* Japanse literatuur (2), de eenentwintigste eeuw

De vroegste Nederlandstalige Japanromans, die in het eerste deel van ‘Japan in de Nederlandse literatuur’ (De Leeswolf 2011, nr. 1) werden behandeld, hadden thematisch en narratief een aantal gemeenschappelijke kenmerken. In de 21e eeuw nemen romans met het hedendaagse Japan als setting niet alleen in aantal toe, ze wijken ook steeds vaker en verder af van dat stereotiepe patroon.
 
De Japanroman met het origineelste uitgangspunt is misschien wel Monkey business (Meulenhoff, 2003) van Jan Lauwereyns (geb. 1969). Het verhaal wordt namelijk verteld door het proefdier Haruki, een Japanse makaak. Zijn hersenpan is het experimenteerterrein van de neurowetenschapper Rorensu. De tegenstelling tussen Oost en West is daarbij slechts van secundair belang, omdat de nadruk ligt op de relatie mens-aap (de ‘vreemdheid’ van de buitenlandse apen in het laboratorium is voor hun Japanse soortgenoten evenmin erg relevant). In vergelijking met vroegere Japanromans is ook de drang tot uitleggen en verklaren minder aanwezig. Er zijn wel beschrijvingen van de toeristische trekpleister Nikko, maar die zijn hier functioneel, vanwege de tempel met de afbeelding van de drie apen Horen, Zien en Zwijgen. Haruki en de zijnen vinden de toeristen ten andere maar ‘rare Japanners’, omdat ze niet eens zien dat die apen in de tempel geen Japanse maar Chinese makaken zijn.
  
Lauwereyns (literair vooral actief als dichter) baseert zijn boek op eigen belevenissen als neurowetenschapper in Japan. Die context is dus heel specifiek. Slechts af en toe duiken flauwe clichés op, zoals wanneer Rorensu er omwille van zijn tatoeage van wordt verdacht een gangster te zijn, maar voor het overige heeft Lauwereyns een paar mooie variaties op de stereotypen bedacht. De manier waarop hij bijvoorbeeld alle westerse namen in het Japanse fonetische systeem spelt (Dekaruto, Tsjaruzu Daruin, Zora), is zo’n leuke vondst. De Juntendo Universiteit, de locatie van het verhaal, noemt hij letterlijk vertaald Universiteit van de Orde in de Hemel, wat bijdraagt tot het absurde sfeertje. De vertellende aap dankt zijn naam trouwens aan Haruki Murakami (verwijzingen, direct en indirect, naar Murakami worden zo goed als onvermijdelijk in recentere Japanromans). Van de vele Japanse auteurs die allochtoon Rorensu voor zijn autochtone collega’s opnoemt, is dat ironisch genoeg de enige die ze kennen. De buitenlander is dus veel beter op de hoogte van de plaatselijke cultuur. Als bron van inspiratie noemt Lauwereyns overigens Ik ben een kat (1906) van Natsume Soseki, coryfee van de moderne Japanse literatuur. In dat boek vertelt een kat hoe ze mensen observeert.  
 
In De stille stad (Querido, 2006), de derde roman van Threes Anna (geb. 1959), is het kader eveneens specifiek: een jonge westerse vrouw, Rosa, is in opleiding bij de Japanse chef van een visrestaurant. Dat die chef meneer Hon heet en een van zijn helpsters Sari, voorspelt niet veel goeds. Dat zijn namelijk geen Japanse namen. Het vreemde aan dit boek is dan ook dat op de omslag weliswaar staat dat het zich in Tokio afspeelt, maar dat dit in de tekst zelf nergens met zoveel woorden wordt gezegd. Tal van fenomenen (de hostessbars, de toiletten met muziek, de ochtendgymnastiek op de werkplaats, de volle treinen met tastende mannenhanden, de badhuizen, de gewelddadige manga) zijn herkenbaar Japans, maar de eigen- en plaatsnamen (Lonlon? Namino?) zijn dat allerminst. Het is ook onduidelijk in welke tijd het verhaal gesitueerd is. In ieder geval niet in de 21e eeuw: er zijn geen e-mail, mobiele telefoon, computer of gemakswinkel, en Rosa gebruikt reischeques. Anna blijkt inderdaad in de jaren tachtig Japan te hebben bezocht, maar ook toen waren daar al Engelstalige kranten en was het onmogelijk wekenlang in Tokio te verblijven zonder ook maar één andere buitenlander tegen te komen, of een Japanner die behoorlijk Engels spreekt. Zowat alle ‘Japanners’ in dit boek zijn bovendien fysiek of karakterieel afstotelijk (wat blijkt uit de bijnamen die Rosa hen geeft, zoals Kwab, Sprietje, Oester).  
 
Het lijkt dus alsof Anna zich, door het land niet bij naam te noemen, een excuus verschaft om dingen uit te vergroten, zonder dat haar feiten hoeven te kloppen. Blijkbaar had ze dat nodig om te verantwoorden dat haar hoofdpersonage helemaal ten onder gaat aan haar eenzaamheid en isolement. Het is nog erger dan bij de personages in Suzanne Vissers De vismoorden (zie De Leeswolf 2011, nr. 1). Rosa wordt helemaal paranoïde, spreekt met dode vissen en eindigt uiteindelijk (‘alleen, moe, voor niets gekomen’) in de visvijver. Een extreem geval van de Japanitis waar Nooteboom het destijds in Mokusei! over had, zeg dat wel.  
 
Het aparte aan Lucht (2005, Querido), de Japanroman van Bart Koubaa (geb. 1968), is dat de auteur zich uitdrukkelijk niét baseert op eigen ervaringen in Japan. Wijselijk doet Koubaa dus geen poging om Japan te ‘verklaren’. Wel laat hij zich openlijk inspireren door Japanse films en boeken. Het verhaal over Kudo Yamamoto is geënt op een paar historische feiten (de atoombom, de speech van keizer Hirohito om Japans overgave aan te kondigen), maar voor de rest is het vooral ontstaan uit Koubaas fantasie. Dat Amerika de bom dropt, blijkt met name te wijten aan een vertaalfout van Yamamoto, die dan in Amerika verblijft. In 1964 woont hij weer in het ouderlijk huis in Japan en probeert daar een haiku te schrijven waarmee hij ‘de hele kosmos in zeventien lettergrepen vat’. Hij heeft het echter al moeilijk genoeg met het timmeren van een boekenkast en het feit dat hij steeds lichter wordt, zodat hij op den duur zelfs gaat zweven. Dat de Japanse namen nogal onwaarschijnlijk zijn (zo is Kudo geen voor- maar een achternaam), stoort in zo’n context natuurlijk veel minder. Sommige zijn hoe dan ook grappig bedoeld, met verwijzingen naar haikudichters (een visser heet Fujiwara Basho) en zen (hotel Satori).

En zo komen we bij de drie Japanromans van 2010. De verzopen katten en de Hollander (G.A. Van Oorschot, 2010) van Detlev van Heest (geb. 1956) is in meerdere opzichten ook een geval apart. Net als Suzanne Visser en Jos Vos woonde hij vele jaren in Japan, maar met die ervaring deed hij literair iets heel anders dan die twee. Zijn debuut is uitgesproken autobiografisch (het hoofdpersonage heet gewoon Detlev van Heest), maar anders dan de meeste autobiografische boeken gaat het opvallend weinig over ‘ik’. We leren Van Heest (zijn leeftijd, zijn beroepsbezigheden, zijn beslommeringen, zijn onhebbelijkheden) als het ware terloops kennen. Dit fragment over zijn opzet vinden we pas aan het eind van het boek. ‘Ik hou een dagboek bij over de buurt waar we wonen. Wat de mensen zeggen schrijf ik op. Er gebeurt natuurlijk nooit iets, maar dat is beter dan een bijeengelogen boek met moord en doodslag.’ Heiland, een bevriende Japanse schrijver, zegt daarop: ‘U moet over uw buurt een boek publiceren! Japanners lezen niets liever dan over zichzelf, míts het door een buitenlander is geschreven.’  
 
Alle recensenten hadden het over de invloed van J.J. Voskuil (die bleek naderhand een kennis en een soort mentor te zijn van Van Heest). Er is dus veel gedetailleerde uitleg, maar dan als stilistisch middel, niet vanuit een drang om Japan te verklaren. Van Heest verklaart in feite weinig, maar zijn boek vertelt van alle Japanromans misschien wel het meest over Japan. Op de omslag staat: ‘Detlev van Heest schildert een bij uitstek niet-exotisch tafereel’ (het omgekeerde van wat een Japanroman doorgaans beoogt dus). En dat klopt ook. De Japanners in dit boek zijn bovenal individuen, mensen van vlees en bloed, geen leden van een homogene groep met kuddegedrag, geen bordkartonnen vertegenwoordigers van een ‘volk’. Dat blijkt ook uit de afscheidsscène bij Van Heests vertrek uit Japan: de ene Japanner buigt, een andere omhelst hem, een derde geeft hem een hand. En wanneer Koemi, de vrouw van de kapper, niet tegen haar collega’s zegt dat haar man terminaal ziek is, verzucht van Heest: ‘Typisch Koemi’ en niet: ‘Typisch Japans’.
 
Van Heest geeft wel degelijk maatschappelijk commentaar op Japan, maar hij doet dat meestal subtiel. Bij een bezoek aan het graf van zijn overleden buur, mevrouw Suzuki, noemt haar zoon de plek een ‘grafveld met parksfeer.’ Van Heest: ‘Ja, het lijkt inderdaad een park. We liepen langs een betonnen beekje en een vijver met tien stenen boeddhabeelden op sokkels. De steilste stukken van het terrein waren afgegraven en vervangen door beton.’ Menig andere en mindere auteur zou hier nog uitleg en een algemene theorie over de relatie tussen natuur en modernisering aan toevoegen. Over de ‘tuin vol uitgeschoten fruitbomen en kreupelhout’ van een buurman staat er: ‘De bonsaitechniek was hem nog niet uitgelegd.’ Van Heest legt het ook zijn lezers niet uit, en dat is een opluchting.
 
Elders lezen we: ‘Bij ons in Japan zeggen ze “beter een goede buur dan een ver familielid.” Begrijpt u deze zegswijze vroeg de dochter [van Mevrouw Suzuki] bij de lift. “Dat zeggen wij in Nederland ook.’”’ Het zogenaamde ‘unieke’ karakter van de Japanners wordt op die manier kort en bondig gerelativeerd.
 
Andere mythes over het ‘ondoorgrondelijke Japanse volk’ boort Van Heest eveneens haast ongemerkt de grond in. Als bijvoorbeeld de theeceremonie ter sprake komt, is die van alle spirituele franje ontdaan, en is er des te meer plaats voor humor; de oude dametjes weten het ook allemaal niet zo goed. Sommige personages laat hij wel uitspraken doen over etniciteit en nationale identiteit (dat doen bepaalde Japanners nu eenmaal graag), maar ze spreken voor zichzelf. De fabrieksleider Brokken die zegt ‘Japanners houden van oorlog. [...] We zullen ze kapotmaken [de Noord-Koreanen]’ heeft het niet over alle Japanners. Brokken is een nationalist, en die hebben dus wél algemene etnische theorieën.  
 
Het relationele uitgangspunt van De verzopen katten is ook atypisch: Van Heest heeft een Nederlandse echtgenote, en bij de Japanse vrouwen met wie hij omgaat, is er geen sprake van enige erotische spanning of zelfs maar belangstelling (het zijn dan ook overwegend bejaarden).  
 
De twee wonen al jaren in Japan (Van Heest heeft het dus met opzet niet over de periode waarin ze er pas waren) en spreken op een natuurlijke manier Japans met hun buren. Af en toe komt de taalkwestie nog wel ter sprake, zoals wanneer Van Heest niet op het Japanse woord voor ‘mest’ kan komen, maar voor de rest verwondert (bijna) niemand zich erover dat hij en zijn vrouw in het Japans communiceren; het wordt als een normaal gegeven beschouwd (wat het ook is natuurlijk, in tegenstelling tot wat vele andere Japanromans ons willen doen geloven). Met Japanners die toch per se Engels met hem en zijn vrouw willen praten drijft hij de spot (‘He izz naintiesoerie.’), maar ook dit gebeurt minder denigrerend en lacherig dan bij bijvoorbeeld Fabricius indertijd.  
 
Een originele vondst is verder dat Van Heest vele persoons- en plaatsnamen vertaalt. Zo woont hij in Nieuwloofwijk en heten zijn buren Schaduwberg of Binneneiland. Bovendien hanteert hij voor de overgebleven namen een fonetische transcriptie die is gebaseerd op de Nederlandse uitspraak. Geen Fuji-berg dus maar Foedzji. Om een onduidelijke reden is hij hierin evenwel niet consequent. Mevrouw Suzuki is dus niet Soezoeki of Belboom, en sushi is geen soesjie.  
 
Terug naar Hiroshima (Houtekiet, 2010) van Bob Van Laerhoven (geb. 1953) is, ondanks de beperktere ervaringen uit eerste hand, als literaire thriller beter geslaagd dan die van Suzanne Visser. Het verhaal werkt en Van Laerhoven heeft vooraf duidelijk onderzoek gedaan. Een heleboel historische gegevens zijn daarbij samengeklutst tot een soort grote complottheorie, die als dusdanig wel fictioneel is. Zo zijn bepaalde verhaallijnen gebaseerd op feiten, maar met die feiten wordt soms een loopje genomen. De fameuze Eenheid 731 (die vivisectie verrichtte op krijgsgevangenen) was wel actief in China, maar niet op het Japanse eiland Okunoshima (daar werd gifgas geproduceerd). En het personage van de gangsterbaas die uiteindelijk een bastaardzoon van keizer Hirohito blijkt te zijn, is natuurlijk totaal verzonnen.  
 
Het boek speelt zich af tussen 10 maart en 11 april 1995. Op 20 maart van dat jaar vond de aanslag met saringas in de metro van Tokio plaats. De sekte AUM Shinrikyo, die daarvoor verantwoordelijk was, komt uiteraard aan bod, en ook hier speelt Van Laerhoven met feit en fictie.  
 
Er zijn de literaire referenties naar Murakami (een tiener die Kraai heet, zoals in Kafka op het strand), maar nog meer naar Yukio Mishima, het nationalistische idool van Reizo, een jonge delinquent met megalomane schrijversambities. Expositie blijft beperkt, al is bepaalde uitleg (onder andere over manga) eerder gericht van de auteur aan de lezer dan van een personage aan een personage. De buitenlanders (en hun relatie met de Japanse cultuur en maatschappij) blijven in Terug naar Hiroshima redelijk op het achterplan. Het gegeven dat de Japanse inspecteur Takeda, die het onderzoek leidt naar een dode baby, eigenlijk een halfbloed is, benut Van Laerhoven wel om sociale commentaar te geven (‘Ik ben niet Japans genoeg.’ of ‘Er komt een moment waarop ik buitengesloten word.’). Maar er ontstaan geen internationale amoureuze relaties (een jonge Duitse heeft belangstelling voor Takeda, maar hij scheept haar af).  
 
Deze roman focust dus op het detective- en thrilleraspect, en dat is een pluspunt. Dat dingen niet stroken met de werkelijkheid is dan makkelijker door de vingers te zien. Bertus Aafjes beweerde destijds in de voorwoorden van zijn historische verhalen over inspecteur Ooka (die hij tussen 1968 en 1986 schreef) zelfs dat het totaal irrelevant is: ‘De verhalen waarin Ooka optreedt zijn Japonaiserieën vol oosterse kleur en verbeelding, die nooit de uitgesproken en eenzijdige bedoeling hebben informatie over Japan te verschaffen die historisch of anderszins waterdicht is. […] Ik leg de rechter en zijn vrienden vele haikoe in de mond en stoor mij daarbij niet in het geringste aan het feit of deze haikoe van dichters zijn die voor, tijdens of na Ooka leefden. Zou een Japanner dit eigenaardig in de oren klinken, voor een westerse lezer is dit totaal irrelevant. Trouwens toen ik Japanners ernaar vroeg zeiden zij dat zij dit waarschijnlijk niet alleen vermakelijk, maar ook boeiend zouden vinden, mits het gedaan werd door een buitenlander. […] Zo is ook het Japan dat ik beschrijf mijn Japan en niet het Japan van liefhebbers van onomstotelijke feiten en onbetwistbare koersgetallen.’
 
De tijden zijn natuurlijk enigszins veranderd. Tegenwoordig is er veel meer algemene feitenkennis over Japan beschikbaar en komen auteurs minder makkelijk weg met onjuistheden. Nog eens Aafjes: ‘Zo heb ik ook moeite met namen en gebruik wel eens achternamen waar ik voornamen bedoel of vice versa. De gewone lezer zal zoiets niet storen, omdat hij het eenvoudig niet merkt. De Japanoloog stoort het ongetwijfeld.’ Anno 2010 zullen ook heel wat niet-Japanologen zoiets merken. Van Laerhoven vermeldt veel Japanse termen en uitdrukkingen, die doorgaans kloppen, maar anderzijds hebben zijn personages onwaarschijnlijke namen als Huleki en Wano Tomio, en er is ook een man die Rumiko heet, wat een meisjesnaam is. Zulke dingen halen nu eenmaal de geloofwaardigheid van het boek in zijn geheel naar omlaag.
  
Bij Paul Mennes (geb. 1967) zit de variatie op de vaste Japanromanthema’s erin dat protagonist Samuel Penn in Konijn op de maan (Nijgh & Van Ditmar, 2010) al samen is met zijn Japanse vriendin Midori voor hij naar Japan gaat. Hij volgt haar dus. En al dat gejammer over er niet bij horen is niet aan hem besteed. Sam vindt het net handig en comfortabel er niet bij te hoeven horen. Aanvankelijk althans. Uiteindelijk mag het ook niet baten, en zal hij breken met Midori en Japan verlaten. ‘Je zult hier altijd een buitenstaander blijven, Sam,’ krijgt hij te horen van zijn vriend Ryo, zelf een halfbloed. Paul Mennes heeft, net als de in het vorige artikel geciteerde diplomaat in Nootebooms Mokusei!, ook het onzinnige ingezien van de zogenaamde tegenstrijdigheid in de Japanse samenleving. Sam (die eerst zelf nog verbaasd is over het feit dat Midori’s moeder geen kimono draagt) gaat zich na een poosje ergeren aan de manier waarop toeristen oppervlakkig en clichématig over Japan praten. Zelf is hij anders; ‘Ik woon hier,’ zegt hij. In gedachten spreekt hij de toeristen toe: ‘Het Japan dat jullie verwachten, bestaat niet. Het heeft nooit bestaan. Iedereen heeft het over een land vol contrasten tussen traditie en high tech. En iedereen legt de nadruk op één van die twee kanten om zich dan te verbazen over de andere. […] In werkelijkheid bestaat dat beroemde contrast alleen in de geest van buitenlanders. […] Het Japan in onze hoofden bestond uit foto’s, documentaires en films, fragmenten van de werkelijkheid.’ Het is ongetwijfeld een conclusie die de auteur zelf heeft getrokken toen hij voor drie maanden in Japan verbleef en zijn oorspronkelijke opvattingen daardoor moest bijstellen. 

Het aspect van Japanse uitdrukkingen en namen heeft Mennes duidelijk ernstiger genomen dan Van Laerhoven en velen voor hem. Zelf heeft hij enig Japans gestudeerd, maar wat hij aan Japans in zijn boek opneemt, is wellicht nog eens nauwkeurig gecontroleerd door een native speaker, want er valt niets aan op te merken, ook niet door Japanologen.  
 
De conclusie mag dus zijn dat de Nederlandstalige Japanromans als Japanroman over het algemeen beter geslaagd zijn dan de meeste Engelstalige. Vooral de drie van 2010 vallen, elk op hun eigen manier, op in gunstige zin. Ze weten veel beter dan hun voorgangers de typische valkuilen te vermijden die zoveel Japanromans doen mislukken, zowel op literair vlak als in de portrettering van Japan. Je krijgt met andere woorden niet alleen een portie goede tot uitstekende lectuur, je steekt wel degelijk ook een en ander op over Japan, zonder dat de auteurs belerend doen. Juist dat is waar bij zovele andere Japanromans het schoentje wringt. Het blijft wel nog wachten op het eerste romaneinde met een buitenlander die in Japan ‘nog lang en gelukkig leeft’.  
 
Oorspronkelijk verschenen in De Leeswolf 2011

© 2024 | MappaLibri