Ergens in zijn debuut
schrijft Hans Van Miegelbeek ‘als dichter hou je halt in de stroom’. Die regel
is dubbelzinnig. Gaat het om niet langer meedoen met de kudde of om pas op de
plaats maken om de stroom te observeren en te overpeinzen? De bundel Een
halte in de stroom is in ieder geval wel een voorbeeld van wat
voor veel poëzie van oudere dichters geldt: de behoefte om min of meer
evaluerend terug te blikken. De bijna fysieke gewaarwording van een stroom dient
zich immers vooral aan als je al een poos bent meegesleurd door de gang der
dingen en door de tijd. Het is een maatschappelijke en filosofische waarheid: panta
rhei. ‘Alles stroomt’, wist Heraclitus al ca. 600 vóór Christus. Alles
verandert voortdurend. Als je er, letterlijk, bij stil staat, kun je het zien.
Van Miegelbeek
(Gent, 1966) zoekt als dichter plekken terzijde van de stroom. Tegelijkertijd
is hij zich ervan bewust dat het stromende water zich niet laat bedwingen. Het
is een besef dat veel van zijn gedichten een melancholieke glans geeft.
Levenservaring kan, mits onnadrukkelijk ingezet, een filosofisch tegengif
opleveren voor de niet te stuiten blinde pragmatische vaart van het leven.
‘[…]
als dichter hou je halt in de stroom
raap je op, maak je
regels
met een
gevallen woord verleg je
een kei die zomaar doet golven
het water laat zich
niet bedwingen
het zingt en klinkt voortdurend anders’
Het is uiteraard de
kunst om het terugblikken in balans te brengen met een vorm van ‘actuele’ eigenzinnigheid.
Niet verzanden in het persoonlijke voorbije, maar ook verrassend wenden naar
het minder persoonlijke. Bij dit late debuut is het mijmerende
oververtegenwoordigd. Ja, de voorraadkamer van de geest wordt nu eenmaal gemakkelijk
een stapelplaats van herinneringen. De meer ‘objectieve’ gedichten in deze
bundel vind ik het meest interessant. ‘Leie metamorfoses’ is een goed voorbeeld.
‘stenen
krijgen in elke bocht een eigen kleur
een rivier vloeit uit tot
penseelstreek
verboden
blaasjes in de verf spartelen
tot zwemmers, druppels klappen in
tot bootjes
pas
na drogen krijg je een kader
later een gouden rand voor wie na je
komt
[…]’
De impressionistische virtuositeit
van de Leie-schilders wordt hier tastbaar en tijdloos.
Als Van Miegelbeek de wereld
buiten hem observeert, komt hij met sterke beelden en een gevoel voor
tegenstellingen. In ‘Zakman’ voert hij een bekende Gentse dakloze ten tonele.
‘rijzig als
een Christus op gescheurde benen
draagt hij zon, regen en de geur
van vergeten dagen
met zich mee in gesponsorde zakken
achter hem geen
spoor, wat nadert komt in nevel
de kronkel in zijn stem, er volgt
geen uitleg
zijn thuis een tramhalte met een gapend dak
steengoed is de bank als brits voor wie niet weegt
een deken
van karton en plastic verhult de ijzige nacht
tram één glijdt aan in rood, geel en roze
als
was het een invitatie voor een feest
[…]’
Christus op gescheurde benen:
het is niet helemaal te begrijpen, maar wel waarachtig. Dat is natuurlijk een
kenmerk van interessante poëzie. Iets dat niet helemaal te begrijpen is, maar
wel goed aanvoelt. Ben benieuwd op welk spoor Van Miegelbeek verder gaat.
Hans Van Miegelbeek:
Een halte in de stroom, Archipel, Herzele 2025, 61 p. ISBN 9789090397818
deze pagina printen of opslaan