Voor lange afstandslopers in de poëzie
Annemarie Estor heeft een
nieuwe dichtbundel – haar achtste – uitgebracht, die, van de geoefende
poëzielezer, toch enige intellectuele gymnastiek vraagt. Vooreerst, de
intrigerende titel, Het overschot. Na lezing blijkt dat Het overschot
te maken heeft met de (gevaarlijke) restanten van het bestaan. De dichteres
verwijst ernaar op pagina 33:
‘O ja
ik geloof
in het eind
van een heel oude waan
en in het overschot
van een gevaarlijk bestaan.’
Op pagina 73 keert het overschot nog eens terug in de
verzen: ‘Bedelf me / onder wat voorbijgaat. / Onder wat oplost. / Onder het
overschot.’
De
bundel is één langgerekt gedicht van 78 pagina’s, onderverdeeld in zeven cycli.
De Wikipedia-pagina van Annemarie Estor had ons al gewaarschuwd dat ‘belangrijke
thema’s in Estors narratieve en mythologische poëzie zijn de grens en de
overschrijding daarvan, vorm en metamorfose, zuiverheid en vermenging. […] De
synesthesie en de roes zijn in haar werk vitale esthetische principes’.
Gewapend met deze
wetenschap, kunnen we ons op weg begeven, in het geloof van Annemarie: ‘in de
klapwiekende uitbraak / van het verdrukte verlangen.’ Dat uitbundig geloof in
de eerste cyclus wordt aan het eind van het gedicht al lichtjes gesmoord in:
‘Ik geloof in de onwaarschijnlijkste uitstorting / van papaverspataders,
vuurwerkmeteorieten / vallend in toevallige zenuwstelsels, / het uur dat ik
gekomen ben / en dat hij komt.
De tweede cyclus schakelt
over naar alerte waakzaamheid. In deze cyclus ‘Wie de wacht hield’ treffen
we een mooie passage aan:
‘Bij het tankstation
stond
bij het tankstation staat nog steeds –
elke
avond
in de heel erg hete avondzon:
een fontein met
ornamenten,
wat oleanders erom,
maar verder beton.
Dagloners
stappen er uit een oude Renault,
ze stoffen elkaar af, zo goed en
zo kwaad
als dat gaat,
overalls, touwhaar,
het smeltend asfalt van hun verlangens,
rorschachvlekken
tussen schouderbladen.
Ze halen nieuwe ideeën
uit de kofferbak
en koelen ze met water
onder het gesnor
van
tortels, nachtzwaluwen
en een koor van versufte verslaafden.’
De wakende
dichteres ontwaart dat: ‘Niemand wil zien / de oorlog die komende is, / het
glashard theater van de politiek, / de falende diplomatie, de allianties, / de
slijmbeursontstekingen, de hysterie / van de blinde overwinnaar’. In de
laatste passages van Cyclus twee duikt plots de sniper op. Je denkt meteen dat
de sniper tot taak heeft op een heimelijke wijze zijn slachtoffers uit te
schakelen. Of dat lukt en hoe vernemen we in de daarop volgende cycli, want de
sniper is niet meer weg te denken.
De derde cyclus buigt zich over de betekenis van de vrije
wil en hoe vrij die wil wel is of kan zijn. De eerste vaststelling is: ‘Ach,
daar ligt de vrije wil, onder de cipressen, / bij de levenslustige rondingen
van cactussen, / de hoog opgerichte vetplanten.’ Het geloof van de dichteres is
evenwel nog niet geblust. In cyclus vier, ‘De levende nachtwee’, wordt dit
geloof op de proef gesteld door de twijfel: ‘Maar wij bestaan vooral onwetend
en uiteen […] en ik, die intussen in zes luchters hang, inhaleer / op de
hallucinerende valreep de levende nachtwee.’
Het wordt tijd dat ‘Miljoenen
vrouwen’ in cyclus vijf daar iets tegen ondernemen. Maar kijk: ‘Miljoenen
vrouwen wachten op God die niet komt’. Er is: ‘niets dan fileleed, verkleumde
dichters, kreupele violisten, ondervoede kinderen’ […] Wij, de collega’s met
onze laptops […] Wij zijn met vuur gekomen / en zullen weer met vuur
vertrekken.’
‘Wij,
de collega’s
die met onze laptops open
onder
de beuken neerzitten
en pogen te vergaderen
en pogen te vergeten
wat ons uiteen
gereten heeft,
drinken een wijn uit Luik.
De wijn is genaamd Verdriet,
hij heeft de kleur
van jonge uienrokken
en de smaak van vuur.’
In het ‘Bed
van september’ (cyclus zes) duikt de sniper weer op en zijn bedoelingen
zijn helder: ‘Het gevaarlijkste dier / op deze planeet / is een valse vriend.’
Dat weten we dan ook weer, en: dat het gevaarlijk is om over lakens te
praten.
Finaal
‘In de brandstof van het duister’ (cyclus zeven) treft de dichteres een
conclusie die welluidend klinkt:
‘Alleen hij,
sniper, die met zijn
sereen geschut
de schoonheid van een verre bergrivier
op mij afvuurt
van de overzijde van de maand,
alleen hij,
lantaarnlicht
van mijn avonden,
droomraadsel zwevend onder mijn plafond,
is nog reden om door te gaan
al zwem ik blind
in
de brandstof van het duister.’
De gedachte indachtig van kunstfilosoof-dichter Antoon Van
den Braembussche – hier ook toepasselijk op de recensent – dat men niet moet
pogen het onverklaarbare te verklaren, want dat dit dodelijk is voor de poëzie,
kan de aandachtige lezer wellicht helpen tot het ontdekken van de ietwat
overladen, maar soms verrassend originele, dichtkunst van Annemarie Estor.
Annemarie
Estor: Het overschot, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2025, 78 p. ISBN
9789028453845. Distributie Lannoo
deze pagina printen of opslaan