot een boek (Coppelia, 2008). Akveld doet maar heel mondjesmaat aan psychologisering. Het is aan de lezer om wat de geïnterviewden aandragen te duiden en zo Posthuma’s ingewikkelder kanten enigszins helder te krijgen. Aandacht voor materialen en technieken schenkt ze vooral in een sterk en diepgaand hoofdstuk over de twee boeken waarvoor Posthuma een Gouden Penseel kreeg: Een vijver vol inkt, 2011, bij versjes en gedichten van Annie M.G Schmidt, en Bovenin een linde zat een moddervette haan, 2008. 
 
ABC Dragt wijkt af van de twee monografieën hierboven, het is jeugdboek en monografie ineen. De auteurs goten het boek in de enigszins belegen abc-vorm, maar maakten die speels door bij voorbeeld een letter rustig drie of vier keer aan bod te laten komen. Je struint door het werk van Dragt, stuit op mysteries, én op oplossingen, hier en daar komt wat biografische informatie. Het fraai vormgegeven boek staat propvol foto’s en illustraties, voor een deel nieuwe van Dragt zelf. Zo ontwierp zij alle startpagina’s van een letter. Als introductie van het werk van Tonke Dragt is het boek waarschijnlijk niet heel geschikt, het is meer voor de kenners en de fans van haar werk. Die fans worden bediend, door de fans die Terhell en Akveld zelf zijn.
 
In 2020 verzorgde zij een uitgebreide, digitale introductie voor het Literatuurmuseum van de illustratoren van (de) versjes van Annie M.G. Schmidt: Het fluitketeltje, Het beertje Pippeloentje, ‘Dikkertje Dap’ en ‘Sebastiaan’, met een tekenaarsparade en portretten en illustraties van Wim Bijmoer, Harrie Geelen, Sieb Posthuma en Noëlle Smit.  
 
Schrijven voor kinderen
Na vertalingen van prentenboeken, boeken en artikelen óver jeugdliteratuur debuteerde Akveld als kinderboekenschrijfster in 2012 met het prentenboek Olle wist zeker dat hij geen bril nodig had. Akveld afficheert zich hierbij met laconieke teksten, die passen binnen een structuur van patronen en andere herhaling, bij voorbeeld een terugkerende vraag. In het non-fictiewerk toont ze dezelfde kracht als in het werk over jeugdliteratuur: vlot geschreven teksten, met als basis interviews en gedegen onderzoek. Op de Van wie is….?-reeks na zijn al Akvelds hoofdpersonages dieren, in de prentenboeken in mensenkleren.
 
Dat ze voor haar debuut met Sieb Posthuma mocht werken, ‘voelde alsof [ze] in één keer mocht meespelen in de eredivisie’ (Sieb Posthuma, p. 79). Olle is een variant op de min of meer bekende ode aan de fantasie. Alle kinderen en grote mensen dragen een bril en zien, kennelijk daardoor, alleen maar wat er ‘in het echt’ te zien is. De zus van Olle ziet bij voorbeeld koeien of auto’s, saai, hoor. Olle, de enige zonder bril, ziet allerlei ándere dingen, hij moet van de volwassenen zoals de juf en zijn ouders dus nodig ook aan de bril. Maar Olle gaat dat zeker weten niet doen. Akveld had een jongetje voor ogen, maar Posthuma vroeg of het ook een varkentje mocht zijn, en dat pakte erg goed uit.
 
Ook in Ga toch fietsen! (2014) was eerst sprake van mensen, een meneer en een mevrouw, maar het werden twee samenwonende mannetjesdieren. Het is een fraai zoekprentenboek, op heel groot formaat. Het gaat over ruzie hebben en het weer goed maken. Boese neemt Willems ruziekreet ‘Ach, ga toch fietsen, jij’ letterlijk, en krijgt aldus de tijd en de ruimte om hun conflict te overdenken en te relativeren. Ondertussen zien we Boese door de stad en de natuur fietsen op dubbelpagina’s die boordevol details staan, met de soms pittige, wat indirecte tekst bescheiden steeds links bovenin. Akveld brengt zowel de ruzie als de afnemende intensiteit ervan geraffineerd in kaart met van die flarden die je in zulke situaties gebruikt: ‘Jij denkt toch niet dat ik!’ naar ‘Misschien kan ik best eens een keertje…’ Tekst en beeld werken goed samen, op beide gebieden wordt de lezer ook stevig geactiveerd.  
 
De Van wie is…..?-reeks is een uitwerking van Akvelds missie illustratoren in het zonnetje zetten, en in dit geval de kleinste lezers zoveel mogelijk te laten genieten van, zoals zij dat noemt, excellente illustratoren. Ze verzon een voor dat doel geschikt concept, namelijk een minimum aan tekst: Van wie is die/dat, gevolgd door een zelfstandig naamwoord. De eerste drie deeltjes en deel vijf gaan volgens dit principe: links staat een hoofddeksel/optrek/ vervoermiddel/kledingstuk, rechts staan vier personen van wie er eentje past. Op de volgende dubbelpagina volgt het antwoord. Deel vier wijkt licht af, daar is maar één zinnetje nodig: Van wie is die staart? Het resultaat is inderdaad dat illustratoren alle ruimte hebben om uit te pakken. De boekjes hebben een behoorlijke moeilijkheidsgraad, geven nog een soort verhaaltje en/of een eenheid scheppende eindprent en slagen er voortdurend in met ingenieuze en/of humoristische oplossingen te komen. Het is niet duidelijk of Akveld meegedaan heeft aan het bedenken van een verrassend slot (zoals bij Van wie is dat huis?), een verhaaltje (zoals bij Van wie die auto?) of een tweede laag (zoals bij Van wie is die sok?) of de illustrator ook inhoudelijk de vrije hand heeft gegeven.
 
In haar tot nu toe laatste prentenboek, Meneer Hummeling zoekt een vrouw (2017), blijkt opnieuw Akvelds voorliefde voor vertellen in herhaling-met-variatie. In wederom best pittige taal gaat het van ‘Het was niet dat….’, ‘Het kwam niet doordat…’, het herhaalde ‘ging op zoek naar een vrouw’ en ‘maar vond geen vrouw’. Ook variërende zinnetjes over de neus van meneer Hummeling getuigen ervan. Het laconiek vertelde verhaal is bedrieglijk simpel: meneer Hummeling heeft merkwaardig genoeg geen vrouw, dan verschijnt er een nieuwe buurvrouw, hij krijgt haar via een omwegje. Dat omwegje wordt erg slim verteld en in beeld gebracht, met aanwijzingen die je bij eerste lezing bij lange na niet allemaal oppikt.
 
Een aap op de wc. Een dierentuin in oorlogstijd en Wij waren hier eerst, twee non-fictieboeken, allebei over de precaire relatie tussen dieren en mensen, zijn tot nu toe het meest opgevallen. Allebei kregen ze een Zilveren Griffel. Een aap op de wc beschrijft diergaarde Blijdorp in Rotterdam. De dierentuin staat niet ver voor een verhuizing vanuit het centrum naar de huidige plek als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Vele dieren leggen het loodje, op sommige en enkele overlevers wordt ingezoomd, maar ook op de verzorgers die proberen te redden wat er te redden valt.
 
Hetzelfde doet Akveld in Wij waren hier eerst. De titel slaat zowel op de Zuid-Afrikanen, in hun land speelt het verhaal, als op de dieren. Met de komst van de Europeanen begon de ellende, daarvoor kon de natuur de omgang met de mens aan. Akveld reisde een aantal maanden door het land en legde in dertien (symbolisch?) hoofdstukken de stand van zaken bij evenzovele diersoorten vast. Ze kiest daarbij voor een aantal musts als de olifant, de pinguïn en de leeuw, maar beschrijft ook, humoristisch en met liefde, enkele dieren uit de zogenoemde Ugly Five, zoals de gier en het knobbelzwijn (samengebracht in een geestige tekening van de Zuid-Afrikaan Piet Grobler). Akveld laat heel voorzichtig zien dat ze niet echt optimistisch is over de kansen van de meeste dieren, maar geeft, ook met het oog op haar publiek, de meeste aandacht aan karakter, leefgebied, uiterlijk en kánsen van de dieren. En aan de vrijwilligers, actievoerders en beroepsverzorgers die bergen werk verzetten, in hun strijd tegen handelaren, stropers en corrupte politici.  
 
Een uitvloeisel van dit boek is Mijn kleine safari (2017), gemaakt voor peuters en kleuters. Aan de hand van foto’s van dezelfde fotograaf, Justin Fox, geeft ze ze de kans op hun manier goed naar de Zuid-Afrikaanse dieren te kijken. Dit doet ze door per twee foto’s vooral te werken met tegenstellingen (dag-nacht, bontkraag-kale nek), maar ook met verschillende bewegingen en acties als kruipen-graven, klimmen-springen.
 
Er volgde nog een derde boek naar aanleiding van de reizen naar (Zuid-)Afrika, nu voor 8-plussers, die in haar ogen kennelijk nog niet bediend waren:
Wat niet in de safarigids van je ouders staat. Een sterk, humoristisch en strak geschreven overzicht van een aantal diersoorten waarbij de nadruk ligt op hun verschijning, uiterlijk en leefwereld. Je kunt al lezend op safari, en leert onderweg geluiden en tekens (als poep, voetsporen) herkennen. Het engagement is nu wat bescheidener, maar het is er nog wel, bij voorbeeld in het enigszins vileine hoofdstukje over de mens en de beschrijving van de gevolgen van de komst van de West-Europeanen naar Afrika.
 
Een aap op de wc. Een dierentuin in oorlogstijd
Het derde motto (een tekst van Roos Rebergen) van dit bijzondere boek met originele invalshoek luidt: ‘De Tweede Wereldoorlog, wie kent-em niet’. In de proloog van Een aap op de wc geeft ze aan waarom ze ook hier voor het dier kiest: ‘Er zijn de afgelopen 75 jaar bibliotheken volgeschreven over de Tweede Wereldoorlog. De meeste van die boeken gaan over mensen.’ In haar boek is de hoofdrol voor de dieren, die ‘er niets mee te maken hadden en toch werden ze erdoor getroffen’. Ze woonden namelijk in de Rotterdamse dierentuin. Over het lot van de dieren tijdens de gruwelijke meidagen van 1940 hoor je nauwelijks iets.
 
Akveld vertelt openhartig over lief en leed, met humor en met gruwelijke details, soms laconiek of terloops, soms expliciet. De dieren sterven door de bommen en de brand, maar een flink deel (vooral van de roofdieren) moest afgeschoten worden. Daarna deelt ze bijna gezellig mee hoe veel bezoekers de dierentuin in de oorlog wel niet trok.
 
Het boek, met op het omslag de chimpansee Josephine op de c van wc, is helder ingedeeld in drieën: voor, tijdens en na 10/15 mei, de dagen van de beschietingen, de bombardementen en de brand. Akveld wisselt de geschiedenis van de dierentuin (al 87 jaar oud in 1940) af met portretten van enkele dieren, fraai getekend door de Rotterdammer Martijn van der Linden. Sommige van die dieren ken je dus al een beetje voordat de bommen vallen, je betrokkenheid is daardoor groter. Het ontroerendste verhaal, in etappes verteld,  gaat over twee nagenoeg roerloze overlevers, de pantserkrokodillen Matata en Makuna, allebei meer dan 80 jaar geworden. Akveld gebruikt hun geschiedenis ook om te reflecteren op het al dan niet happy end van het boek. De laatste overlever van Blijdorp sterft, maar krijgt waarschijnlijk een naleven in het Rotterdamse Natuurhistorisch Museum. Zoals gebruikelijk heeft Akveld zich goed ingelezen (haar bronnen staan achterin), soms, heel even, hielp de verbeelding een gat in de geschiedenis op te vullen. Een deel van de tekst is weer gebaseerd op interviews, met de verzorger van de pantserkrokodillen, een kenner van Rotterdam en de dochter van de man die directeur was rond en tijdens de oorlogsjaren.
 
Waardering  
De boeken over de illustratoren zijn in het algemeen positief ontvangen, de meeste kritische noten worden gekraakt als het gaat om ABC Dragt.
 
Jen de Groeve (Mappalibri.be) is, zonder reserves, enthousiast over aanpak, research en resultaat van Tekenaars: ‘Ze evoceert hen in een beeldrijke, heldere taal met een zeer prettig leesritme. Haar teksten nodigen uit om op het spoor dat ze uitzet, verder te denken en laten toe zelf verbanden, tussen persoon en werk, leerschool en carrière, en bij gelegenheid ook tussen de illustratoren onderling.’ In Leesgoed prijst Karin Kustermans het boek om dezelfde redenen en voegt daar aan toe dat Akveld met dit boek bewijst dat er ‘op een andere [dan vooral tekstgerichte], veel diepgaandere manier over illustraties geschreven kan worden.’
 
Ook voor Thé Tjong-Khing is waardering, het is in de ogen van Brenda Froyen ‘een haarfijne analyse van zijn werk, waarin aandacht is voor compositie, kleurgebruik, beeldende motieven en professionele groei’ (Mappalibri.be). Veerle Vanden Bosch (in De Standaard) meent dat deze ‘uitstekende typering van zijn werk’ een groter formaat en een mooiere vormgeving verdiende.
 
ABC Dragt daarentegen krijgt vooral lof voor de vormgeving en het beeldmateriaal. Inhoudelijk zijn er twee, bij nagenoeg alle recensenten voorkomende bezwaren: ABC Dragt is een boek dat vooral de fans/kenners bedient. Volgens Judith Eiselin (NRC) kunnen Akveld en Terhell bovendien niet loskomen van hun eigen enthousiasme als fan. Ten tweede voldoet het werk niet als het gaat om nieuwe kennis over (het leven van) Tonke Dragt.
 
Positief, met kanttekeningen, is er gereageerd op Sieb Posthuma. Pjotr van Lenteren (de Volkskrant) ziet enige aarzeling bij Akveld door te vragen bij wat persoonlijker onderwerpen. Kyra Fastenau (Mappalibri.be) vindt het slot (een wat herhalend interview met Posthuma) het minst geslaagd. Maar verder is ze enthousiast, vooral over het hoofdstuk waarin Posthuma’s technieken en ontwikkeling echt diepgaand aan de orde komen. Beide recensenten eindigen met een algemene, waarderende quote over Akvelds bijdrage aan de jeugdliteratuur. ‘Met haar toegankelijke, doch stevig gefundeerde naslagwerken levert ze een belangrijke bijdrage aan de emancipatie van jeugdliteratuur en illustratie als volwaardige kunstvormen.’, stelt Fastenau. En Van Lenteren constateert dat ‘[ze] groeit in haar rol als kinderboekenexpert.’  
 
De kritiek op de jeugdboeken is vriendelijk (Olle, Ga toch fietsen!), positief (Meneer Hummeling, Wij waren hier eerst) en zeer positief (Van wie is…?, Een aap op de wc,).
 
Over haar debuut Olle schrijft Coosje van der Pol (Mappalibri.be): ‘Akveld en Posthuma brengen een humoristisch verhaal op een laconieke, understated manier. Een verhaal zonder apotheose, maar wel met subtiele en eigenzinnige humor.’ Harm de Jonge beschouwt dit werk van Akveld ‘als speels tussendoortje, als adempauze bij de research voor het grotere werk’ [namelijk schrijven óver jeugdliteratuur](Dagblad van het noorden).
 
Bij Ga toch fietsen! (2014) gaat de meeste aandacht naar de illustraties, maar de tekst wordt niet vergeten, de ene keer positief, de andere wat negatiever. ‘Ik vind dat [het goedmaken] meesterlijk geschreven’, vindt Herman Verschuren (op lezenenschrijven.blogspot.com).‘Deze ruzie is echt heel mooi onder woorden gebracht.’ Lieve Raymaekers oordeelt (op pluizer.be) positief over de onafgemaakte zinnetjes, maar vindt het inzakken van de woede uiteindelijk saai. Verder neemt ze het de uitgever kwalijk dat die de tekst als onbelangrijk presenteert. ‘Hoe anders te verklaren waarom deze in de linkerbovenhoek gepropt zit?’
 
Over de Van wie is….?-reeks niets dan goeds. De serie leunt uiteraard op de genialiteit van een stelletje topillustratoren, maar de recensenten vergeten Akveld niet. In de woorden van Jaap Friso: ‘Simpele ideeën zijn niet zelden de beste.[…..] Akveld bedacht het concept en snapt goed wat de jongste peuters willen lezen. Weinig tekst, veel herhaling en vragen waar ze het antwoord op weten’ (jaapleest.nl).
 
Kim Kleine (leesfeest.nl) typeert Meneer Hummeling ‘…met korte zinnen en een luchtige insteek geeft Joukje Akveld er een simpele draai aan. En dat maakt de tekst juist zo krachtig.’
 
Dan de twee non-fictieboeken. Stijl, compositie en originele invalshoek van Een aap op de wc worden in alle besprekingen uitvoerig geprezen. ‘Akveld bezigt een transparante, vrij directe stijl, zonder de lezers als zogenaamd alwetend verteller aan te spreken of een vereenvoudigde versie van de feiten te geven. Zo ontstaat een realistisch en oprecht portret van een dierentuin tijdens de oorlog, waarin Akveld ook kritisch durft te zijn’, meent Jürgen Peeters (Mappalibri.be). Jaap Friso ( jaapleest.nl) waardeert de aanvulling van het boek als oorlogsvertelling: ‘Tussen alle kinderboeken over ondergedoken kinderen en kampervaringen is dit een verrassende invalshoek die ze secuur en uitvoerig uitwerkt’. Dat je, na de haast keuvelende beginvertelling, bij de start van de oorlog ineens bij je lurven gegrepen wordt, is een extra pluspunt voor Pjotr van Lenteren en Susan Venings.
 
Wij waren hier eerst wordt vooral gewaardeerd om de vlotte stijl, de humor en de keuze de kinderen bij het lezen met van alles te confronteren, maar ze daarbij niet te ontmoedigen. Venings noemt het mede daardoor ‘uniek informatief’ (op kinderboeknpraatjes.nl). Met ‘Spannende, scherpzinnige teksten in een sprankelende taal, die baden in een sfeer van avontuur’ typeert Jen de Groeve (op Mappalibri.be) het boek. In de NRC is Thomas de Veen tevreden over de vaak ‘daverende stijl’ en een schitterend hoofdstuk als dat over de walvis. Maar dertien hoofdstukken vindt hij wat veel om de boog strak gespannen te houden. Van Lenteren (de Volkskrant) is enthousiast, vooral over de ironische ondertoon in de reisverhalen, maar constateert een teveel aan verontwaardiging: ‘Onprettig lezen de lange monologen van de activisten.’ Een originele typering van het ‘vervolgboekje’ geeft Mathilde Lemm (op pluizuit.be): ‘Met Mijn kleine safari krijgt het traditionele eerste-woordjes-boek een opfrissing.’
 
De lof voor Wat niet in de safarigids van je ouders staat (2020) was unaniem. Enige minpuntje dat aan de orde komt: inhoudsopgave en paginanummers op de lijst met dieren ontbreken. Maar ondergetekende ziet daar, op Mappalibri.be, wel de charme van: je gaat weer lekker bladeren en blijft ergens hangen.
 
Bibliografie
 
Over jeugdliteratuur
Dubbelzinnige Kinderliteratuur: verschuivingen binnen het literaire polysysteem. Utrecht/Nijmegen, Universiteit Utrecht/Katholieke Universiteit, 1998. [doctoraalscriptie, o.a. in te zien in de Koninklijke Bibliotheek]
Tekenaars: kinderboekenillustratoren geportretteerd. Met foto’s van Amber Beckers. Hoogland & Van Klaveren, 2010.
& Annemarie Terhell, Thé Tjong-Khing: van strip tot sprookje. Haarlem, Gottmer/Becht, 2011.
& Annemarie Terhell, ABC Dragt: de werelden van Tonke Dragt. Amsterdam, Leopold, 2013.
Sieb Posthuma: van toen, tot hier, en nu verder. Hoogland & Van Klaveren, 2013.
De tekenaars van de versjes van Annie M.G. Schmidt. Online tentoonstelling Literatuurmuseum Den Haag, 2020. Op: https://literatuurmuseum.nl/verhalen/annie-mg-schmidt/inleiding.
 
Jeugdboeken
Olle wist zeker dat hij geen bril nodig had. Met illustraties van Sieb Posthuma. Houten, Van Goor, 2012.  
& Annemarie Terhell (sam.), Het Gottmer Prenten (doe)boek. Vormgeving: Mirjam Wilbrink. Haarlem, Gottmer Uitgeversgroep, 2012.  
Ga toch fietsen!. Met illustraties van Philip Hopman. Amsterdam, Querido, 2014.
Van wie is die hoed?. Met illustraties van Thé Tjong-Khing. Haarlem. Gottmer, 2015.
Een aap op de wc: een dierentuin in oorlogstijd. Met illustraties van Martijn van der Linden. Hoogland & Van Klaveren, 2015.
Van wie is dat huis?. Met illustraties van Annemarie van Haeringen. Haarlem, Gottmer, 2016.
Van wie is die auto?. Met illustraties van Philip Hopman. Haarlem. Gottmer, 2017.
Wij waren hier eerst. Met illustraties van Piet Grobler. Met foto’s van Justin Fox. Haarlem, Gottmer, 2017.
Van wie is die staart?. Met illustraties van Martijn van der Linden. Haarlem, Gottmer, 2017.
Meneer Hummeling zoekt een vrouw. Met illustraties van Noëlle Smit. Hoogland & Van Klaveren, 2017.
Mijn kleine safari. Met foto’s van Justin Fox. Haarlem, Gottmer, 2017.
Van wie is die sok?. Met illustraties van Charlotte Dematons. Haarlem, Gottmer, 2018.
Wat niet in de safarigids van je ouders staat. Met foto’s van Ariadne Van Zandbergen. Haarlem, Gottmer, 2020.  
 
Over Joukje Akveld
 
Over de boeken over jeugdliteratuur
Karel Berkhout, Illustrator is geen kunstenaar. In: NRC, 6-10-2010. [Over Tekenaars]
Karen Kustermans, Wat heb je aan een boek zonder plaatjes of gesprekken? In: Leesgoed jaargang 37 (2010), nr. 6, p. 198-200. [Over Tekenaars]
Jen de Groeve, 'Ik ben illustrator, iemand die boeken verlucht'. Joukje Akveld, Amber Beckers: Tekenaars. In: De Leeswelp, jaargang 16 (2010), nr. 9, p. 355-359.
Veerle Vanden Bosch, Vloeken met Vos en Haas: Thé Tjong-Khing. Van Strip tot sprookje – Joukje Akveld en Annemarie Terhell. In: De Standaard, 28-10-2011.
Brenda Froyen, Van naturalist tot sprookjesillustrator. Joukje Akveld, Annemarie Terhell: Thé Tjong-Khing: Van strip tot sprookje. In: De Leeswelp, jaargang 18 (2012), nr. 1, p. 20-22.  
Joep van Ruiten, De werelden van Tonke Dragt. In: Dagblad van het noorden, 23-2-2013.  [interview]  
Mariëlle Oussoren-Buys, Struinen door het woud van Tonke Dragt. In: Reformatorisch Dagblad,  2-3-2013.  
Judith Eiselin, Zwijmelen bij de M van Mysterie. In: NRC, 8-2-2013. [Over ABC Dragt]
Kirstin Vanlierde. ABC Dragt. In: De Leeswelp, jaargang 19 (2013), nr. 3, p. 116.
Veerle Uyttersprot, ABC Dragt. Op www.pluizer.be, 22-1-2015.
Pjotr van Lenteren, Sieb Posthuma: van toen, tot hier, en nu verder. In: de Volkskrant,  
28-9-2013.
Peter van Brummelen, Ironisch maar niet koket. In: Het Parool, 3-10-2013. [Over Sieb Posthuma]
Marja Boonstra, Schoonheid, troost en humor. In: Leeuwarder Courant, 18-10-2013. [Interview met  Sieb Posthuma]
Kyra Fastenau, Joukje Akveld: Sieb Posthuma. Op: www.mappalibri.be, archief.  
 
Over de jeugdboeken
Jaap Friso, Zonder bril is het leven een stuk leuker. Op: www.jaapleest.nl. [Over Olle wist zeker dat hij geen bril nodig had]
Coosje van der Pol, Olle wist zeker dat hij geen bril nodig had. Op www.mappalibri.be
z.a. [Tien!], Recensent wordt schrijver. In: Leesgoed, jaargang 39 (2012), nr. 5, p. 21.
Martin Hendriksma, Olle weigert volwassen te worden. In: Het Parool, 26-9-2012. [interview met Posthuma en Akveld]
Harm de Jonge, Olle ziet de wereld door een roze bril. In: Dagblad van het noorden, 6-10-2012.
Jaap Friso, Het bliksemde tussen zijn oren. Op: www.jaapleest.nl. [Over Ga toch fietsen!]
H. [Herman Verschuren], Ga toch fietsen! Op: overlezenenschrijven.blogspot.com, 8-11-2014.
Lieve Raymaekers, Ga toch fietsen! Op: www.pluizer.be,  2-1-2015.
Jaap Friso, De dieren begrepen niets van de oorlog. Op: www.jaapleest.nl. [Over Een aap op de wc]
Pjotr van Lenteren, Dieren op drift. In: de Volkskrant, 2-5-2015. [Over Een aap op de wc]
Susan Venings, Van wie is die hoed? Op: www.kinderboekenpraatjes.nl, 4-5-2015.
Marjon Kok, Een happy end met krokodillen. In: Het Parool, 4-5-2015. [Interview n.a.v. Een aap op de wc]
Jann Ruyters, Bommen op de Diergaarde: Hoe verging het Hakouna de krokodil daarna? In: Trouw, 9-5-2015.  
Susan Venings, Een aap op de wc. Op: www.kinderboekenpraatjes.nl, 15-5-2015.  
Jürgen Peeters, Een aap op de wc. Op: www.mappalibri.be, archief 2015.
Ann Uleners, Dieren in de hoofdrol. Toch? : over Een aap op de wc van Joukje Akveld en Martijn van der Linden. In: Literatuur zonder leeftijd, jaargang 30 (2016), nr. 99, p. 242-247.  
Jaap Friso, Alles draait om de eenvoud. Op: www.jaapleest.nl. [Over Van wie is dat huis?]
Thomas de Veen, De beste nieuwe prentenboeken: die van Jeffers en Van der Linden. Op: www.nrc.nl,  23-6-2017. [Over Van wie is die staart?]
Jaap Friso, Poeder van gemalen gierenogen. Op: www.jaapleest.nl. [Over Wij waren hier eerst]
Lodewijk Dros, Wat een ondier is de mens. In: Trouw, 1-7-2017. [Over Wij waren hier eerst]
Susan Venings, Wij waren hier eerst. Op: www.kinderboekenpraatjes.nl, 13-7-2017.
Thomas de Veen, Waar dieren en mensen op elkaar botsen. In: NRC, 14-7-2017. [Over Wij waren hier eerst]
Mirjam Noorduijn, ‘Er zijn niet te veel olifanten, er zijn te veel hekken.’ In: Lezen 12 (2017), afl. 2,  p. 16-17. [interview n.a.v. Wij waren hier eerst]
Jen de Groeve, Wij waren hier eerst. Op:  www.mappalibri.be, archief 2018.
Jaap Friso, De juiste vrouw zit gewoon in de bus naar huis. Op: www.jaapleest.nl. [Over Meneer Hummeling zoekt een vrouw]  
Kim [Kleine], Een potje zonder deksel. Op: www.leesfeest.nl. [Over Meneer Hummeling zoekt een vrouw]
Susan Venings, Van wie is die sok? Op: www.kinderboekenpraatjes.nl, 6-4-2018.
Jürgen Peeters, Sprookjesfiguren zijn kledingstukken kwijt. Op: www.cuttingedge.be, 9-4-2018. [Over Van wie is die sok?]
Jan Van Coillie, Van wie is die sok? Op: www.mappalibri.be, archief 2018.
Annelies Verbist, Mijn kleine safari. Op: www.pluizer.be.
Mathilde Lemm, Mijn kleine safari. Op: www.pluizuit.be, augustus 2018.
Nikki Silvis, Op safari vanaf je eigen bank. In: Het Parool, 22-3-2020. [interview]
Pjotr van Lenteren, Echte wilde dieren zien kan nauwelijks leuker zijn. In: de Volkskrant, 17-4-2020.
Mirjam Noorduijn, Een safarigids die ook oog voor het kleine heeft. In: NRC, 24-4-2020.
Henk van Viegen, Wat niet in de safarigids van je ouders staat. Op: www.mappalibri.be, mei 2020.
Susan Venings, Wat niet in de safarigids van je ouders staat – Jouke Akveld. Op: www.kinderboekenpraatjes.nl, 11-5-2020.
Bas Maliepaard, Deze safarigids voor kinderen is geestig en informatief. In: Trouw, 24-5-2020.
 
Websites
joukjeakveld.com/over-joukje
https://literatuurmuseum.nl/verhalen/annie-mg-schmidt/inleiding [over de illustraties bij  en tekenaars van de versjes van Annie M.G. Schmidt] 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, OKTOBER 2020

De Ghanese diaspora in het werk van Yaa Gyasi

Ontworteling en identiteit

De opgang

Stefan Hertmans

Het hele leven

Bart Moeyaert, Peter Van den Ende (ill.)

Het huis met de kersenbloesem

Sun-mi Hwang

Het leven speelt met mij

David Grossman

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, OKTOBER 2020

De lijst van dingen die niet zullen veranderen

Rebecca Stead

Dier vrienden. Een boek vol beestige duo's

Coco & June

Het geheim van de tuin

Jan Paul Schutten, Joris Bijdendijk, Floor Rieder (ill.)

Over het werk van Joukje Akveld

Speels, scherpzinnig en met heldere inzichten

Stilte heeft een eigen stem

Ruta Sepetys

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri