De ontmoeting tussen
mens en zeekoe
‘In zijn presentatie over de
zeekoe liet Von Nordmann de wetenschappelijke gemeenschap in Finland [op dat
ogenblik nog een tot het Russische keizerrijk behorend groothertogdom en nog
geen onafhankelijke natie, hj] kennismaken met het denkbeeld dat de mens
uitroeiing van soorten kan veroorzaken; in tegenstelling tot vele anderen
geloofde hij de beweringen van Sauer.
Voor Von Nordmann was het idee
dat een soort kon verdwijnen niet nieuw maar vanzelfsprekend. In zijn jonge
jaren had hij de leiding over de botanische tuin in Odessa, en in die periode
werd er een wonderbaarlijk grottenstelsel onder de stad aangetroffen. Von
Nordmann daalde af in de aarde, in stoffige, vochtige gangen, en de grotten,
die millennia lang in vergetelheid hadden doorgebracht, onthulden duizenden
dierenbotten. En wat voor dieren! Hij bracht de overblijfselen van diverse
verdwenen beesten naar het aardoppervlak, schedels met lange tanden van
grottenhyena’s, leeuwen en beren. Hij schreef een verhandeling over Oekraïense
fossielen van soorten die niet meer bestonden, en hij kon geen reden bedenken
waarom uitsterving in de prehistorie wel mogelijk was, maar nu niet meer. De
natuur neemt geen andere gewoonten aan. Von Nordmann koestert geen hoop: wat
hem betreft is de zeekoe voorgoed verdwenen, net als de wolharige neushoorn en
de mammoets.
Toch
zijn veel mensen nog steeds niet bereid te geloven dat de mens een andere soort
zou kunnen uitroeien. Drie decennia na de presentatie van Von Nordmann neemt
Rudyard Kipling in zijn Jungleboek een verhaal op over een witte zeehond
die het geheime eiland van de zeekoeien vindt, een toevluchtsoord waar ze zich
verstopt houden voor de mens. Het is geen onzinnige gedachte: de mammoet
overleefde op de geïsoleerde resten van de Beringlandbrug nadat zijn
soortgenoten elders al waren verdwenen, en ten tijde van de bouw van de
piramides graasde de wolharige mammoet nog op een afgezonderd eiland. De zeekoe
wist ook millennia na het verdwijnen van de mammoet nog in haar schuilplaats te
overleven, maar geleidelijk aan wordt duidelijk dat de mens het eiland van de
zeekoeien al heeft gevonden, dat hun schuilplaats werd ontdekt op het moment
dat Berings bemanning voet zette op het zand van het vosseneiland.’
Het is een lang
citaat, maar op deze manier weet u meteen ongeveer alles wat u over deze
prachtige, zeer onderhoudende, gevarieerde en ook nog eens gewoonweg interessante roman moet weten.
Allereerst: alle personages
zijn gebaseerd op echt bestaan hebbende personen. Alexander von Nordmann
(1803–1866) was een Finse bioloog, die in 1861, als allereerste ter wereld, een
nagenoeg compleet skelet van de zogeheten stellerzeekoe presenteerde aan
zijn collega’s wetenschappers. Dat skelet was hem bezorgd door Johan Hampus
Furuhjelm (1821-1909), Finse vlootbevelhebber in Russische dienst die
uiteindelijk gouverneur van Russisch Alaska zou worden (van december 1858 tot
maart 1864) en daar onder meer jarenlang naspeuringen liet doen naar de
stellerzeekoe (zoals allemaal in delen twee en drie van de roman verhaald
wordt). Een reusachtig dier, overigens, deze zeekoe, tot tien meter lang, en
levend en wel naar schatting minstens vier ton wegend. De genoemde Sauer is
Martin Sauer, een Engelse avonturier (geen geboortejaar bekend -- 1806), die
van 1785 tot en met 1794 als secretaris, vertaler en chroniqueur deel uitmaakte
van de expeditie-equipe van de Engelse ontdekkingsreiziger Joseph Billings (ca.
1758-1806), die in opdracht van keizerin Catharina de Grote tien jaar lang het
noordoosten van Siberië verkende (waarover Sauer dus een verslag publiceerde),
onder meer met het oog op het vinden van het oostelijkste stuk van de
Noordoostelijke Doorvaart (van Archangelsk, de Noord-Russische Witte-Zeehaven,
naar het schiereiland Kamtsjatka).
Deel een evoceert de expeditie
van de Deen Vitus Bering, die eerder, in 1728, in opdracht van tsaar Peter de
Grote de naar hem vernoemde zeestraat tussen Oost-Siberië en Alaska verkende,
en van 1733 tot 1741 de leiding had over de Grote Noordelijke Expeditie. Op die
laatste voer de Duitse natuuronderzoeker Georg Wilhelm Steller (1709–1746) mee,
waardoor hij de ontdekker zou worden van de al genoemde zeekoeiensoort. Die
kwam toen alleen nog voor rondom de Komandorski-eilanden (de allerwestelijkste
‘staart’ van de langgerekte Alaskaanse Aleoeten-archipel, zo’n 150 kilometer
ten oosten van Midden-Kamtsjatka), en daar is het ook al naar de Deense
kapitein vernoemde Beringeiland er een van. Naar hem vernoemd omdat zijn schip,
door stormen overvallen, deerlijk gehavend en met een gedecimeerde bemanning
(scheurbuik kost ongeveer de helft van hen het leven eer ze, eindelijk!, dit
land vinden, al is het dan niet het vasteland), er voor anker gaat, en hijzelf
er al spoedig overlijdt. Waarna de overlevenden aanvankelijk geteisterd worden
door de er overvloedig tierende vossen, zeer bedreven voedselrovers.
Maar Steller ontdekt
er in de kustwateren dus het enorme zeezoogdier dat intussen de wetenschappelijke
benaming Hydrodamalis gigas heeft gekregen, ‘Reusachtige watervaars’.
Een ontdekking met rampzalige gevolgen: geen halve eeuw, nee, zelfs geen dertig
jaar later is de soort reddeloos uitgestorven door flagrante overbejaging door
de mens. ‘De ontmoeting tussen mens en zeekoe was kort en gewelddadig, en geen
enkele van de kalveren die Steller heeft gezien zag kans van ouderdom te
sterven.’
In het allerlaatste deel van het boek, vanaf pagina 241,
wordt dan verhaald hoe Von Nordmanns fameuze skelet het tot in onze tijd heeft
gered (het is nog steeds te zien in het Natuurhistorisch museum van Helsinki) –
en hoe in de afgelopen twee eeuwen nog een aantal andere diersoorten door de
mens letterlijk uit de wereld zijn geholpen.
Geloof
de dwaallichten, banale prikkelverslaafden en overige beotiërs niet dat Levende
wezens een steriel werkstuk zou zijn! De ontberingen van Berings bemanning,
de vreedzame argeloosheid van de reuzensirenen (zeekoeien behoren tot de
biologische orde van de Sirenia), Stellers vindingrijkheid, de brute,
gewelddadige aangelegenheid die het koloniseren van zelfs een arctische
woestenij met een dungezaaide bevolking van ‘wilden’ is (de Russen leden in
Alaska meer dan één nederlaag tegen de inheemse Tlingits en Joepiks), de
emanciperende uitwerking van het ordenen van een natuurhistorische verzameling
van opgezette dieren op een onderworpen oude vrijster, hoe haar fenomenale
tekentalent de poorten van het anderhalve eeuw geleden nog absolute mannenbastion
van de universiteit opent voor Von Nordmanns assistente Hilda Olson – Iida
Turpeinen weet het allemaal, zonder toeters en bellen en onnadrukkelijk, maar
wel volkomen overtuigend tot leven te wekken.
Want
alles heeft met alles te maken: daarom dat zulke ogenschijnlijk disparate
elementen als Berings rampzalige laatste scheepsreis en uiteindelijke
schipbreuk, het op waanzinnige schaal doden van diverse pelsdiersoorten in
Siberië en Alaska door geldbeluste Europese kolonisten (niet dat Turpeinen die
negatief geconnoteerde adjectieven gebruikt, dat heeft ze niet nodig, wat een
van de redenen is waarom haar boek zo goed is) en de zeer bescheiden
levensomstandigheden waarmee Hilda Olson zich in de negentiende eeuw als
zelfstandige, ongehuwde vrouw tevreden moet stellen, ondanks haar enorme talent
– daarom dat dit alles wonderwel bij elkaar blijkt te passen en een volkomen
natuurlijk werkende vertelling oplevert, die drie eeuwen omspant en waar je
bovendien nog iets van opsteekt ook.
Onnadrukkelijk?
Jazeker. Geen enkele niet-gelobotomiseerde lezer van deze roman kan het ontgaan
dat het uitsterven van soorten door menselijk toedoen een treurig stemmend feit
is en weinig goeds voorspelt voor ons eigen overleven. Alleen ramt de
schrijfster die boodschap er niet voorhamersgewijs in, wat mij erg voor haar
inneemt. Levende wezens is een prachtig boek en als de thematiek u ook maar
enigszins aanspreekt, moet u het beslist lezen.
Iida
Turpeinen: Levende wezens, De Geus, Amsterdam, 285 p. ISBN 9789044550214.
Vertaling van Elolliset door Annemarie Raas. Distributie L&M Books
deze pagina printen of opslaan