Wat de uitbuiting precies inhield, deed er voorlopig niet toe
Ik
lees het boek tegen heug en meug uit. Heeft vorig jaar de Deutscher
Buchpreis gewonnen, dus dat is een tamelijk onverwachte tegenvaller – dat
deze roman me zo verveelt, bedoel ik. Maar ik begrijp helemaal waarom hij
bekroond is. Hij zanikt op precies de juiste manier over dingen die het Duitse Kulturbetrieb
en de Duitse Feuilletons machtig belangrijk vinden. Hoe erg het toch is
dat wij blanke mensen (tief op met je ‘witte’) zo geprevi, geprivé, geprivili…
afijn, u weet wel zijn. En natuurlijk doen ‘wij’ niks anders dan de rest van de
wereld bestelen – o, wist u dat niet? En dat er in West-Afrika nog volop in
heksen en magie wordt geloofd? ‘Dat geloof was terug te voeren op de vele
evangelische stromingen die West-Afrika overspoelden, en die vermengd waren
geraakt met restanten van oude religies’ – kijk, weer wat geleerd!
Het uitgangspunt van
dit verhaal: Overdag verzorgt theatermaakster Juno, voor zover ze niet
uithuizig is wegens repetities en dergelijke, haar ernstig zieke man Jupiter.
’s Nachts, als ze weer eens niet kan slapen, chat ze met lovescammers op
Instagram. Die ze wel volle petrol voor de gek houdt. Door al de
verzinsels die ze zo opdist, ontsnapt Juno aan haar dagelijkse bestaan en de
zorgen over Jupiter. Tot ze op een dag aan de chat raakt met een Nigeriaanse
jongeman, Benu, die haar leugens doorziet. Ondanks de afstand ontstaat er een
onverwachte vriendschap tussen haar en deze lovescammer.
En dan een paar
citaten:
‘Ze belden altijd ’s nachts,
als Jupiter sliep, of series of voetbal lag te kijken. [...] [Juno] vond
zichzelf belachelijk en schaamde zich.
Ze maakte zichzelf wijs dat het artistieke
nieuwsgierigheid was. Wie weet waar de gesprekken met Benu ooit nog eens goed
voor zouden zijn. Misschien voor het toneelstuk waar ze nu eindelijk eens aan
wilde beginnen.
Toch was alles
aan de appgesprekken en het videobellen eigenlijk verkeerd. Hun contact was
gebaseerd op leugens, of liever gezegd: op onwaarheid. En uit onwaarheid volgde
alleen maar weer uitbuiting. Want dat was het uiteindelijk: Juno buitte Benu
uit en het deed er niet toe dat hij haar misschien ook nog steeds probeerde uit
te buiten. De ene uitbuiting rechtvaardigde de andere niet.’
‘Mensen wilden niet toegeven dat ze sterfelijk waren, maar ze wilden
vooral niet toegeven dat ze eenzaam waren.
De lovescammers wilden niet toegeven dat ze zich in
werkelijkheid klein maakten en zich net zo goed onderwierpen aan westerse
mechanismen van uitbuiting en hebzucht, omdat ze mensen uitknepen en afdankten.
Bovendien waren ook zij sterfelijk, hoeveel geld ze ook opstreken.’
‘Later zat ze achter haar bureau
om aan het toneelstuk te beginnen. Ze ramde er daadwerkelijk wat eerste woorden
uit, iets wat klonk als woedende mensen die door elkaar praatten, een koor van
uitgebuite zielen, zo zag ze het voor zich. Wat die uitbuiting precies inhield,
deed er voorlopig nog niet toe.’
‘De wereld bestond uit systemen
van uitbuiting, niets werd zomaar gedaan, zonder tegenprestatie, zonder een
doel dat uiteindelijk geld opleverde.’
Kortom:
de ene brave banaliteit na de andere van een typische Gutmensch. Ik ben
overigens erg gewonnen voor Gutmenschlichkeit (uiteraard niet te
verwarren met sentimentaliteit en domheid). Op gezever à la mode zit ik
daarentegen niet te wachten.
En
er gebeurt ook zo goed als helemaal niks in dit boek. Wat Martina Hefter
niet schijnt te zien (ze koketteert er zelf mee dat Juno alleen maar de vorm is
waarin ze zichzelf opvoert in deze roman, dus ik voel me niet verplicht
onderscheid te maken tussen haarzelf en haar romanpersonage) is hoe tamelijk
egocentrisch en oninteressant zij en haar bedenksels zijn. (Haar Juno zorgt,
alles welbeschouwd, wél goed voor Jupiter, dat moet gezegd – en nee, dat
spreekt niet vanzelf.)
Blijft
Jupiter (nog zoiets een tikkeltje irritants: alle personages, behalve
Benu, hebben namen uit de klassieke mythologie gekregen – Benu zelf is dan weer
een Oud-Egyptische dodengod, ‘een soort voorloper van de feniks. Benu bracht de
nacht door in [...] het dodenrijk, en herrees in het ochtendgloren als een
reiger.’ Nee, subtiel is Hefter niet), blijft dus Jupiter in leven? En wat
wordt er van die vreemde virtuele relatie tussen Juno en Benu? Dat zijn de twee
vragen die de verhaalontwikkeling, voor zover die er is, aandrijven. En ja hoor,
daar komt ook een antwoord op. Een dat heel goed bij dit boek past: je wordt er
warm noch koud van.
En deze
roman heeft vorig jaar dus niet alleen de Deutscher Buchpreis, maar
ook nog eens de Literaturpreis der Landeshauptstadt Wiesbaden, én de Großer
Preis des Deutschen Literaturfonds van Darmstadt, én de Prix Grand
Continent gewonnen? Wat een pijnlijk
gebrek aan oordeelsvermogen. Wat voor schaapachtig kuddegedrag. Wat een gênante
knieval voor niets anders dan goedmenende maar klootloze clichés. Voor de soort
literatuur die met een idioot lang dankwoord van bijna twee volle bladzijden
besluit (bijna altijd een veeg teken), waarin ook de overgevoeligheidslezer die
de schrijfster waarachtig ook ‘begeleid’ heeft bedankt wordt voor ‘zulke slimme
en zorgvuldige opmerkingen’ als hij gemaakt heeft. ‘Hij wees me op verborgen
machtsverschillen en vormen van discriminatie waar ik me niet van bewust was.
Deze openhartige samenwerking was een verrijkende en belangrijke ervaring.’ En
gaat nu allen heen in vrede.
Nog gauw iets over de vertaling:
die is redelijk, zij het zeker niet denderend (te veel zinloze veranderingen,
met name stilistische, naar mijn smaak), maar dat op zeker ogenblik ‘Schub’
– dat in de context (ziekte) ‘opstoot, aanval, insult’ betekent – tot viermaal
toe als… ‘schub’ is vertaald, en dat ook niemand op de redactie van de uitgever
dat opgemerkt lijkt te hebben (zoals nog een aantal andere, niet veel,
vervelende fouten in de tekst niet zijn opgemerkt): dat is toch echt wel kras.
Martina Hefter: Hé goedemorgen,
hoe gaat het?, Lebowski, Amsterdam, 222 p. ISBN 9789048876242. Vertaling van Hey
guten Morgen, wie geht es dir? door Lotte Lentes
deze pagina printen of opslaan