Ondraaglijke lichtheid. Over het nut en nadeel van de ironie voor het leven

In de reeks ‘Nieuw licht’ nodigen filosofen Coen Simon en Frank Meester een denker of een schrijver uit om zich te buigen over een vraag die ‘in een klassieke geworden tekst al eerder aan de orde werd gesteld, maar dan door een andere denker, in een andere tijd, en binnen een andere politieke en maatschappelijke context.’ Zo ging Bas Heijne bijvoorbeeld aan de slag met een tekst van Freud en schreef Joke J. Hermsen over Hannah Arendt en Rosa Luxemburg. Voor de nieuwste aflevering leggen ze een fragment van Søren Kierkegaard over ironie voor aan Ilja Leonard Pfeijffer en stellen hem de vraag ‘of er in onze tijd nog wel de mogelijkheid bestaat voor een juiste ironische houding.’
 
Zijn tekst noemt hij met een allusie op Milan Kundera Ondraaglijke lichtheid en de ondertitel refereert aan Nietzsche: Over het nut en nadeel van de ironie voor het leven. De titel en de ondertitel bevatten beide een negatief geconnoteerde term, wat een indicatie geeft van de richting van het betoog, al blijft Pfeijffer in de eerste hoofdstukjes nogal op de achtergrond. Hij geeft een college over ironie waarin hij definities, de verschillende categorieën, de mogelijke functies en, aan de hand van de principes van Grice, de werking ervan uiteenzet. Dat doet hij helder en met goed gekozen voorbeelden – heel instructief, maar het verschilt weinig van bekende inleidingen in dit thema (ik denk aan Irony’s Edge van Linda Hutcheon of Poétique de l’ironie van Pierre Schoentjes).  
 
In de volgende onderdeeltjes neemt Pfeijffer duidelijker stelling, bijvoorbeeld over de vraag of er een ironieteken ingevoerd moet worden – belachelijk, het ondermijnt de werking ervan die gestoeld is op dubbelzinnigheid. De discussie legt evenwel een crisis van de ironie bloot: mensen schijnen gevoeliger geworden en steeds slechter tegen het gebruik ervan te kunnen, wat tot misverstanden leidt. Die vaststelling koppelt Pfeijffer aan de klassieke kritiek op ironie (hij vat Hegels en Kierkegaards bedenkingen samen) en de bezwaren van een aantal contemporaine denkers. Die komen erop neer dat ironie een verschijnsel is van een doorgeslagen postmoderne levenshouding waarin alles relatief is en eigenlijk een existentiële leegte verbergt.  
 
Vervolgens toont Pfeijffer hoe ironie zich tegen zichzelf keert en de mogelijkheid biedt om je te verstoppen. Het wezen van de ironie – je zegt het ene maar bedoelt het andere – draagt namelijk ook de potentie in zich ‘dat je wel degelijk zegt wat je bedoelt, maar vervolgens pretendeert dat het ironisch was’, waardoor je je steeds kan verstoppen. Dat specifieke gebruik van ironie observeert Pfeijffer bij extreemrechtse figuren die de stijlfiguur hanteren om politiek incorrecte thema’s al lachend aan de orde te stellen. Daartegenover plaatst hij de claim dat er taboes bestaan waar je niet mee moet willen lachen en een geloof in oprecht engagement, dat ondergraven wordt als het niet duidelijk meer is of wat je zegt gemeend is of ironisch.  
 
De conclusie is enigszins verrassend. Pfeijffer, bekend als satiricus, keert zich af van ironie. Het is te zeggen: hij houdt van de stijlfiguur, maar kant zich tegen het mogelijke misbruik dat inherent is aan de ambiguïteit ervan en tegen de subjectivistische en relativistische levensinstelling die ironie in postmoderne tijden met zich meebrengt. Daarin ontwaart hij namelijk een bedreiging voor de samenleving. Dat was ook al een van de conclusies die hij trok in de dichtbundel Idyllen (2015), waarin hij het postmoderne ontregelen te vrijblijvend vond en meende dat het tijd was om het opnieuw echt over iets te hebben (met name ‘Idylle 7’: ‘Geen deconstructie meer, geen cryptogram, geen quiz. / We zullen moeten leren zeggen hoe het is.’ en ‘Ook wie een goede vraag heeft, wil graag zijn verstaan, / want anders is er niemand meer die het nog snapt.’).  
 
In dit boekje leidt dat tot de conclusie: ‘Ironie is, hoe mooi zij ook is […], niet wat wij op dit moment nodig hebben. De wereld zou gebaat zijn bij de herontdekking van de ernst.’ Dat dat niet hoeft te betekenen dat het debat dan droog wordt en de literatuur saai, daarvan geeft Ondraaglijke lichtheid – en bij uitbreiding Pfeijffers oeuvre – blijk. Ook dit kleine werkstuk getuigt weer van de eloquentie van de schrijver. Daarmee maakt Pfeijffer duidelijk dat het niet ironie is die onwelgevallige boodschappen draaglijk maakt, maar taal- en stijlbeheersing.  
 
Ilja Leonard Pfeijffer: Ondraaglijke lichtheid. Over het nut en nadeel van de ironie voor het leven. Prometheus, Amsterdam 2019, 120 p. ISBN 9789044640403. Distributie Pelckmans Uitgevers 

© 2019 | MappaLibri