Satire
wekt de lach op omdat de mens zich een spiegel voorgehouden ziet. Het lijkt
erop dat het herkennen van de ‘satirische’ spiegel tegenwoordig niet zo
vanzelfsprekend is. Narcistische, egoïstische en andere domme gedragingen worden
steeds minder onderkend. Omdat het slecht gesteld is met de leesvaardigheid
verdwijnt immers het zelfstandig denken (lezen) en het daarmee vormen van een
mening over het menselijk bedrijf. De simpelheid wint terrein. Aan het eind van
de 18de eeuw boden de Lage Landen evenwel een uitstekende
voedingsbodem voor kritiek in de vorm van het maatschappijkritische hekeldicht.
Het begrip ‘dicht’ moet daarbij ruim opgevat worden als ‘geschrift’.
Geen betere
aanleiding voor het politiek gemotiveerde spotschrift als een tegenstelling
tussen twee wijd verspreide overtuigingen. In de toenmalige Republiek groeide,
onder invloed van onder meer de Verlichting en de Amerikaanse revolutie, een
weerstand tegen de regenteske bestuurscultuur waarvan stadhouder Willem V de belangrijkste
exponent was. De burgerij, die meer invloed eiste, stond tegenover de
stadhouder en zijn kliek van regenten: de patriotten daagden de Orangisten uit.
Van 1783 tot 1787 kregen de patriotten zo veel grond onder de voeten dat er een
burgeroorlog dreigde. Ingrijpen van buitenaf (een Pruisische legermacht) was
noodzakelijk om de aangetaste positie van Willem V te herstellen. In 1787 kwam
er aldus een eind aan de Nederlandse revolutie.
De satire Reize door het
Aapenland van een zekere J.A. Schasz M.D. verscheen in 1788 voor het eerst
in boekvorm. De schrijver gaf zich geenszins bloot met deze publicatie. De naam
Schasz werd al jarenlang door verschillende auteurs gebruikt om veilig hun uitgesproken
mening te kunnen verkondigen. De Schasz die de Reize het licht deed zien,
was in werkelijkheid de patriot Gerrit Paape (1752-1803). Dat Mijn reis door
het Apenland, een vakkundige en vloeiende hertaling van de Reize, met
een overhaaste vlucht begint, is veelzeggend. Paape was in september 1787
gevlucht voor de door Pruisen mogelijk gemaakte contrarevolutie.
Neerlandicus en
achttiende-eeuwkenner Peter Altena is verantwoordelijk voor de hertaling en het
uitgebreide nawoord. Met zijn hertaling maakt hij duidelijk dat Paapes spotschrift
tijdloos is. Zonder moeite herkent de moderne lezer allerlei menselijke
tekorten, ijdelheden en politieke trucjes en spelletjes. Niet dat mensen in dit
verhaal de meest in het oog springende handelende personages zijn. Het gaat
vooral om wat er in een merkwaardig soevereine apensamenleving speelt, een apenland
waar de menselijke verteller uiteindelijk een vorm van asiel vindt.
Bijna 240 jaar
geleden herkenden politieke vluchtelingen zich goed in dit vermakelijke verhaal.
Dat de aap er als menselijk in werd voorgesteld riep destijds natuurlijk ook de
gedachte van de mens als aap op. En er waren meer associatieve mogelijkheden:
de beschreven vergadercultuur van de apen en hun fascinatie voor uiterlijkheden
in plaats van voor innerlijkheden. Ook wordt in het begin van het verhaal, als
de vluchtende verteller net de grens van zijn land is gepasseerd (maar nog niet
in het Apenland is), de houding tegenover asielzoekers wreed-komisch geschetst.
Dit heerlijke
verhaal, waarin het bezit van een staart uitvoerig bediscussieerd wordt, zou
zich zomaar in onze tijd kunnen afspelen. Alleen de wijze van omgang met
vrouwen valt dan uit de toon. Altena heeft de ‘ruwe’ en niet zo respectvolle omgang
met vrouwen in zijn hertaling niet afgezwakt of toegedekt. Dit contrast laat
zien dat de beschaving in onze streken er in een paar eeuwen toch iets op
vooruit is gegaan.
J.A. Schasz M.D.: Mijn reis door het Apenland, Boom, Amsterdam 2025, 111
p. ISBN 9789024470471
deze pagina printen of opslaan