Poëzie

Herman Rohaert: Som van toeval & ontroering

door Yvan de Maesschalck

Hoewel er geen vaste regels voor poëzie bestaan, geldt voor bijna alle gedichten toch dat hun slagkracht toeneemt naarmate ze de dingen weten te ‘benoemen door ze te ontwijken’, zoals Alfred Schaffer het ooit treffend formuleerde. Uitgerekend tegen die ‘ongeschreven wet’ zondigt Herman Rohaert nadrukkelijk in Som van toeval & ontroering.
De vijf reeksen van zijn bundel kunnen worden gelezen als mijmeringen bij het cyclische patroon van het leven. Op zijn beste momenten weet Rohaert de onophoudelijke reidans die leven omzet in dood (of omgekeerd) poëtisch te doen renderen, bijvoorbeeld in ‘Kadaver’ (‘In een bocht van het bospad loop je er / tegen aan, de geur, een zwart gedicht / van leven en dood’ en ‘Genesis’ (‘Zo kopieert schepping / werkelijkheid, kaatst / de bal terug, / oh hemelse / oh heidense / spiegel’).
Opvallend zijn de vele boomgedichten. De bomen die in deze verzen oprijzen vormen wellicht het vergankelijke, maar kostbare trait d’union tussen hemel en aarde: ‘met lange vingers / roeren ze de lucht, / de winterkruinen / van jarenhoge beuken’. Maar hoezeer bomen en planten de dichter ook beroeren, nergens komt hij nader in de buurt van een kosmisch nietigheidsbesef dan in ‘De vissers’:

De sterren staan te trillen in hun fittings
terwijl de zee haar schuimsnorren uitrolt
op het zand: wit stiksel op korrelzwart
fluweel. Nachtbries steekt op,
ze varen uit.

De maan, aspirine gedompeld in een
glas donkerte vaart mee, slaat
gade.

Dat ze niet kunnen zwemmen, verzwijgen
ze achter grijze stoppels.

Gevangen in sombere gedachten smachten ze naar
sigaretten en eerste zonnestralen die straks
weer strijken de roetsproeten van hun sloep.

Bovenstaand gedicht zou aan kracht winnen als de laatste strofe was weggelaten en het effectbejag minder gewild klonk. Die overdaad aan taal, bij alle pogingen pregnant te formuleren, smoort het poëtische vuur dat her en der wel degelijk smeult. Toch is het mogelijk om een fraaie bloemlezing geslaagde verzen of aanzetten tot gedichten te destilleren uit deze omvangrijke bundel. Er is materiaal te over om spaarzaam mee om te gaan en de al te descriptieve inslag terug te dringen. Dat geldt bij uitstek voor het schilderachtige slotgedicht ‘Seurat’, dat wellicht als pointe van de hele verzameling is bedoeld: ‘Zou het kunnen dat het / met geluk is als met het / pointillisme: er middenin, / met je neus erop, herken / je het niet, pas als je afstand / neemt, terugwijkt en kijkt, / zie je hoe onbeduidende stippen samenklitten tot / het te laat ontwaarde / verhaal’.
Ik heb spontaan de neiging het antwoord op die vraag binnensmonds te houden. Jammer genoeg doet de dichter net het omgekeerde en expliciteert hij het antwoord dat in de vraag besloten ligt. Wat hij in ‘SMS’ schrijft over ‘de schepen aan de kaai’, is van toepassing op heel wat van zijn gedichten: ze zijn ‘zwart en zwaar / van te veel zee’. Rohaerts gedichten zijn zwaar van te veel woorden. Hopelijk laat hij zich bij een volgende poging leiden door een kritischer gestemde sirene.

Herman Rohaert, Som van toeval & ontroering, P Leuven, 2014, 77 p., € 16. ISBN 9789491455377. Distributie: Uitgeverij P

Oorspronkelijk verschenen in de Leeswolf 2014

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Baksteen

Femke Vindevogel

Brandingen

Paul Verrept

de Lach van de Sfinx

Frans Kuipers

Onder buren

Juli Zeh

Ons deel van de nacht

Mariana Enriquez

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Een leven vol kleur. Alles is kunst, als je maar goed kijkt

Cara Manes, Fatinha Ramos (ill.)

Ik wil een hond (en het maakt niet uit welke)

Kitty Crowther

Ik wil een wiegje worden zei de wilg

Bette Westera, Henriëtte Boerendans (ill.)

Vanaf hier kun je de hele wereld zien

Enne Koens, Maartje Kuiper (ill.)

Victorine

Jet van Overeem, Annemarie van Haeringen (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri