De regels van drie

Een klein verhaal over grote kwesties

9+ - De regels van drie is een klein verhaal over bijzonder grote levenskwesties, zoals de draagwijdte van familiebanden, het recht op zelfbeschikking en de stap naar volwassenheid. Marjolijn Hof heeft daarvoor zoals gewoonlijk weinig bombarie of spectaculaire gebeurtenissen nodig. Ze beperkt zich tot een vrij statische, maar bijzonder intimistische schets, die ze met precieze lijnen uittekent. Dat maakt van haar recentste boek een ware delicatesse, die zich leent tot meermaals herlezen en meermaals genieten.

Twan en zijn tweelingzus, Linde, gaan met hun moeder en oma naar het winterse IJsland. Ze willen er hun overgrootvader Kas ophalen na een verontrustend telefoontje van Svanna, een bevriende vrouw uit het dorp. Opi Kas is een stuk in de negentig en is volgens zijn omgeving te oud om alleen te wonen. Dat is echter buiten de oude man zelf gerekend: hij heeft zo zijn eigen plannen en maakt het zijn bezoek bepaald niet gemakkelijk.

Het huisje van opi Kas is piepklein, zodat de familie elkaar de hele tijd op de lip zit. Hof beschrijft de beklemmende drukte in huis treffend met het beeld van een stripverhaal dat steeds drukker wordt door de tekst- en denkballonnetjes van alle personages. Er komen almaar ballonnetjes bij, terwijl de vorige niet verdwijnen. Ontsnappen is geen optie: het barre IJslandse weer laat ternauwernood toe dat ze het huis verlaten en zorgt ervoor dat de gezinsleden tot elkaar veroordeeld zijn.

Tot overmaat van ramp is Linde voor het eerst ongesteld en beslissen de vrouwen dat er een meisjeskamer en een jongenskamer komt. Twan moet dus noodgedwongen bij zijn overgrootvader slapen, en dat vindt hij vreselijk. De oude man trekt zich van niets of niemand wat aan, maakt smakkende geluiden en legt zijn kunstgebit in een glas water naast zijn bed. Bovendien is de jongen er niet helemaal gerust op. Als zijn overgrootvader ‘bijna op is’ zoals hij het zelf zegt, dan hoopt Twan maar dat hij niet helemaal op raakt terwijl ze in dezelfde kamer liggen.

Marjolijn Hof zet haar personages levensecht neer en maakt ze niet leuker, gevatter of edelmoediger dan ze zijn. Twan, en in mindere mate ook Linde, is een jonge puber die vooral begaan is met zijn eigen zaken. Hij heeft absoluut geen zin in de opgelegde vakantie en zou liever op school zitten dan de problemen van zijn dwarse overgrootvader op te lossen. De IJslandse omgeving is koud en onherbergzaam, en alles in en om het huis van opi Kas ademt in Twans ogen saaiheid en verveling. Zijn moeder vindt dat alles met stekkers en opladers in Nederland hoort te blijven, en zo blijft er bitter weinig entertainment over. Twans enige troost is zijn Grote Survival Handboek waarin hij leert over de regels van drie, die je helpen bij kritieke situaties en extreme weersomstandigheden. Helaas is er in het boek weinig hulp te vinden bij de aartsmoeilijke beslissing die Twan zal moeten nemen wanneer opi Kas zijn plan ten uitvoer wil brengen.

Van de moeder en de oma komen we niet veel meer te weten dan dat ze het beste voor hebben met iedereen, maar dat ze daarbij weinig rekening houden met de autonomie en de eigenwaarde van opi Kas. De relatie tussen die laatste en zijn dochter blijkt trouwens ook in het verleden niet zonder problemen te zijn geweest. Gaandeweg het verhaal komen we te weten dat hij als jonge vader meer tijd buitenshuis doorbracht dan bij zijn gezin. Dat heeft de band behoorlijk vertroebeld, en het leed lijkt nog niet gesleten. Zo verwijst de oma naar haar vader als ‘een oude man die… nou ja, die bij onze familie hoort.’

Opi Kas ten slotte heeft een ronduit moeilijk karakter. Hij is bars en eigenwijs, op het egoïstische af. Het gevoel van rebelse vrijheidsdrang is in de loop der jaren heen niet afgenomen, integendeel. ‘Een vrije jongen blijft een vrije jongen,’ zo zegt hij zelf, en dat heeft zijn consequenties. Al de eerste avond geeft Opi Kas Twan te verstaan dat hij weet wat zijn dochter en kleindochter komen doen, en even later vertelt hij dat hij niet naar Nederland terug wil, om in een ‘opbergplaats voor oude mensen’ terecht te komen. Om zijn doel te bereiken gebruikt de oude man alle middelen die hij ter beschikking heeft: hij moppert, slaat en zalft, manipuleert de kinderen en schoffeert de volwassenen.
 
De relatie tussen Twan en zijn overgrootvader is allesbehalve evident. De aversie is deels psychologisch, maar ook fysiek. Twan heeft niet veel op met de oude, versleten man die hij helemaal niet kent en nog maar één keer heeft gezien, toen hij drie jaar oud was. Opi Kas zwabbert op zijn benen, heeft een lekkend linkeroog, gele nagels en vreselijke littekens aan zijn polsen, die hij mouwvreters noemt. De situatie wordt nog erger wanneer ze samen naar het zwembad gaan en hij zijn overgrootvader bloot te zien krijgt. Met enkele rake woorden geeft Hof de gêne weer van de prille puber bij het aanschouwen van het verwoeste, oude lichaam. Ook de fysieke tegenzin behoeft meestal niet meer dan een enkele zin. Wanneer Twan opi Kas iets voorleest, schuift hij eerst de lakens en dekens van zijn geïmproviseerde bed opzij, want ‘ik wilde niet dat opi Kas op spullen zat die ik nodig had om te slapen’.

Toch verbetert de sfeer gaandeweg. Af en toe lijkt het zelfs een heus mannen-onderonsje, wanneer ze zich samen aan het alziende oog van de vrouwen onttrekken, het hebben over de ‘Takkentrutten’ of in het museum in de haringboot zitten. Terwijl de ijskoude dagen traag voorbij schuifelen, leert Twan zijn overgrootvader kennen, en hij komt voor een verschrikkelijke keuze te staan. Gelukkig moet hij die niet alleen maken: zijn zus wordt ook in het complot betrokken. Toch blijft de twijfel tot het allerlaatste moment toeslaan.

Ook al bevat het verhaal van Twan en zijn overgrootvader weinig wereldschokkende zaken en is het af en toe zelfs best humoristisch, toch eindigt het vrij bruusk en abrupt. Dat kan bij een eerste lezing schokkend of onrealistisch overkomen, maar mij lijkt het vooral heel waarachtig. Ook in het echte leven kennen sommige gebeurtenissen immers geen zacht verloop en laten ze zich niet leiden door de regels van de vertelkunst voor kinderen, met of zonder fluwelen handschoenen. De kracht van De regels van drie zit trouwens niet alleen in het verhaal van Twan en opi Kas, maar minstens evenzeer in de stijl en de bedachtzame toon die Hof hanteert, en in de weinige woorden die ze nodig heeft om de dingen neer te zetten. Dat leidt tot spaarzame, maar bijzonder mooie beschrijvingen, zoals het slapen van de oude man:

‘Na een tijdje wist ik zeker dat opi Kas sliep. Hij ademde langzaam in en uit. Er zat een piepje in zijn keel, alsof er iets gesmeerd moest worden.’ Of het lawaai van de sneeuwruimer: ‘Er was een roestig geluid dat uit het dorp kwam; iets knarste en piepte langzaam door de straten.’

Uit elk detail blijkt dat de schrijfster haar setting en haar personages door en door kent. Zelf zegt ze daarover in haar dankwoord: ‘In het begin zat de tekst vol details, later schrapte ik het een en ander. Maar hoe dan ook, mijn verblijf was van onschatbare waarde. Om weinig te kunnen schrijven moet je veel weten.’

Het was goed om dit weinige te lezen. De regels van drie is een hartverwarmend boek over echte mensen, dat staat als een houten huis op de IJslandse kust. En de vraag of het realistisch is? Ach. Om het met de woorden opi Kas te zeggen: ‘Wie gelooft wat er in een boek staat is niet goed bij zijn verstand.’

Marjolijn Hof: De regels van drie, Querido Amsterdam, 2018, 120 p. ISBN 9789045123028. Distributie L&M Books

Oorspronkelijk verschenen in De Leeswelp 

© 2024 | MappaLibri