Poëzie

BOEKEN NR. 1, SEPTEMBER 2015

Esther Jansma : Voor altijd ergens. Een eigen keuze uit de gedichten.

door Dirk De Geest

Esther Jansma is al sinds vele jaren een van de meest vooraanstaande dichteressen uit onze literatuur, maar ze is toch minder bekend dan bijvoorbeeld Eva Gerlach of Anna Enquist. Daarom is het goed dat de dichteres, na ruim een kwarteeuw dichterschap, deze bloemlezing samenstelde uit haar eigen oeuvre. Nadere toelichting bij die keuze krijgt de lezer niet – ook al heeft Jansma elders uitmuntend geschreven over haar bedoelingen met het schrijven van gedichten -, maar de teksten spreken voor zich. Ze lijken soms van een bedrieglijke eenvoud, maar die eerste indruk is verraderlijk. Hetzelfde kan trouwens gezegd worden van de illustratie op de kaft, die een veld vol veldbloemen laat zien: dat ogenschijnlijk idyllische natuurtafereel steekt af tegen de haast uitgegomde lucht. Het lijkt een romantisch beeld, maar Jansma’s poëzie is op geen enkel ogenblijk naïef-romantisch. Integendeel, meermaals heeft de dichteres het zelf in haar verzen over de onmogelijkheid, en ook de onwil, om dergelijke ‘eenvoudige’ sentimentele verzen te schrijven. Ze bepleit veeleer een poëzie die deze oorspronkelijke emoties en indrukken niet meteen ontkent, maar ze wel transformeert tot kunstwerken met een eigen finaliteit. Daartoe worden diverse strategieën ingezet. Aan de ene kant wordt het bewustzijn van de dichteres bij wat ze doet steevast onderstreept. Die reflectie is zelfs essentieel voor het dichterschap; dat wordt talrijke malen aangegeven. Tegelijk is er aan de andere kant permanent het besef dat poëzie slechts ontstaat door het creatieve gebruik van alle taalmogelijkheden. Daardoor wordt de werkelijkheid veranderd, maar tegelijk ook in sommige opzichten ‘zichzelf’: tegelijk begrijpelijk en ondoorzichtig.
Die spanning tussen naïviteit en bewustzijn, ontvankelijkheid en hard werken, is op vrijwel elke bladzijde van deze schitterende bloemlezing af te lezen. Het kleine kind wordt bijvoorbeeld, in een vers met de sprekende (en tegelijk ook ironische) titel ‘Dichtertje’, gekarakteriseerd als:  
 
‘Ze begint te lopen en ik loop haar achterna,  
omdat ze verstand heeft van de dingen  <br /> loopt ze voorop, ze begrijpt deze trap goed  
nu ze zo goed weet waar ze verstand van heeft.’  
 
In feite is het natuurlijk de dichteres zelf die om zo te zeggen haar eigen besef projecteert in het nog jonge kind, die zichzelf als het ware met terugwerkende kracht herkent. Tegelijk kent deze beschrijving een soort van vanzelfsprekendheid maar is ze bijzonder ingenieus opgebouwd, met typerende herhalingen en variaties, met ombuigingen van de taal en functionele enjambementen, met een wisseling van perspectief. Poëzie ligt, met andere woorden, in de geduldige transformatie van de anekdote en het leven tot een soort van symbolische samenhang. Daardoor wordt het ook mogelijk om trauma’s (bijvoorbeeld het overlijden van dierbaren) een plaats te geven. De taal zorgt voor invoeling, maar ook voor de levensnoodzakelijke afstand: ‘Het is er niet tot ik het bedenk / met een naam.’, staat er te lezen in het vers ‘Nominalisme’. Veelvuldig wordt in deze bloemlezing gezocht naar het precieze woord, gesproken of gezwegen, of zelfs geroepen.
Het dichterlijke ik verschijnt zo niet als een soort van goddelijke almacht, maar integendeel als een bijzonder kwetsbare persoon, als iemand die zich tracht te verschansen achter allerlei identiteiten en verhalen. Troost is er eveneens, want de bundel spreekt van een grote levenswil, een bijzondere kracht om met het onbegrijpelijke om te gaan, het onvoorziene. In die zin lijkt het erop dat de dichteres de menselijke haast vaak confronteert met het veel tragere, gestadige ritme van de natuur en de levenloze dingen. Daardoor is deze poëzie nergens nodeloos abstract, maar wordt de lezer integendeel op elke bladzijde geconfronteerd met woorden van vlees en bloed. De titel, Voor altijd ergens, drukt op een vrijwel perfecte wijze dat programma uit: de spanning tussen het afwezige en de wil om dat bij te houden. Als zodanig is het een uitgelezen beeld voor wat dit boek (en poëzie in het algemeen) in feite vermag. Wie houdt van levensvragen en van een ongemeen krachtige poëzie, kan deze bloemlezing gewoonweg niet ongelezen laten.
 
Amsterdam, Prometheus, 2015, 127 p. ISBN 9789044628050 


deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Baksteen

Femke Vindevogel

Brandingen

Paul Verrept

de Lach van de Sfinx

Frans Kuipers

Onder buren

Juli Zeh

Ons deel van de nacht

Mariana Enriquez

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Een leven vol kleur. Alles is kunst, als je maar goed kijkt

Cara Manes, Fatinha Ramos (ill.)

Ik wil een hond (en het maakt niet uit welke)

Kitty Crowther

Ik wil een wiegje worden zei de wilg

Bette Westera, Henriëtte Boerendans (ill.)

Vanaf hier kun je de hele wereld zien

Enne Koens, Maartje Kuiper (ill.)

Victorine

Jet van Overeem, Annemarie van Haeringen (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri