Paul Claes is de meest belezen
auteur uit ons taalgebied, maar onmiskenbaar is hij ook de meest prominente
nazaat van de klassieke literatuurvisie. Het feit dat hij een uitmuntend kenner
is van de modernistische tegentraditie staat daarmee niet in tegenspraak; in
dat modernisme heeft Claes als geen ander de verdoken erfenis van de klassieke
traditie en de literaire canon weten te traceren. Zijn studies over Rimbaud,
Rilke, Eliot en Claus zijn daarvan briljante illustraties.
Het hoeft dus niet te verbazen
dat Paul Claes, na vele jaren, een handboek publiceert over poëzie. Daarbij
gaat het hem nadrukkelijk niet om het aanreiken van eenvoudige recepten of het
formuleren van een eigen visie op poëzie en zijn schrijverschap, maar om het
inventariseren van de stijlverschijnselen zoals die eeuwenlang van generatie op
generatie werden overgeleverd. Die informatie is, zo blijkt uit dit boek, zowel
belangrijk voor schrijvers als voor lezers. Ze biedt de eersten een aantal
recepten die hun succes al ruimschoots hebben bewezen bij toonaangevende
voorgangers, terwijl lezers er de sleutels aantreffen om de ‘moeilijke’ poëzie
te doorgronden en nader te duiden. Claes’ situeert zijn eigen handboek in een
lange traditie, met in het Nederlandse taalgebied onder meer het belangrijke
boek van Wim Bronzwaer maar evenzeer een aantal handboeken voor aankomende
leraars uit het verleden.
Poëtica gaat terug op de
bijdragen die Paul Claes de afgelopen jaren in elke aflevering van de Poëziekrant
publiceerde. Die maakten deel uit van een systematisch overzicht dat hij
eindelijk in zijn geheel wordt gepresenteerd. De opbouw is op zich niet zo
verrassend. Het eerste hoofdstuk vertrekt van een definitie van poëzie. Claes
vertrekt hier van een lange lijst citaten van voorgangers en dichters die ieder
proberen het wezen van poëzie te omschrijven. De auteur houdt overigens enorm
van lijstjes, zoals liefhebbers van zijn werk weten, die doorgaans als zodanig
zonder enige commentaar worden gepresenteerd. Vervolgens ontwikkelt hij zijn
eigen model, dat sterk gebaseerd is op de structuralistische opvattingen van
Roman Jakobson. Voor hem was de taal in poëzie extra gemodelleerd om klank en
ritme zoveel mogelijk af te stemmen en de tekst zo complex mogelijk te maken.
Die interne visie koppelde hij echter ook aan een functionalistische
benadering: door die gesofisticeerde taalmechanismen komt volgens Jakobson taal
los van haar gangbare, communicatie gebruiksfunctie: lezers van poëzie gaan
meer ‘op de letter’ lezen en wat er staat beschouwen als een autonome
boodschap, uniek in haar verwoording. Het is Claes’ eigentijdse vertaling van
het aloude utile dulcique-principe, waarbij poëzie het aangename aan het
nuttige zou paren.
De daaropvolgende hoofdstukken analyseren nauwgezet de veelzijdigheid van
poëtische verschijnselen, zonder die synthetische visie echter uit het oog te
verliezen. Ook dat toont Paul Claes als een classicus, die niet terugschrikt om
gedichten ook kritisch en normatief te benaderen. Enerzijds worden diverse
genres van poëzie besproken: hier is aandacht voor lyrische, dramatische,
verhalende en didactische gedichten. Anderzijds stelt Claes enkele speciale
types voor (zoals de liefdeslyriek en de natuurlyriek) en besteedt hij aandacht
aan de strofebouw. De hoofdmoot van het betoog is evenwel gereserveerd voor de
structuur van poëzie: de rol van typografie en titels, de vele
stijlverschijnselen die in poëzie frequent opduiken, van de klankverbanden tot
de complexe beeldspraak. In al deze beschouwingen toont Claes zich een
deskundige gids, maar tegelijk houdt hij ook van beknoptheid: definities worden
gegeven (met een bewonderenswaardige precisie) en voorzien van een treffende
illustratie, maar veel meer dan dat treft de lezer hier niet aan. Uitvoerige beschouwingen,
laat staan een weergave van de discussies en de uiteenlopende opvattingen van
poëtica-specialisten zijn nauwelijks aan de orde. De informatie en de
systematiek overwegen in dit boek. Dat blijkt nog meer uit het slothoofdstuk
waar de evaluatie van poëzie en de functie van poëzie wordt besproken. Ook hier
presenteert Claes een eindig en bijzonder helder lijstje, terwijl de realiteit
vaak een nauwelijks te ontwarren kluwen van factoren laat zien. Zowel de
betekenisgeving als de waardering van gedichten zijn daarbij onderhevig aan
maatschappelijke en literaire gevoeligheden en modes. Claes weet dat als geen
ander, maar tegelijk gelooft hij oprecht in de fundamenten van de canon, in het
feit dat meesterwerken niet toevallig de tand des tijds hebben doorstaan, maar
die eeuwigheidswaarde hebben verworven op grond van hun intrinsieke literaire
kwaliteiten.
Die overtuiging maakt van deze Poëtica
een waardevol maar ook wel enigszins beperkt boek. Wie op zoek is naar
rijmsoorten en de correcte benaming voor een specifieke stijlfiguur is hier aan
het juiste adres: Paul Claes geeft de beknopte en correcte informatie (en is
doorgaans veel beter dan vergelijkbare websites). Wie echter op zoek is naar de
complexe verwevenheid van een literaire tekst, naar historische verschuivingen,
naar de opvattingen van opeenvolgende theoretici… blijft na de lectuur van dit
boek toch wel op zijn honger zitten. Een studie als die van Bronzwaer blijft
daarom ook nu nog haar waarde als handboek behouden. Dit nieuwe boek is een
uitstekend naslagwerk, maar niet meteen het definitieve tractaat over de
poëtische geheimen (zoals vroegere estheten het graag stelden).
Paul Claes: Poëtica.
ABC van de dichtkunst, Poëziecentum, Gent 2025, 176 p. ISBN 9789056553920
deze pagina printen of opslaan