Goddeloos van
Stine Jensen, hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit
Rotterdam, is een (h)eerlijk essay/pamflet over de rol van atheïsme in reeds
decennia lang officieel agnostische, vaak onterecht ‘neutraal’ genoemde samenlevingen
als Nederland en Vlaanderen.
Het is boven alles een eerlijke tekst van iemand die
heel duidelijk is over haar zekerheden en twijfels, die openstaat voor andere,
scherp van de hare afwijkende meningen en die zich daarom, in tegenstelling tot
de zendelingen van overtuigde gelovigen én even overtuigde ongelovige ijveraars,
kwetsbaar opstelt. Als lezer krijg je niet eens de kans om veilig aan de kant
van de discussie (het conflict) te blijven staan, omdat ze ook expliciet met
jouw mening rekening houdt. Omdat het zo vlot en meesslepend geschreven is
kunnen voor- en tegenstanders van haar positie kennismaken met andere
standpunten, zonder tot karikatuur te worden gereduceerd. Anders gezegd: ze behandelt
verschillende meningen respectvol, zonder haar ‘tegenstanders’ tot vertekeningen
(of schertsfiguren) te willen herleiden, maar ook zonder haar uitgesproken eigen
standpunt op te geven.
Het is een doorwrocht essay, met een ruime bronnenopgave en
een overvloedige reeks informatieve eindnoten, die wél gepresenteerd worden
zonder daarmee de tekst te geleerd of academisch te maken, en het is tegelijkertijd
een hoffelijke verdediging van haar eigen opinie. Op dit moment in haar leven
en loopbaan is het een afsluiting van een lange denktocht, maar juist daarom allesbehalve
een ideologisch correcte Dogmatische Conclusie.
Jensen begint met het
onderscheid tussen de traditionele discussies over de vraag naar het bestaan
van een God of Goden, die tijdens de verlichting geleid heeft tot een op dat
moment (en slechts voor niet meer dan 12 % van de wereldbevolking) zinvolle
keuze voor een wetenschappelijk beroep op de rede en ons dus in principe verlost
heeft van foutieve of onwetenschappelijke verklaringen en praktijken. Intussen
hebben we nu al meer dan twee eeuwen ervaren dat dit antwoord niet volstaan
heeft en de laatste decennia van veel kanten in vraag wordt gesteld. Die
elementen komen terug in de wildgroei aan therapieën die vandaag de
traditionele ‘zielzorg’ van de kerken en andere religieuze instellingen
verdrongen hebben.
Wie vandaag nog pleit voor een terugkeer naar de theorie en praktijk van
de verlichting botst op de behoefte van zoveel mensen aan andere
verklaringsmodellen en praktijken, zoals onder meer Michel Foucault heeft
aangetoond over de verschillende succesrijke, vaak winstgevende metamorfosen
van de traditionele biecht. Wie, zoals Jensen, daarom pleit voor een grondige
herziening en vernieuwing van het klassieke humanisme, moet veel meer rekening
houden met de nieuwe, vaak revolutionaire inzichten van de medische en de
sociale wetenschappen, met de ontegenzeggelijk sombere momenten van onze
moderne geschiedenis en met ons grondig veranderd beeld van de mens als individu
en lid van een collectief. Deze nieuwe inzichten dwingen ons het vertrouwde
humanisme op basis daarvan grondig te herzien en zo nodig te herijken. Met
andere woorden: de noden zijn dezelfde gebleven, maar de gevaren die ons
persoonlijk en collectief bedreigen zijn daarmee niet zonder meer verdwenen.
Het volstaat echter niet terug te grijpen naar het achteraf gezien misschien
wel al te naïeve zelfvertrouwen van het modernisme. Het enigszins verbazend
snelle succes van het postmodernisme als correctie op dat zelfvertrouwen mag
daar een waarschuwingsteken zijn.
De auteur neemt geen blad voor de mond of verschuilt zich
niet achter grote namen: ‘Ik pleit in dit essay voor een moedig en seculier
atheïsme dat zich staande houdt in het maatschappelijk en politiek
krachtenveld, waar radicaal-rechts flirt met het conservatieve christendom
enerzijds en identitair links zich opwerpt als dé hoeder van de islam
anderzijds. Een atheïsme dat zich niet laat kapen of inlijven door deze
uitersten, maar vrijmoedig van zich laat horen wanneer het gaat om hete
hangijzers: van boa (buitengewoon opsporingsambtenaar) tot boerka, van
slachten tot seksuele voorlichting, van gebedsruimte tot modest fashion en
weigerambtenaren [een neologisme voor een ambtenaar die op grond van zijn
overtuiging weigert een huwelijk van homoseksuelen te voltrekken]. Ik sta, om
met de vitaliteit van Nietzsche te spreken, voor een baldadig teder atheïsme.’
Ik zelf zou het hier liever niet hebben over ‘radicalisme’, een term die
volgens mij een positieve waardering verdient, maar over ‘extremisme’.
Jensen gelooft niet
in de zogeheten ‘dialoog’, waarbij gevoelige thema’s vermeden worden. En daarom
pleit ze voor een atheïsme zonder taboes. Dat dit evenzeer geldt voor een
geloof dat geen moeilijke thema’s schuwt, is vanzelfsprekend. Dit lijkt voor
velen van ons normaal, omdat het berust op een samenlevingsmodel dat zich niet
bedreigd voelt door het contact en de uitwisseling van overtuigingen die niet
alleen andere meningen kunnen verdragen, maar erdoor wellicht kunnen verhelderd
of in ieder geval duidelijker worden gemaakt.
Dit essay heef ook een
pedagogisch aspect: indien bijvoorbeeld meer vrouwen in een maatschappij een
uitgesproken atheïstisch profiel zouden ontwikkelen, zou dit als rolmodel
kunnen dienen om een aantal misverstanden over zogenaamd aangeboren mannelijke
en vrouwelijke maatschappelijke houdingen ten opzichte van religie te
ontkrachten:
‘Zou
het hier ook disproportioneel vaker gaan om liberale vrouwen die klassieke
genderrollen verwerpen? Dat zou boeiend zijn om te onderzoeken.’
En ons tegelijkertijd
aanzetten, het cliché over de vrouwen die ‘veel acceptabeler naar religieuze
instituties [zouden zijn] dan de instituties naar hen’ opnieuw kritisch te
onderzoeken. Het klopt dat we ons al te vaak geen vragen stellen, wanneer we
merken dat er in de leeglopende kerken alleen nog vrouwen zitten. Anders
gezegd: alleen wanneer we een authentiek pluralistische samenleving bereikt
hebben, kunnen we ons afvragen waarom we ons bij dat toch opvallende
genderonderscheid geen vragen gesteld hebben, terwijl de meerderheid van de
religies eerder de nadruk leggen op de leidende rol van de mannen, zodat je in
feite geneigd zou zijn het omgekeerde, met name een opstand van de vrouwen, te
verwachten.
Net
omdat Jensen weigert, zich bij al die schijnbaar vanzelfsprekende waarheden
neer te leggen, maar ook haar lezers, wat ook hun persoonlijke of familiale
uitgangspunten zijn, uitnodigt om met haar verder te denken, is dit essay
actueler dan ooit.
Stine Jensen: Goddeloos. Waarom we atheïsme nodig hebben, Prometheus,
Amsterdam 2025, 93 p. ISBN 9789044657633. Distributie L&M Books
deze pagina printen of opslaan