Poëzie

BOEKEN NR. 7, SEPTEMBER 2025

Annemarie Estor: Het overschot

door Marc Bruynseraede

Voor lange afstandslopers in de poëzie

Annemarie Estor heeft een nieuwe dichtbundel – haar achtste – uitgebracht, die, van de geoefende poëzielezer, toch enige intellectuele gymnastiek vraagt. Vooreerst, de intrigerende titel, Het overschot. Na lezing blijkt dat Het overschot te maken heeft met de (gevaarlijke) restanten van het bestaan. De dichteres verwijst ernaar op pagina 33:
 
‘O ja
ik geloof
in het eind
van een heel oude waan
en in het overschot
van een gevaarlijk bestaan.’
 
Op pagina 73 keert het overschot nog eens terug in de verzen: ‘Bedelf me / onder wat voorbijgaat. / Onder wat oplost. / Onder het overschot.’
 
De bundel is één langgerekt gedicht van 78 pagina’s, onderverdeeld in zeven cycli. De Wikipedia-pagina van Annemarie Estor had ons al gewaarschuwd dat ‘belangrijke thema’s in Estors narratieve en mythologische poëzie zijn de grens en de overschrijding daarvan, vorm en metamorfose, zuiverheid en vermenging. […] De synesthesie en de roes zijn in haar werk vitale esthetische principes’.
 
Gewapend met deze wetenschap, kunnen we ons op weg begeven, in het geloof van Annemarie: ‘in de klapwiekende uitbraak / van het verdrukte verlangen.’ Dat uitbundig geloof in de eerste cyclus wordt aan het eind van het gedicht al lichtjes gesmoord in: ‘Ik geloof in de onwaarschijnlijkste uitstorting / van papaverspataders, vuurwerkmeteorieten / vallend in toevallige zenuwstelsels, / het uur dat ik gekomen ben / en dat hij komt.
 
De tweede cyclus schakelt over naar alerte waakzaamheid. In deze cyclus ‘Wie de wacht hield’ treffen we een mooie passage aan:  
 
‘Bij het tankstation stond
bij het tankstation staat nog steeds –
elke avond
in de heel erg hete avondzon:
een fontein met ornamenten,
wat oleanders erom,
maar verder beton.
 
Dagloners stappen er uit een oude Renault,
ze stoffen elkaar af, zo goed en zo kwaad
als dat gaat,
overalls, touwhaar,
het smeltend asfalt van hun verlangens,
rorschachvlekken tussen schouderbladen.
 
Ze halen nieuwe ideeën
uit de kofferbak
en koelen ze met water
onder het gesnor
van tortels, nachtzwaluwen
en een koor van versufte verslaafden.’
 
De wakende dichteres ontwaart dat: ‘Niemand wil zien / de oorlog die komende is, / het glashard theater van de politiek, / de falende diplomatie, de allianties, / de slijmbeursontstekingen, de hysterie / van de blinde overwinnaar’. In de laatste passages van Cyclus twee duikt plots de sniper op. Je denkt meteen dat de sniper tot taak heeft op een heimelijke wijze zijn slachtoffers uit te schakelen. Of dat lukt en hoe vernemen we in de daarop volgende cycli, want de sniper is niet meer weg te denken.
 
De derde cyclus buigt zich over de betekenis van de vrije wil en hoe vrij die wil wel is of kan zijn. De eerste vaststelling is: ‘Ach, daar ligt de vrije wil, onder de cipressen, / bij de levenslustige rondingen van cactussen, / de hoog opgerichte vetplanten.’ Het geloof van de dichteres is evenwel nog niet geblust. In cyclus vier, ‘De levende nachtwee’, wordt dit geloof op de proef gesteld door de twijfel: ‘Maar wij bestaan vooral onwetend en uiteen […] en ik, die intussen in zes luchters hang, inhaleer / op de hallucinerende valreep de levende nachtwee.’
 
Het wordt tijd dat ‘Miljoenen vrouwen’ in cyclus vijf daar iets tegen ondernemen. Maar kijk: ‘Miljoenen vrouwen wachten op God die niet komt’. Er is: ‘niets dan fileleed, verkleumde dichters, kreupele violisten, ondervoede kinderen’ […] Wij, de collega’s met onze laptops […] Wij zijn met vuur gekomen / en zullen weer met vuur vertrekken.’
 
‘Wij,
de collega’s
die met onze laptops open
onder de beuken neerzitten
 
en pogen te vergaderen
en pogen te vergeten
 
wat ons uiteen gereten heeft,
drinken een wijn uit Luik.
 
De wijn is genaamd Verdriet,
hij heeft de kleur
 
van jonge uienrokken
en de smaak van vuur.’
 
In het ‘Bed van september’ (cyclus zes) duikt de sniper weer op en zijn bedoelingen zijn helder: ‘Het gevaarlijkste dier / op deze planeet / is een valse vriend.’ Dat weten we dan ook weer, en: dat het gevaarlijk is om over lakens te praten.
 
Finaal ‘In de brandstof van het duister’ (cyclus zeven) treft de dichteres een conclusie die welluidend klinkt:  
 
‘Alleen hij,
 
sniper, die met zijn sereen geschut
de schoonheid van een verre bergrivier
op mij afvuurt
van de overzijde van de maand,
 
alleen hij,
lantaarnlicht van mijn avonden,
droomraadsel zwevend onder mijn plafond,
is nog reden om door te gaan
al zwem ik blind
in de brandstof van het duister.’
 
De gedachte indachtig van kunstfilosoof-dichter Antoon Van den Braembussche – hier ook toepasselijk op de recensent – dat men niet moet pogen het onverklaarbare te verklaren, want dat dit dodelijk is voor de poëzie, kan de aandachtige lezer wellicht helpen tot het ontdekken van de ietwat overladen, maar soms verrassend originele, dichtkunst van Annemarie Estor.
 
Annemarie Estor: Het overschot, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2025, 78 p. ISBN 9789028453845. Distributie Lannoo

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De zwarte poel

Jan Vantoortelboom

Engelenbrood

Patti Smith

Het Nachtlicht

Erik Vlaminck

Sodomiet

Alexandre Vidal Porto

Wie is bang voor vrouwelijke kunstenaars? Belgische kunstenaressen van 1880 tot nu

Christiane Struyven

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De geheime bibliotheek. Wie redt de magische boeken?

Nina George, Jens J. Kramer, Hauke Kock (ill.)

Kiki & ik

Leo Timmers

Peter Pan

J.M. Berrie, Floor Rieder (ill.)

Plassen op schrikdraad

Simon van der Geest, Karst-Janneke Rogaar (ill.)

Properzia

Jean-Claude Van Rijckeghem

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri