De Franse schrijfster Anne Serre (1960) debuteerde in
1992 en heeft inmiddels ruim vijftien romans op haar naam staan. Ze schrijft
ook kortverhalen en won in 2020 de Goncourt de la Nouvelle met de bundel Au
coeur d'un été tout en or. Onze allerliefste schrijvende oude dame (Vleugels
2022) is haar eerste roman die in het Nederlands is verschenen. Nu is er ook De
dwaas, de vertaling van haar novelle Le mat uit 2005.
De vertelster van De dwaas
kreeg ooit een set tarotkaarten van een goede vriend, maar veel weet ze in
feite nog altijd niet af van het spel. Niettemin heeft De dwaas of De nar, een
van de achtenzeventig kaarten, haar sindsdien nooit helemaal losgelaten. Ze
vindt het vreemd hoe hij ‘de stok waaraan zijn knapzak hangt op zijn
rechterschouder legt, ook al houdt hij de stok vast met zijn linkerhand. En het
is zo’n acrobatische gymnastiekoefening dat het zelfs in een zin moeilijk te
beschrijven valt: soms plaats ik de linkerhand voor de rechterschouder, soms de
stok voor de knapzak, dan draai ik de woorden om, probeer ik een andere
volgorde uit, maar nooit vind ik een goed evenwicht. DE DWAAS verhindert al van
meet af aan dat je alles fatsoenlijk opschrijft.’
De vertelster ziet in De dwaas
een grillige figuur, die steevast opschudding veroorzaakt, wanneer hij
passeert. Hij verandert daarenboven voortdurend van gedaante en vorm. Nu eens
is hij een afschuwelijke, dan weer een meesterlijke aanwezigheid. Daarnaast
heeft hij verschillende functies. Een pasklaar antwoord op wie of wat De dwaas
nu eigenlijk is, geeft ze dus niet. Hooguit vindt ze dat hij het midden houdt tussen
een schim en een zwerver en dat hij door zijn vreemde houding bovendien iets
heeft van een bezwerende fluitspeler, meer specifiek van de rattenvanger van
Hamelen of Orpheus.
Maar wanneer ze met haar geliefde Carl wandeltochten begint te maken,
verschijnt die ineens vanwege zijn stok en knapzak aan haar in de gedaante van
De dwaas: ‘En op een dag […], toen we over een holle weg onder de bomen liepen,
besefte ik dat ik met DE DWAAS aan het wandelen was en dat DE DWAAS niet alleen
Orpheus was, niet alleen de rattenvanger van Hamelen, niet alleen een schim of
een zwerver, maar dat hij ook de liefde was. En dat de liefde dus misschien al
die dingen tegelijk was.’
Deze dwaas is helemaal niet meer vijandig of beangstigend.
Integendeel. Carl wijst haar namelijk op dingen in het landschap die ze zelf
niet ziet, waardoor ze met meer houvast door het leven gaat. Meer nog, toen ze De
dwaas herkende in de persoon van Carl, vond ze het woord dat ontbrak in haar
vorige boek. Lange tijd werd ze al gekweld door dit woord dat zich hardnekkig verborgen
hield. Nu ze het eindelijk beet heeft, weet ze dat het de kiem is voor een
volgend boek. De tarotkaart De dwaas gaat overigens over kansen en
mogelijkheden, over het begin van iets.
Doordat de figuur op de
speelkaart versmelt met haar geliefde en hij op zijn beurt een man in haar boek
wil worden, raakt het echte leven van de vertelster verweven met fictie. Verder
linkt ze De dwaas aan personages en auteurs uit de wereldliteratuur, voor wie hij
in haar ogen evenmin een onbekende was, zoals Emma Bovary, Hans Castorp uit De
Toverberg en Virginia Woolf.
Anne Serre staat erom bekend dat ze de grenzen van het literair
haalbare tart. Haar enigmatische werk daagt je bijgevolg stevig uit. Haar bevreemdende
(ideeën)wereld maakt ook onmiskenbaar deel uit van De dwaas, waardoor deze
fragmentarische novelle iets heeft van een puzzel, waarbinnen je zelf met de
door haar aangereikte stukken aan de slag moet.
Anne Serre: De dwaas. HetMoet,
Amsterdam 2025. 47 p. ISBN 9789083455990. Vertaling van Le mat door Nathalie
Tabury. Distributie New Book Collective
deze pagina printen of opslaan