Thuishaven is het middelste boek waarmee uitgeverij
Meridiaan naar buiten komt in het kader van haar drieluik rond de Duitse Judith
Hermann (1970). Als eerste kwam Kiezels uit. Dit is gebaseerd op haar
literatuurlezingen aan de Goethe-universiteit in Frankfurt en gaat over het
(ver)zwijgen bij het schrijven.
Judith Hermann combineert daarbij persoonlijke met verhalende en fictieve elementen. In september volgt
binnen het drieluik nog een nieuwe vertaling van haar debuut Zomerhuis,
later. Met deze verhalenbundel uit 1998 over een groep jonge mensen aan de
aftrap van het volwassen leven, werd ze in Duitsland meteen omarmd als de stem
van een nieuwe generatie.
Thuishaven is Judith Hermanns tweede roman. Hij
verscheen ruim twintig jaar na haar debuut. De vertelster is achter in de
veertig. Ze is van de stad verhuisd naar een kustdorp aan de Oost-Friese
Waddenzee, nadat haar dochter het huis uit ging en zij zelf van haar echtgenoot
scheidde.
Niet
dat ze het met hem niet meer kon vinden. Zij wilde vooral voorkomen dat ze als
zijn echtgenote bij zijn dood wettelijk verplicht zou zijn om voor zijn archief
te zorgen. Hij, Otis, vergaat namelijk in de schijnbaar waardeloze voorwerpen
die hij op straat vindt en opknapt. Verder omringt hij zich met spullen die hij
denkt nodig te hebben wanneer de wereld vergaat. Ze wilde zich van hem
bevrijden en haar leven op een nieuwe leest schoeien, maar houdt tegelijk nog
contact: ‘Schrijf me. Vertel me wat je leest en wat je vindt, wat je doorgeeft
en wat je houdt, ik ben alleen en ik mis je heel erg.’
Ze is nochtans druk in de weer
met het zoeken naar een nieuwe weg om die tot de hare te maken. Haar stek aan
zee is een afgelegen, nogal bouwvallig huurhuisje. Het is karig ingericht en staat
aan een zandweg, die eindigt in de polder bij de dijk. Vijf dagen per week helpt
ze bij Sascha, haar oudere broer, die in het dorp een café runt. Ze lijkt wel
gekomen als geroepen, want zelf is Sascha met zijn hoofd amper bij het werk. De
oorzaak is de twintigjarige Nike. Het meisje is al van jongs af aan op de dool.
Hij is tot over zijn oren verliefd op haar, maar weet niet wat hij met het
geëxalteerde kind aan moet.
Na de eerste winter krijgt de vertelster een buurvrouw:
Mimi, een vrijmoedige kunstenares, die naar haar geboortedorp terugkeert. Ze schudt
het leven van de vertelster voortdurend op en brengt haar in contact met zowel
haar broer Arild, een zwijgzame varkenskweker, als met hun ouders.
Al deze personages
tasten elkaar af en groeien al dan niet naar elkaar toe. Tot zover is er niet
bijster veel nieuws onder de zon. Verrassender zijn hun verledens alsook de
manier waarop Judith Hermann die fragmentarisch aankaart. Zo doet de marterval
die Arild in het huisje van de ik-figuur opzet, haar aan een kist denken op een
belangrijke tweesprong in haar leven. Ze kreeg toen, dertig jaar eerder, de
kans om op een cruiseschip mee naar Singapore te reizen als assistente van een
goochelaar. Haar rol zou die zijn van de jonge vrouw, die in een kist zogenaamd
doormidden wordt gezaagd. Zou. Zou het? Hoe het ook in werkelijkheid wel of
niet is gelopen, de kist van de goochelaar staat niet alleen. Er is ook nog het
mondharmonicadoosje van Nike. Daar ligt een perfect opgebaard kikkerskelet in,
dat herinnert aan Nike’s traumatische kindertijd.
‘Het land is plat, alles wat
komt en gaat is duidelijk zichtbaar,’ stelt de vertelster op zeker moment. Dit
geldt eveneens voor wat er zoal gebeurt in Thuishaven. Tegelijk legt
Judith Hermann in een poëtisch-beeldende stijl brokstukken bloot van wat er
onder die oppervlakte speelt. Ook weeft ze als rode draad enkele in meer of
mindere mate geknechte, gekwelde, onvrije en/of mishandelde vrouwen door haar
verhaal. Die feministische vingerwijzing neemt niet weg dat Thuishaven luchtig
wegleest dankzij Judith Hermanns heldere en betoverende pen.
Judith Hermann: Thuishaven, Meridiaan, Amersfoort 2025. 197 p.
ISBN 9789493305380. Vertaling van Daheim door Herman Vinckers. Distributie De
Wolken
deze pagina printen of opslaan