(Ter nagedachtenis van Machteld Bokhove.)
In Der dunkle Glanz der Freiheit, de
biografie van Andrea Stoll over Ingeborg Bachmann, beslaat de periode van
Bachmanns ontmoeting met Jack Hamesh amper anderhalve pagina. Niettemin is de
biografe stellig: de Engelse bezettingsofficier heeft het denken van de vroegrijpe
Bachmann voor altijd veranderd. Bij hun treffen ging het niet om chocolade en
zijden kousen, maar om iets fundamenteler: een intellectuele verwantschap
tussen een man die als jood aan de kant van de slachtoffers van het
nationaalsocialisme stond en de dochter van een overtuigd lid van de
Oostenrijkse nazipartij. Hun liefde voor literatuur bracht hen samen.
‘Het is de mooiste
zomer van mijn leven, en ook al word ik honderd jaar oud – het zal de mooiste
lente en zomer blijven.’ Het is een bijna klassieke zin waarmee Bachmann de
periode omschrijft waarin ze Hamesh heeft leren kennen in het Oostenrijkse Ober-Vellach
in 1945. De achttienjarige vrouw ontmoet de acht jaar oudere man bij de Field
Security Section, waar ze een paspoort komt aanvragen. Ze omschrijft hem als ‘klein
en nogal lelijk’. Bij latere ontmoetingen spreken ze over literatuur: Thomas
Mann, Stefan Zweig, Schnitzler en Hofmannstal. Bachmann schrijft:
‘Ik was zo gelukkig,
hij kent alles en hij heeft me gezegd dat hij nooit had gedacht dat hij in
Oostenrijk een jong meisje zou vinden dat ondanks de nazi-opvoeding dat
allemaal heeft gelezen. En opeens was alles anders, en ik heb hem alles verteld
over die boeken.’
Een evidente vriendschap is het niet. Jack Hamesh is een in 1938 uit Oostenrijk
verdreven Jood. Ingeborg Bachmann groeide op in een nazi-omgeving. In haar
dagboek is ze zich daar wel degelijk goed van bewust en toont ze zich
vastberaden:
‘Ze praten allemaal over mij, en
natuurlijk ook mijn hele familie. “Zij gaat met die Jood". En mammie is
natuurlijk heel nerveus vanwege het geroddel, en zij kan helemaal niet
begrijpen wat dat voor mij allemaal betekent. […] En ik heb haar gezegd dat ik
tien keer door Vellach en door Hermagor met hem op en neer ga lopen, en als
iedereen op zijn kop gaat staan, dan juist.’
De oorlog zal een constante
blijven in het werk van de Oostenrijkse. De sprakeloosheid en verstomming van
de historische uitzichtloosheid zal Bachmann ertoe aanzetten om steeds te
zoeken naar een talige betekenis om met het verleden om te gaan. Het zal steeds
de taal zijn die ze wil hernieuwen omdat een plat realisme niet meer kan
volstaan. In het eerste deel van haar Franfurter Vorlesungen gaat ze op
dit thema dieper in. Ze distantieert zich dus ook van Adorno die van mening was
dat elke vorm van poëzie niet meer mogelijk is na de Tweede Wereldoorlog.
Haar dagboek
beslaat maar zes DIN-A4-vellen. In de voorliggende uitgave zijn dat zestien
bladzijden. In het tweede deel schrijft Bachmann over de bevrijding van Hermagor
en Ober-Vellach, en de ontmoeting met Jack Hamesh. Het eerste deel is op zijn
minst even interessant. Daarin wordt het einde van de Tweede Wereldoorlog
beschreven en de naziperiode in Klagenfurt, de hoofdstad van het district
Karintië, waar Bachmann is opgegroeid.
Om militaire dienst in Polen te ontlopen, was Bachmann
verplicht om een vervangende studiedienst te doen. ‘Dat had ik nooit kunnen dromen,
dat die gehate Kweekschool mij ooit zou redden.’ Ze vermeldt het luchtalarm,
het vallen van de bommen en het zich verschansen in de schuilkelders. Wat van
groot belang is voor het begrijpen van haar latere oeuvre, is Bachmanns opstand
tegen het gezag. Zo is ze niet meer van plan de bunker in te gaan. ‘Ik heb een
luie stoel gezet in de tuin en ik lees. Ik heb me vast voorgenomen om door te
lezen als de bommen komen.’
Het eerste deel van
het dagboek eindigt met de belangrijke zin: ‘Nee, met de volwassenen valt niet
meer te praten.’ Vanaf Tijd in onderpand, haar eerste dichtbundel, tot
en met haar beroemde roman Malina, zal Bachmann zich afzetten tegen de ‘heren
“opvoeders”’, zoals Bachmann aan het einde van haar Oorlogsdagboek schrijft.
Het duidelijkst is dat in het beroemde droomhoofdstuk ‘De derde man’ in
laatstgenoemde roman. Daarin wordt een dochter door haar vader opgesloten in
een gaskamer. Er komt er een heel vader-dochtercomplex bloot te liggen dat zich
vertakt naar een vechten tegen elke patriarchale structuur zoals exemplarisch
tot uiting komt in de nationalistische Heimat-cultuur uit haar jeugd en het
schrikbewind van de Nazistische ‘opvoeders'. Zowel Hans Höller,
verantwoordelijk voor de Duitstalige uitgave, als vertaler Machteld Bokhove
schrijven hier meer over in hun respectievelijk nawoord en slotwoord. Höller
schrijft:
‘In
het oorlogsdagboek worden de moorddadige nazi-opvoeders nog buiten de familie
geplaatst, maar hoe later in haar werk, des te urgenter wordt de discussie met
“de vader", die zij als een maatschappelijk instituut presenteert, van wie
zij een “grote persoon” maakt, een “figuur die uitvoert wat de maatschappij uitvoert”’.
Het korte Oorlogsdagboek
wordt gevolgd door de elf brieven die Jack Hamesh aan Ingeborg Bachmann stuurde
na zijn vertrek uit Oostenrijk. De brieven van Bachmann zijn niet bewaard
gebleven. Uit de wat stuntelige brieven komt een beeld tevoorschijn van een
ontwortelde man die zijn heil zoekt in de nieuwe joodse staat in Palestina. Daarbij
wil of kan hij het onrecht dat de oorspronkelijke bewoners van Palestina wordt
aangedaan, niet zien. Hij hoopt zijn Inge ooit terug te zien want ook zij
betekende een keerpunt in zijn leven. Maar zijn liefde heeft Bachmann nooit beantwoord.
En ondanks het nazisme van haar vader, bewaart hij de beste herinneringen aan
het hele gezin. Een mooi citaat:
‘Maar jij lieve Inge hebt me in veel dingen geholpen. Want
ik had al in veel dingen mijn geloof verloren. Maar door jouw toedoen zag ik in
dat je niet alles door dezelfde bril moet bekijken. Pas door jou zag ik in dat
het toch nog de moeite waard is om in mensen te geloven. Niet in allemaal, in weinigen
in enkelen in jou.’
Het Oorlogsdagboek is pas laat gevonden in de privénalatenschap
van Bachmann. Het werd voor het eerst getoond in de tentoonstelling Ingeborg
Bachmann. Schreiben gegen den Krieg / Ingeborg Bachmann. Writing against War
en afgedrukt in de catalogus bij de tentoonstelling. Het verscheen bij Suhrkamp
Verlag in 2010. De Nederlandse vertaling is een verzorgd uitgegeven boek met
stofomslag en bevat enkele illustraties.
Ingeborg Bachmann:
Oorlogsdagboek, Koppernik, Amsterdam 2020, 128 p. ill. ISBN 9789492313942. Vertaling
van Kriegstagebuch. Mit
Briefen von Jack Hamesh an Ingeborg
Bachmann door Machteld
Bokhove. Distributie Elkedagboeken
deze pagina printen of opslaan