‘Er schuurt zand tussen mijn gedachten en alles is zout’.
Mahlu Mertens, die met haar debuutbundel Ik tape je een
bed (De Zeef 2019) de eerste Zeef Poëzieprijs won in 2019, publiceerde
onlangs haar tweede bundel bij dezelfde uitgeverij. Een vrij omvangrijke bundel
die uit twee cycli, ‘wij (ev.)’ en ‘wij (mv.)’, is opgebouwd en luistert naar
de intrigerende éénwoordtitel Brooddoosomhelzing. Een titel die
desondanks een veelkantige lading dekt. Waar gaat deze in negen, meestal vrij
korte reeksen uitwaaierende bundel over? Te oordelen naar de eerste cyclus: over
hoe je omgaat met gemis, of met de ander die niet meteen op jouw golflengte
surft, of nog, over hoe je jezelf blijft en je toch aan hem of haar overgeeft.
De eerste
reeks ‘Inslaggaten’ evoceert de gewaarwordingen die gepaard gaan met het
blijvend gemis van een overleden of voorgoed verdwenen dierbare. Het
openingsgedicht ‘Verse rouw’ biedt het grotere plaatje, waarbij niets nog zijn
gewone gang gaat: ‘De dag is verzakt. Ik schuifel omhoog. / Alles is nu
bergop’. Een negatieve ervaring, die door allerlei ontkenningen sterk in de verf
komt te staan in ‘Decemberlicht’: ‘Vandaag zal niemand schilderen’; ‘De nacht
was zonder indigo’; ‘Niemand zet penseelstreken in de lucht’. Er is alleen nog een
wereld waarin ‘alles behalve jij blijft’: het beeld van een lege ‘omtrek’ of
gapend ‘gat’ is tekenend. Zoals een ‘uitgeleend boek’ of ‘uitgesleten
gewoonte’, zo is de jij-figuur ‘weg’. Daarom ook: ‘Mijn boekenkast is een
gebrekkig gebit, / de door jou geslagen gaten nog niet gevuld’. Wat overblijft,
noemt Mertens in het gelijknamige gedicht ‘terugspoelboterhammen’. Wat de ik
onderneemt, blijft een ‘hopeloze poging / om jouw brooddoosomhelzing terug te
halen’.
Vanaf
de tweede reeks ‘Modelbouw’ komen de spanningen die met elke relatie gepaard
gaan scherp in beeld. De dominante metafoor, die in de derde reeks en ook
daarna wordt doorgetrokken, is dramatisch of filmisch van aard. In
‘Illusionisten’ bevindt de lezer zich samen met de geïmpliceerde ik en jij – ‘we’
– op een denkbeeldige bühne: ‘Als goochelaars trekken we slierten plastic / uit
elkaars mond’. In ‘Komt op, gaat af’ wordt de theatrale verhouding tussen een ‘man’
en ‘vrouw’ uitgetekend en komen ‘acteurs met vaste regels tekst’,
‘regieaanwijzingen’, de ‘eerstvolgende scène’, een ‘camera’ ter sprake. Nog krachtiger
wordt de theatraliteit van het leven geëxpliciteerd in ‘Zeevonken’, dat de
reeks ‘Uitkomst’ besluit. Het gaat om de evocatie van een nachtelijke zwempartij
in zee, met ‘mijlen boven ons hoofd […] een strakgespannen theatergordijn’. Een
beeld dat past bij ‘deze natuurlijke mise-en-scène’ waarin beide zwemmers ‘waterworstelen,
/ tot de afstand tussen naakt en naakt vol vonken staat’.
Even nachtelijk is ‘Insomnia’,
waarin de – verpersoonlijkte – nacht de ik uitnodigt om op stap te gaan. Het surreële
resultaat: ‘Ik lijn de maan aan, sjok door de straten’. Nadien is er de verbazing
dat ‘de satelliet losschiet / en neerstort op de stoep’. Gebroken is de
neergestorte maan niet, maar ze ‘[maakt] desondanks / het geluid van scherven
glas’. Een even heerlijk als paradoxaal beeld waarin zintuiglijke
gewaarwordingen over elkaar schuiven. Je vraagt je af: kan het eigenlijk nog
theatraler? En jawel, dat kan zeker. De eerste cyclus eindigt met ‘Mogelijke
verklaringen’, een reeks van elf suggestieve vergelijkingen, waarin de ik en
jij zich ‘naakt’ aan elkaar overgeven. Verklaren doen ze nauwelijks, maar mogelijke
intimiteiten aandragen des te meer. De slotvergelijking bij wijze van
voorbeeld:
‘zoals
je tepels lijnen van kippenvel trekken
als je lichaam over mij
heen vloeit,
je jezelf over me uitgiet,
je geur als
een film over me legt,
de afdruk van je vingers
een
etiket in mijn nek’
In de tweede cyclus worden diverse vormen van oorbaar geacht gedrag in scène
gezet én gecontesteerd. De enigszins abrupte overgang tussen beide cycli vormen
de gedichten van ‘Etudes in vervreemding’: ‘Bruikleen’ en ‘Vreemd vel’. Daarin
worden pogingen verbeeld om je eigen huid in te ruilen voor ‘het vel’ van
iemand anders en je daarmee aan de ‘blikken’ van anderen bloot te stellen. De
gedichten halen blanke clichés over het uiterlijk door de mangel en gispen het ‘witte’
systeem genadeloos: ‘Vanavond is de dresscode wit / in deze maatschappij.
Morgen ook. / Met een kleur kom je het feest niet binnen’. Commentaar
overbodig, lijkt me.
De reeks ‘Vakjesvandalen’ offreert vijf gedichten waarin diverse profielen
van feminien – of feministisch – zelfbewustzijn oplichten. In de loop van het
gedicht ‘De professor’, waarvan de titel wellicht mannelijk aandoet, worden ingesleten
vooroordelen de kop ingedrukt. ‘Hoog tijd voor een verbouwing’, klinkt het krachtdadig.
En daarop volgen deze genderbewuste verzen:
‘Trek het personage hakken aan,
geef het make-up en een brein,
maar geen koffie om rond te
brengen. Behoud de titel,
geef het tekst en een
achtergrondverhaal,
laat haar welbespraakt en belezen zijn,
geef haar borsten,
geef haar kinderen, toe, maar
maak haar geen hoer, geen moeder,
die rollen is ze moe.
Nee, noem haar professor en onthoud haar naam.’
Uit de ‘opmerkingen’
achterin de bundel blijkt dat het gaat om Marysa Demoor, die tussen 1977 en
2024 Engelse literatuur doceerde aan de UGent en er op strijdbare wijze opkwam
voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Dezelfde teneur kenmerkt de andere
gedichten, die niet van enig sarcasme gespeend zijn. De dichter onderstreept
hoe vrouwen zich in een bepaalde ‘rol’ moeten schikken en geeft het
patriarchale systeem de volle laag. ‘Modelvrouw’ brengt de reeks op smaak:
‘Voor zijn dag begint, brengt zij lippenstift aan, / verstuift parfum, steekt
haar krullen op’. Net halfweg hetzelfde gedicht: ‘In zijn verhaal eindigt haar
rol daar / aan de voordeur’. ‘Sporen’ offreert een herkenbare familiescène op
het strand en daarin fungeert de oudere zus van een kleuter als een verwerpelijk
spiegelbeeld: ‘een zus die zelfbewust haar sprinkhaanbenen strekt, /
zandkorrels van haar dijen veegt, de belofte van borsten weet, / het effect van
traag slaande wimpers’. Wie als vrouw niet in het voorgekauwde lichaam past,
zorgt blijkbaar voor verwarring, zoals in ‘Verkeerd vrouw’ wordt
gethematiseerd: ‘Ze tellen haar op. De uitkomst klopt niet’.
De reeks ‘Verbinding verbroken’ toetst
het systeem waarin alles wordt geïnventariseerd, gewikt en gewogen, op zijn
waarde. En het verdict is hard, zelfs bikkelhard. In het gedicht ‘In memoriam’
staan volgende verzen: ‘We vinden geen plek meer om de doden te bewaren. / De
harde schijf is vol, ons hart te klein’. ‘Sweatshop’ heeft iets weg van een
schuldbekentenis, maar ontmaskert tegelijk het neoliberale marktprincipe dat winstbejag
alle middelen heiligt: ‘Ik […] / voel hoe onzichtbare handen de stof / rond
mijn lichaam vouwen, een verhaal / in braille in de naden naaiden’. Gedichten
als ‘Queer fear’, dat de chaos bij een aanslag of ongeval tijdens een Gay Pride
evoceert (‘De tweetonige sirene een minimalistische soundtrack’), ‘Bouwheren’
(‘pas in de grotemensenwereld doet bewapening ertoe’) en ‘Censuur’ illustreren welk
ravijn er gaapt tussen (economische) macht en authentieke menselijkheid. Hoezeer
die macht tot machteloosheid of defaitisme kan leiden, blijkt uit het laatstgenoemde
gedicht, waarin het schrift wordt belaagd en als metafoor wordt ingezet voor de
natuurlijke (wan)orde die gaandeweg wordt aangevreten: ‘Toen we eindelijk
protesteerden / was er alleen nog een leger uitroeptekens’. Waarbij ‘leger’
hier zowel letterlijk als figuurlijk te nemen is.
Dat de werkelijkheid
onherbergzaam is, blijkt bij uitstek uit de voorlaatste en laatste reeks: ‘Tijdelijk
afwezig’ en ‘Traag geweld’. Het nonchalant weggesmeten ‘reddingsvest’ in het
gelijknamige gedicht, dat ook verwijst naar ‘een krantenfoto’ van een
aangespoeld ‘kinderlijk’, roept de volgende associatie op: ‘Ik ruik nog wel het
zonnewarm rubber, maar er schuurt / zand tussen mijn gedachten en alles is
zout’. Een schrijnende gedachte die contrasteert met de achteloze vermelding
van ‘een zwemvest tekort’ in het computerspelgedicht ‘Avatar’. Wat vluchtelingen,
die hun overtocht wél hebben overleefd, moeten gedogen bij grenscontrole of registratie,
klinkt in ‘Het bureau van Escher’ zo: ‘Altijd bijna // aan de beurt. Maar het
volgnummersysteem telt niet op’. Of zo: ‘In dit labyrintisch trappenhuis brengt
elke tree omhoog // hem lager’. Paradoxen die kafkaësk aandoen, waar in ‘Slordig’
nog dit aan wordt toegevoegd:
‘Onderweg begon het. Zachte woorden bleven hangen
aan grensovergangen van prikkeldraad. Geneurie
overschreef
teksten die ik niet meer zong. Steeds stiller
stelde ik mezelf
gerust, tot mijn lippen een vissenbek waren.
Hier aangekomen sloot ik de taal
op
in mijn mond, mijn speeksel conserveerwater.’
De bundel eindigt met ‘Traag
geweld’, waarin de toneelmetafoor wordt geïroniseerd en de gewoonte gecontesteerd
om mensen én dingen metrisch in kaart te brengen. In ‘Traag geweld’ wordt een
als ‘levensecht’ ervaren avant-gardestuk, waarbij zelfs water ‘kolkte rond dure
schoenen’, als nep of kitscherig doorprikt: ‘niemand durfde toe te geven dat we
er niks van hadden begrepen’. Mertens zet, als fantasierijk maar nuchter dichter,
de theatrale natuur van de mens te kijk en relativeert zijn rol. Dat doet ze in
‘Erfenis’, waarin ze een denkbeeldige ‘je’ aanspreekt en stelt dat ‘de optelsom
van al jouw CO2-uitstoot’ niet meer is dan ‘wat druppels, maar toch // alles
opgeteld een erfenis van eeuwen’. Even relativerend is ‘Apocalyps’, dat een beklemmend
dystopisch toekomstbeeld van de wereld ophangt.
Gelukkig eindigt de bundel zelf niet
apocalyptisch maar met het hoopgevende ‘Alles met longen’, dat zo begint: ‘Denk
aan de lucht, / denk aan de zuurstof in de lucht, / denk aan de lucht in onze
longen, / denk aan alles met longen’. Het slotvers luidt: ‘ergens in deze
percussie, wij’. Het meervoudige slotakkoord van een knap gecomponeerde bundel
waarin geen enkele valse noot te bespeuren valt.
Mahlu Mertens:
Brooddoosomhelzing, De Zeef, 2025, Gent, 2025, 80 p. ISBN 978946457750
deze pagina printen of opslaan