Duivelspaardjes

Een eenzelvige man trekt zich met zijn vrouw terug in de heuvels boven de stad, waar hij zich een vervallen finca heeft aangeschaft, veroverd zeg maar, ver genoeg van de alledaagse wereld beneden om privacy te hebben en toch niet afgelegen genoeg om daar helemaal aan te ontkomen. Beneden, dat is: de zinderende smog, het geloei van de straalvliegtuigen op het vliegveld, stampvolle bussen, cafés waarin men het heeft over ongedekte cheques, winstmarges, percentages; dat is ook de plek 'waar mensen elkaar met tussenpozen vermoorden' (we zijn in Colombia!).

De finca, hoog daarboven, beoogt daarvan de antipode te worden: niet als tegengewicht, maar als veilig schuiloord tegen de opdringerigheid van de Valle beneden, de wereld die 'hem' belaagt. Want terwijl alle nevenfiguren, familieleden en andere (ze zijn talloos) bij naam genoemd worden, is de hoofdfiguur enkel een 'hij': 'hij die zich graag tussen de planten verliest', 'hij die tussen het groen verdwijnt', 'hij die zich verbergt in de dichte begroeiing'…

Deze man wil van deze plek een klein Arcadië maken. Hij verfraait het huis, bouwt voorraadkamers bij, nutteloze trappen en zelfs een observatorium (dat vanwege de smog die opstijgt uit het dal vaak onbruikbaar is), plant bomen en struiken, legt bloemperken en vijvers aan, en omringt als toetje zijn tweeënhalve hectaren grote domein met een kloeke muur, die zijn paradijs moet afschermen tegen de boze buitenwereld.

Het bekrompen universum dat hij daarmee creëert lijkt een groteske poging om de banaliteit van de samenleving (en die van hemzelf) te verstikken onder een surrogaat van ‘schoonheid’; met name zijn eigen obsessie voor het veelkleurige plantenrijk en de obsessie van zijn vrouw Pilar om  alles te beschilderen wat op haar weg komt. Zulke levenskeuze leidt uiteindelijk wel ergens heen, verwacht je. Maar nee, tot een catharsis komt het niet, enkel tot het etaleren van een doelloos verschrompelende existentie.

Dit escapistisch levensverhaal met tragedie-trekjes, geeft niet meteen al zijn troeven prijs. Je moet het eigenlijk verscheidene keren lezen (niet zo veeleisend, want relatief kort) om de thema’s uit elkaar te kunnen halen. Wil de auteur een sneer uitdelen aan de Colombiaanse samenleving? De heersende familiestructuren op de korrel nemen? Een 'retour-à-la-nature' forceren? Of misschien alles tegelijk? Hoe dan ook, je leest dit verhaal zonder een moment je interesse te verliezen. Ook al is voortdurende aandacht vereist, want aan geen enkele situatie wordt ook maar een woord teveel gespendeerd.

Onderweg kan je je best verkneukelen aan pittige omschrijvingen, zoals over zijn jongste broer, 'die wel talent heeft, maar niemand weet waarvoor'. Geen aperte humor dus, maar wel van het soort dat je onder het lezen meesmuilend oppikt. Het moet voor de vertaler beslist geen sinecure zijn geweest om het spitse taalgebruik en de technische formuleringen recht te doen wedervaren, maar het resultaat verdient alle lof. En wat het verhaal zelf betreft, dit smaakt naar meer.

Tomás González: Duivelspaardjes, Atlas/Contact Amsterdam, 2017, 174 p. ISBN 9789025448394. Vert. van Los caballitos del diablo door Jos den Becker. Distr.: VBKU Uitgevers

© 2017 | MappaLibri