Poëzie

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2025

Mahlu Mertens: Brooddoosomhelzing

door Yvan De Maesschalck

‘Er schuurt zand tussen mijn gedachten en alles is zout’.

Mahlu Mertens, die met haar debuutbundel Ik tape je een bed (De Zeef 2019) de eerste Zeef Poëzieprijs won in 2019, publiceerde onlangs haar tweede bundel bij dezelfde uitgeverij. Een vrij omvangrijke bundel die uit twee cycli, ‘wij (ev.)’ en ‘wij (mv.)’, is opgebouwd en luistert naar de intrigerende éénwoordtitel Brooddoosomhelzing. Een titel die desondanks een veelkantige lading dekt. Waar gaat deze in negen, meestal vrij korte reeksen uitwaaierende bundel over? Te oordelen naar de eerste cyclus: over hoe je omgaat met gemis, of met de ander die niet meteen op jouw golflengte surft, of nog, over hoe je jezelf blijft en je toch aan hem of haar overgeeft.
 
De eerste reeks ‘Inslaggaten’ evoceert de gewaarwordingen die gepaard gaan met het blijvend gemis van een overleden of voorgoed verdwenen dierbare. Het openingsgedicht ‘Verse rouw’ biedt het grotere plaatje, waarbij niets nog zijn gewone gang gaat: ‘De dag is verzakt. Ik schuifel omhoog. / Alles is nu bergop’. Een negatieve ervaring, die door allerlei ontkenningen sterk in de verf komt te staan in ‘Decemberlicht’: ‘Vandaag zal niemand schilderen’; ‘De nacht was zonder indigo’; ‘Niemand zet penseelstreken in de lucht’. Er is alleen nog een wereld waarin ‘alles behalve jij blijft’: het beeld van een lege ‘omtrek’ of gapend ‘gat’ is tekenend. Zoals een ‘uitgeleend boek’ of ‘uitgesleten gewoonte’, zo is de jij-figuur ‘weg’. Daarom ook: ‘Mijn boekenkast is een gebrekkig gebit, / de door jou geslagen gaten nog niet gevuld’. Wat overblijft, noemt Mertens in het gelijknamige gedicht ‘terugspoelboterhammen’. Wat de ik onderneemt, blijft een ‘hopeloze poging / om jouw brooddoosomhelzing terug te halen’.
 
Vanaf de tweede reeks ‘Modelbouw’ komen de spanningen die met elke relatie gepaard gaan scherp in beeld. De dominante metafoor, die in de derde reeks en ook daarna wordt doorgetrokken, is dramatisch of filmisch van aard. In ‘Illusionisten’ bevindt de lezer zich samen met de geïmpliceerde ik en jij – ‘we’ – op een denkbeeldige bühne: ‘Als goochelaars trekken we slierten plastic / uit elkaars mond’. In ‘Komt op, gaat af’ wordt de theatrale verhouding tussen een ‘man’ en ‘vrouw’ uitgetekend en komen ‘acteurs met vaste regels tekst’, ‘regieaanwijzingen’, de ‘eerstvolgende scène’, een ‘camera’ ter sprake. Nog krachtiger wordt de theatraliteit van het leven geëxpliciteerd in ‘Zeevonken’, dat de reeks ‘Uitkomst’ besluit. Het gaat om de evocatie van een nachtelijke zwempartij in zee, met ‘mijlen boven ons hoofd […] een strakgespannen theatergordijn’. Een beeld dat past bij ‘deze natuurlijke mise-en-scène’ waarin beide zwemmers ‘waterworstelen, / tot de afstand tussen naakt en naakt vol vonken staat’.
 
Even nachtelijk is ‘Insomnia’, waarin de – verpersoonlijkte – nacht de ik uitnodigt om op stap te gaan. Het surreële resultaat: ‘Ik lijn de maan aan, sjok door de straten’. Nadien is er de verbazing dat ‘de satelliet losschiet / en neerstort op de stoep’. Gebroken is de neergestorte maan niet, maar ze ‘[maakt] desondanks / het geluid van scherven glas’. Een even heerlijk als paradoxaal beeld waarin zintuiglijke gewaarwordingen over elkaar schuiven. Je vraagt je af: kan het eigenlijk nog theatraler? En jawel, dat kan zeker. De eerste cyclus eindigt met ‘Mogelijke verklaringen’, een reeks van elf suggestieve vergelijkingen, waarin de ik en jij zich ‘naakt’ aan elkaar overgeven. Verklaren doen ze nauwelijks, maar mogelijke intimiteiten aandragen des te meer. De slotvergelijking bij wijze van voorbeeld:
 
‘zoals je tepels lijnen van kippenvel trekken
als je lichaam over mij heen vloeit,
je jezelf over me uitgiet,
je geur als een film over me legt,
de afdruk van je vingers
een etiket in mijn nek’
 
In de tweede cyclus worden diverse vormen van oorbaar geacht gedrag in scène gezet én gecontesteerd. De enigszins abrupte overgang tussen beide cycli vormen de gedichten van ‘Etudes in vervreemding’: ‘Bruikleen’ en ‘Vreemd vel’. Daarin worden pogingen verbeeld om je eigen huid in te ruilen voor ‘het vel’ van iemand anders en je daarmee aan de ‘blikken’ van anderen bloot te stellen. De gedichten halen blanke clichés over het uiterlijk door de mangel en gispen het ‘witte’ systeem genadeloos: ‘Vanavond is de dresscode wit / in deze maatschappij. Morgen ook. / Met een kleur kom je het feest niet binnen’. Commentaar overbodig, lijkt me.
 
De reeks ‘Vakjesvandalen’ offreert vijf gedichten waarin diverse profielen van feminien – of feministisch – zelfbewustzijn oplichten. In de loop van het gedicht ‘De professor’, waarvan de titel wellicht mannelijk aandoet, worden ingesleten vooroordelen de kop ingedrukt. ‘Hoog tijd voor een verbouwing’, klinkt het krachtdadig. En daarop volgen deze genderbewuste verzen:
 
‘Trek het personage hakken aan, geef het make-up en een brein,
maar geen koffie om rond te brengen. Behoud de titel,
geef het tekst en een achtergrondverhaal,
 
laat haar welbespraakt en belezen zijn,
geef haar borsten, geef haar kinderen, toe, maar
maak haar geen hoer, geen moeder, die rollen is ze moe.
 
Nee, noem haar professor en onthoud haar naam.’
 
Uit de ‘opmerkingen’ achterin de bundel blijkt dat het gaat om Marysa Demoor, die tussen 1977 en 2024 Engelse literatuur doceerde aan de UGent en er op strijdbare wijze opkwam voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Dezelfde teneur kenmerkt de andere gedichten, die niet van enig sarcasme gespeend zijn. De dichter onderstreept hoe vrouwen zich in een bepaalde ‘rol’ moeten schikken en geeft het patriarchale systeem de volle laag. ‘Modelvrouw’ brengt de reeks op smaak: ‘Voor zijn dag begint, brengt zij lippenstift aan, / verstuift parfum, steekt haar krullen op’. Net halfweg hetzelfde gedicht: ‘In zijn verhaal eindigt haar rol daar / aan de voordeur’. ‘Sporen’ offreert een herkenbare familiescène op het strand en daarin fungeert de oudere zus van een kleuter als een verwerpelijk spiegelbeeld: ‘een zus die zelfbewust haar sprinkhaanbenen strekt, / zandkorrels van haar dijen veegt, de belofte van borsten weet, / het effect van traag slaande wimpers’. Wie als vrouw niet in het voorgekauwde lichaam past, zorgt blijkbaar voor verwarring, zoals in ‘Verkeerd vrouw’ wordt gethematiseerd: ‘Ze tellen haar op. De uitkomst klopt niet’.
 
De reeks ‘Verbinding verbroken’ toetst het systeem waarin alles wordt geïnventariseerd, gewikt en gewogen, op zijn waarde. En het verdict is hard, zelfs bikkelhard. In het gedicht ‘In memoriam’ staan volgende verzen: ‘We vinden geen plek meer om de doden te bewaren. / De harde schijf is vol, ons hart te klein’. ‘Sweatshop’ heeft iets weg van een schuldbekentenis, maar ontmaskert tegelijk het neoliberale marktprincipe dat winstbejag alle middelen heiligt: ‘Ik […] / voel hoe onzichtbare handen de stof / rond mijn lichaam vouwen, een verhaal / in braille in de naden naaiden’. Gedichten als ‘Queer fear’, dat de chaos bij een aanslag of ongeval tijdens een Gay Pride evoceert (‘De tweetonige sirene een minimalistische soundtrack’), ‘Bouwheren’ (‘pas in de grotemensenwereld doet bewapening ertoe’) en ‘Censuur’ illustreren welk ravijn er gaapt tussen (economische) macht en authentieke menselijkheid. Hoezeer die macht tot machteloosheid of defaitisme kan leiden, blijkt uit het laatstgenoemde gedicht, waarin het schrift wordt belaagd en als metafoor wordt ingezet voor de natuurlijke (wan)orde die gaandeweg wordt aangevreten: ‘Toen we eindelijk protesteerden / was er alleen nog een leger uitroeptekens’. Waarbij ‘leger’ hier zowel letterlijk als figuurlijk te nemen is.
 
Dat de werkelijkheid onherbergzaam is, blijkt bij uitstek uit de voorlaatste en laatste reeks: ‘Tijdelijk afwezig’ en ‘Traag geweld’. Het nonchalant weggesmeten ‘reddingsvest’ in het gelijknamige gedicht, dat ook verwijst naar ‘een krantenfoto’ van een aangespoeld ‘kinderlijk’, roept de volgende associatie op: ‘Ik ruik nog wel het zonnewarm rubber, maar er schuurt / zand tussen mijn gedachten en alles is zout’. Een schrijnende gedachte die contrasteert met de achteloze vermelding van ‘een zwemvest tekort’ in het computerspelgedicht ‘Avatar’. Wat vluchtelingen, die hun overtocht wél hebben overleefd, moeten gedogen bij grenscontrole of registratie, klinkt in ‘Het bureau van Escher’ zo: ‘Altijd bijna // aan de beurt. Maar het volgnummersysteem telt niet op’. Of zo: ‘In dit labyrintisch trappenhuis brengt elke tree omhoog // hem lager’. Paradoxen die kafkaësk aandoen, waar in ‘Slordig’ nog dit aan wordt toegevoegd:
 
‘Onderweg begon het. Zachte woorden bleven hangen
aan grensovergangen van prikkeldraad. Geneurie
overschreef teksten die ik niet meer zong. Steeds stiller
stelde ik mezelf gerust, tot mijn lippen een vissenbek waren.
 
Hier aangekomen sloot ik de taal op
in mijn mond, mijn speeksel conserveerwater.’
 
De bundel eindigt met ‘Traag geweld’, waarin de toneelmetafoor wordt geïroniseerd en de gewoonte gecontesteerd om mensen én dingen metrisch in kaart te brengen. In ‘Traag geweld’ wordt een als ‘levensecht’ ervaren avant-gardestuk, waarbij zelfs water ‘kolkte rond dure schoenen’, als nep of kitscherig doorprikt: ‘niemand durfde toe te geven dat we er niks van hadden begrepen’. Mertens zet, als fantasierijk maar nuchter dichter, de theatrale natuur van de mens te kijk en relativeert zijn rol. Dat doet ze in ‘Erfenis’, waarin ze een denkbeeldige ‘je’ aanspreekt en stelt dat ‘de optelsom van al jouw CO2-uitstoot’ niet meer is dan ‘wat druppels, maar toch // alles opgeteld een erfenis van eeuwen’. Even relativerend is ‘Apocalyps’, dat een beklemmend dystopisch toekomstbeeld van de wereld ophangt.
 
Gelukkig eindigt de bundel zelf niet apocalyptisch maar met het hoopgevende ‘Alles met longen’, dat zo begint: ‘Denk aan de lucht, / denk aan de zuurstof in de lucht, / denk aan de lucht in onze longen, / denk aan alles met longen’. Het slotvers luidt: ‘ergens in deze percussie, wij’. Het meervoudige slotakkoord van een knap gecomponeerde bundel waarin geen enkele valse noot te bespeuren valt.
 
Mahlu Mertens: Brooddoosomhelzing, De Zeef, 2025, Gent, 2025, 80 p. ISBN 978946457750 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De zwarte poel

Jan Vantoortelboom

Engelenbrood

Patti Smith

Het Nachtlicht

Erik Vlaminck

Sodomiet

Alexandre Vidal Porto

Wie is bang voor vrouwelijke kunstenaars? Belgische kunstenaressen van 1880 tot nu

Christiane Struyven

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 10, DECEMBER 2025

De geheime bibliotheek. Wie redt de magische boeken?

Nina George, Jens J. Kramer, Hauke Kock (ill.)

Kiki & ik

Leo Timmers

Peter Pan

J.M. Berrie, Floor Rieder (ill.)

Plassen op schrikdraad

Simon van der Geest, Karst-Janneke Rogaar (ill.)

Properzia

Jean-Claude Van Rijckeghem

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri