Jan Lauwereyns debuteerde in 1999 met de
bundel Nagelaten sonnetten, maar op
dat ogenblik was hij al jarenlang actief als dichter. Sindsdien volgden nog een
groot aantal bundels, vaak in bibliofiele uitgaven en bij erg uiteenlopende
uitgeverijen. Daarom is de publicatie van dit boek een waardevol initiatief.
Het brengt het gros van de poëzie bij elkaar, met respect voor de ontwikkeling
van dat oeuvre, vanaf de eerste probeersels tot een aantal niet eerder
gebundelde splinternieuwe verzen. De dichter heeft zijn boek zorgvuldig
samengesteld, met kleine wijzingen op een aantal plaatsen en een nieuwe
structuur die overzichtelijker is en vooral ruimte geeft aan de cycli die zijn
werk structureren. (Een verantwoording van die editieprincipes had voor vroege
lezers van dat oeuvre een zeker houvast kunnen bieden, maar die ontbreekt
helaas).
Leer van de orchidee stelt
ons dus in staat om kennis te nemen van een van de meest originele en boeiende
oeuvres uit onze recente poëzie. De lezer kan dit boek lezen als een
chronologisch overzicht, maar minstens even belangrijk zijn de vele
netwerkachtige verbindingen van motieven, met ideeën en beelden die meermaals hernomen
en gevarieerd worden. Het is een illustratie van de werkwijze van de dichter,
die ook in enkele essays gewezen heeft op zijn haast associatieve omgang met de
taal, het ritme en het beeld.
Vanaf de eerste bundels is er het merkwaardige spel van de
dichter als auteur en als personage. De gedichten lijken autobiografisch en
gebaseerd op herkenbare anekdotes, op reëel bestaande mensen en situaties.
Telkens wordt die realistische dimensie echter doorkruist door magische of
vreemde elementen. Dat zorgt voor verrassing en vaak wordt de lezer op het
verkeerde been gezet waarna hij of zij vervolgens de eerdere situatie moet
herzien. Ook de positie van het dichterlijke ik is aan dergelijke
verschuivingen onderhevig. Dat alles droeg ertoe bij dat Lauwereyns door
critici werd ondergebracht bij de ‘postmoderne’ dichters. Het was een
begrijpelijke en niet meteen foutieve karakterisering van zijn werk, maar toch
ging ze voorbij aan het feit dat de dichter wel degelijk op zoek is naar
inzicht in de werkelijkheid en de mens.
Wat Lauwereyns van meet af aan
fascineert – niet zo verrassend gezien zijn professionele loopbaan als
psycholoog – is het mechanisme waarmee mensen ‘cognitie’ verwerven en hanteren
in hun leven. Waarneming, conceptualisering en geheugen zijn essentiële voorwaarden
om tot bewustzijn, rationaliteit en emoties te komen. In zijn literaire werk
concentreert de auteur zich niet allen op het resultaat van die vaardigheden
maar op de onderliggende processen zelf. Veel van zijn gedichten laten zich
inderdaad lezen als experimenten. De waarneming hangt samen het met ingenomen
perspectief, met de manier waarop bepaalde elementen in focus worden
uitvergroot en andere tot onopgemerkte details worden herleid. Onze dagelijkse
ervaring en de ons aangeleerde taal bieden dat veilige perspectief maar ze
bouwen ook beperkingen in. Daarom brengen de gedichten vreemde elementen
binnen, laten ze associaties de plaats innemen van koude causale redeneringen,
zijn beelden en metaforen manieren om anders te kijken en te begrijpen. De
dichter vertrekt van de waarneming en het herkenbare, maar reikt verder dan
dat.
Die
verruiming van de werkelijkheid, en daardoor ook van onze visie op de
menselijke vermogens, wordt des te sterker als de dichter naar Japan verhuist.
Zijn poëzie wint aan toegankelijkheid maar ook aan diepgang door de
confrontatie met de Oosterse mentaliteit. De spanning tussen vertrouwdheid en
vreemdheid neemt immers geheel andere proporties aan. Ook de visie op het schrijven
en de taal verandert ingrijpend: schrijven wordt kalligrafie, en de
meerduidigheid van taaltekens wordt steeds belangrijker. Lauwereyns wordt
vooral in dat latere werk een dichter van indrukwekkend formaat. Zijn
waarnemingen versmelten met filosofische beschouwingen. Het menselijke
perspectief wordt allerminst verlaten, maar steeds meer wordt de dichter zich
bewust van zijn eigen marginale positie, van zijn afwezigheid in de
werkelijkheid: de Oosterse visie op ontvankelijkheid en gelatenheid confronteert
hij met Westerse denkers als Wittgenstein of zijn klassieke psychologische
opleiding. En bovenal, de cultus van het kleine en het onopvallende krijgt een
steeds belangrijker plaats in zijn oeuvre.
Dat alles resulteert in een
visie op poëzie waarin chaos en orde niet langer tegenover elkaar staan, maar
elkaars keerzijde vormen. Het dichterlijke ik wordt een stem, of liever een
vorm van meerstemmigheid, een klankbord of een echokamer in plaats van een
absoluut centrum. Dat alles klinkt nogal abstract, maar Lauwereyns weet
abstractie perfect te paren aan het concrete. Zijn gedichten zijn modellen en
voorbeelden van zijn gedachten, en omgekeerd zijn gedachten slechts overtuigend
als ze in de werkelijkheid belichaamd worden. De leer van de orchidee is
typerend veelzijdig voor die benadering. Is het een leer over de orchidee
(zoals het Westerse subject-object-denken verklaart), of integendeel een leer
door de orchidee? Is de filosofische leer een vorm van theorie tegenover de
praktijk van de realiteit, of is de werkelijkheid de filosofie bij uitstek? Wie
deze gedichten leest raakt niet alleen overweldigd door hun pracht van beeld en
ritme maar wordt tegelijk gegrepen door de vragen die ze oproepen en de
antwoorden die ze tasten suggereren. Grote poëzie in een monumentaal boek, dus.
Jan
Lauwereyns: Leer van de orchidee. Een keuze uit het werk 1991-2024. 2005,
Koppernik, Amsterdam 2025, 331 p. ISBN 9789083448121. Distributie De Wolken
deze pagina printen of opslaan