Poëzie

Annemieke Gerrist: Het volume van een logé

door Yvan de Maesschalck

In een intussen vergeten column, eerst gepubliceerd in het NRC Handelsblad en daarna opgenomen in Uren met Henk Broekhuis (1978), haalt Karel van het Reve het voorschrift onderuit dat schrijvers voor voldoende variatie in hun stijl moeten zorgen. Verwijzend naar onomstreden auteurs als Pascal en Homeros herinnert hij de lezer eraan dat schrijvers van wereldformaat zich juist wel vaak herhalen. Of Annemieke Gerrist de provocerende tekst van Van het Reve heeft gelezen is me onbekend, maar ze houdt in haar bundel Het volume van een logé in ieder geval geen rekening met eender welke regel die tot het arsenaal van (aankomende) dichters zou kunnen behoren.
Laat me even aanstippen wat ze nalaat te doen. Ze lijkt niet te houden van rijm, heeft niets op met klassieke strofes, maakt niet altijd duidelijk waar een gedicht eindigt of verdergaat, heeft lak aan dichterlijke taal en bijbehorende stijlfiguren, schuwt moeiteloos de drang naar stilistische finesse, componeert geen reeksen, lijkt nauwelijks symbolen te koesteren of enig respect op te brengen voor interpunctie, ritme of metrum. Als toonbeeld van een negatieve poëtica lijkt me dat te volstaan.
Voor wie deze onthutsende bundel een tweede, derde of vierde keer leest, rijst de vraag wat Gerrist dan wél doet om tot herlezing ervan aan te zetten. Ze introduceert van meet af aan een verkennende ik-figuur, die met de nodige verbazing zijn/haar omgeving (een huis, een zaal, een kamer) observeert en daarbij alle sociaal aanvaarde vooroordelen of idées reçues negeert. Het openingsgedicht ‘Toespraak voor de medemens’ zet meteen de toon:

De medemens, wat waren het er veel.
Stomverbaasd zag ik hen zitten, en zij deden alsof het de
[normaalste zaak
van de wereld was. Het was een donkere zaal waar zij, als
[uit eenzelfde blok
marmer gehouwen, met hun ruggen naar mij toe zaten.

Ik bekeek de ruggen om te zien of er ordening in was
[aangebracht.
Na een tijdje leek het erop dat de medemens was ingedeeld
[volgens de
richtlijnen van de mode:

Achterin zag ik de naakten.
Daarna kwamen er vellen en huiden.
Dan wol, katoen en linnen, en als laatste synthetica.

Toespraken, daar zijn er uitgerekend zes van in deze bundel — evenveel als in Shakespeares Hamlet, waarbij het hoofdpersonage tot het publiek spreekt, maar vooral tegen zichzelf. Diezelfde half afgewende, half naar het publiek toegekeerde toon treft me bij Gerrists toespraken. Behalve een tweede ‘Toespraak’ volgen nog een ‘Toespraak voor geboorte’, een ‘Toespraak voor het midden van het leven’, een ‘Toespraak voor de dood’ en een ‘Toespraak voor postuum’. Het lijkt wel of het leven in chronologische orde wordt overschouwd, tot even na de dood, al kan de ik-figuur van dat laatste moment geen hoogte krijgen, zoals uit de slottoespraak mag blijken:

Ik probeer me voor te stellen wie er onder die stenen liggen,
[hoe hun leven
eruitzag en hoe het leven er hierna uit zal zien.
Ik wil een stap zetten, maar blijf staan. Onder en boven de
[grond zijn we
eenvoudigweg verzameld en gescheiden. Deze zandvlakte
[is alles wat ik kan zien.

Tussen de toespraken in overheersen stiltes, ruimtes, afstanden en anonieme lichamen die zichzelf niet blootgeven. Het lijkt wel of ‘een groot, leeg huis’ de hoogst bereikbare graad van intimiteit etaleert. ‘Toespraak’ zegt het zo:

De stilte die heerst tussen letters en woorden.
Mensen die zich voegen op een groot plein, dichter naar
[elkaar toe,
op weg naar een ingang.
Een man prijst God, en ik loop tussen de mensen door over
[het plein,
naar de andere kant.
’s Ochtends opstaan, voorzichtig om het hoekje kijken. Een
[groot, leeg huis.
Waar is de gastheer, de gastvrouw en zijn ze wakker?
De ingang is groot en leeg. Het is warm en het ruikt anders.
Het huis waarin we logeren bestaat uit twee delen; een voor-
[en een achterhuis.
Er is een binnenplaats waar de gastvrouw koffie drinkt.

Veel meer dan een decor kan zo’n huis niet zijn. Het past perfect in het theatrale wereldbeeld dat Gerrist eropna houdt. Ze ontleent een aanzienlijk deel van haar register aan het jargon dat bij toneelopvoeringen hoort. Wie zich in het leven staande houdt, speelt een rol, desnoods ‘vermomd als levenskunstenaar’ of uitgerust met een gezicht dat ‘gekozen’ is uit ‘het rondlopend publiek om’ je ‘heen’. In deze kunstmatige wereld treden ook personages buiten de oevers van hun papieren bestaan. Madame Bovary herinnert zich de tot cliché verworden woorden die Flaubert over haar uitsprak en die werpt ze de ik-figuur voor de voeten. Maar zoals de lezer zich herinnert, is Madame Bovary ook altijd op weg naar een nieuw amoureus avontuur. ‘Een ontmoeting met Madame Bovary’ eindigt dan ook als volgt:

‘Heeft u haast?’ vroeg ik, klaar om mijn verhaal te vertellen
‘Eigenlijk wel,’ zei ze, ‘ik heb een afspraak. Hij heeft zelfs
[zijn eigen personeel
heb ik gehoord’
‘Veel plezier,’ zei ik, maar ze was al weg

Gerrist schrijft eigenzinnige, beeldloze poëzie waarvan het ideaal van de lege identiteit toch de centrale metafoor vormt. De meest visuele invulling ervan is te vinden in het titelgedicht. Een logé bestaat uit ‘minuscule deeltjes’ die […] ‘bewegen in golven’. Zoals het badwater waarmee ze haar eigen volume bepaalt: ‘De logé is in golven aanwezig, en zij is ook een golf van het bad’. Zo is ook deze bevreemdende, onlyrische poëzie een golf in de ‘minuscule deeltjes’ taal die haar omgeven. Ze dwingt de lezer met elke lezing iets nader naar zich toe, tot die wellicht deel gaat uitmaken van de naamloze figuren die deze teksten bevolken. Of elke lezer het geduld zal opbrengen daartoe over te gaan, lijkt me wel de vraag.



Annemieke Gerrist, Het volume van een logé, De Bezige Bij Amsterdam, 2014, 76 p., € 16,9. ISBN 9789023483038. Distributie: WPG Uitgevers

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2014

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Baksteen

Femke Vindevogel

Brandingen

Paul Verrept

de Lach van de Sfinx

Frans Kuipers

Onder buren

Juli Zeh

Ons deel van de nacht

Mariana Enriquez

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Een leven vol kleur. Alles is kunst, als je maar goed kijkt

Cara Manes, Fatinha Ramos (ill.)

Ik wil een hond (en het maakt niet uit welke)

Kitty Crowther

Ik wil een wiegje worden zei de wilg

Bette Westera, Henriëtte Boerendans (ill.)

Vanaf hier kun je de hele wereld zien

Enne Koens, Maartje Kuiper (ill.)

Victorine

Jet van Overeem, Annemarie van Haeringen (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri