Nederlands proza

Armando: Het wel en wee

door Erik de Smedt

In zijn poëzie neigde Armando altijd al naar pregnantie. Zijn proza wordt de laatste jaren steeds korter, getuige De haperende schepping (2003). Ook in deze bundel prozaschetsen en miniverhalen spelen de wisselvalligheden van het leven de hoofdrol, maar nu zoekt hij het minder in buitenissige fictie. "Ik wil vooral aandacht besteden aan de onbelangrijke voorvallen, dat zijn de voorvallen die achteloos voorbijsluipen, die tersluiks plaatsvinden." 
 
Een voorbijvarende binnenschipper krabt op z'n hoofd: is dat niet vermeldenswaard of is het een afgesproken teken? En wie gaf hem het bevel te krabben? Zo zitten we op zijn minst in de geest-lichaamproblematiek en volop in de semiotiek: iets is teken als het tot teken wordt verklaard, en dat hangt af van de beschouwer. Verwondering over het schijnbaar normale: het lichaam bijvoorbeeld, de zwaartekracht of de tijd. "Als je opzij kijkt, kun je de tijd zien lopen, met opgeheven hoofd, glimlachend, vol leedvermaak". Achterdocht over wat mensen kan bezielen, verbazing over het onverbiddelijke dat elk moment kan toeslaan. Een vrolijk pessimisme en de overtuiging dat het vergeefs zoeken is naar de zin van wat gebeurt, dat je het leven moet aanvaarden zoals het op je afkomt: dat vormt allemaal de grondtoon van deze schetsjes. 
 
"De binnenkant van de mens is een warboel vol valkuilen en drijfveren, vol raadsels en bulten, vol bederf en argwaan. De buitenkant van de binnenkant heeft men in musea gezet."
 
Dat blijken de kunstvoorwerpen te zijn. Veel van de vroegere Armando komt in deze stukjes bijeen: het intensiveren van de werkelijkheid uit de periode van de nieuwe stijl, de fascinatie voor geweld en machtsmisbruik van de kronieken uit Berlijn, de radicale verbazing over het meest vertrouwde uit 'Herenleed', de droogweg opgetekende Mensenpraat.
 
De schetsjes vragen behoorlijk wat zelfwerkzaamheid van de lezer. Wat op het eerste gezicht flauw en frustrerend is -- parabels zonder zin -- geeft pas bij een tweede of derde lezing en na doordenken zijn geestkracht prijs. Sommige stukjes bevatten iets te direct een boodschap, maar verrassen toch weer door een beeld: "De mens is eigenlijk niet veel meer dan een groeisel in een wachtlokaal". Voorts is er de subtiele ontregeling van het taalgebruik, waar Armando een meester in is, als hij het bijvoorbeeld heeft over 'wijdbeense gebouwen' of een zin schrijft als "En toen hij oud was, ging hij dood, maar dat was van tevoren afgesproken". Wie er niet tegen opziet een boek twee tot drie keer te lezen en aanvaardt dat verhaaltjes tegen de haren in strijken, kan aan deze 86 ontregelende stukjes een vreemdsoortig plezier beleven. 
 
Armando: Het wel en wee, Augustus, Amsterdam 2005, 106 p. ISBN 90-457-0283-5
 
Oorspronkelijk verschenen in De Leeswolf 2005 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 7, JULI 2020

Brieven in de nacht

Hoda Barakat

De onvolmaakten

Ewoud Kieft

De poort

Natsume Sōseki

Het verschroeide land

Emiliano Monge

Ieder zijn eigen meer

Nenad Joldeski

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 7, JULI 2020

Dick Bruna

Bruce Ingman, Ramona Reihill

Het boek van Jongen

Catherine Gilbert Murdock, Ian Schoenherr (ill.)

Ik heet Reinier en ons huis is afgebrand

Joke van Leeuwen

Offerkind

Rob Ruggenberg

Vogel Vliegop

Julia Donaldson, Catherine Rayner (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri