Vertaald proza

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2020

Gellu Naum: Zenobia

door Kris Velter

Zenobia is een hoogtepunt in het werk van de Roemeense surrealistische auteur Gellu Naum (1915-2001). Het is een laat werk uit 1985 waarin Naum de thema’s en motieven uit zijn voorgaand werk herneemt en tot een apotheose smeedt. De titel verwijst naar het alter ego van Lygia Alexandrescu, die meer dan een halve eeuw de levensgezellin van Naum is geweest. De roman moet dan ook worden gezien als een eerbetoon en als een liefdesroman. Maar het is ook veel meer dan dat.   

Gellu Naum wordt weleens de eerste en de laatste surrealistische auteur van Roemenië genoemd. Boekarest werd tijdens het interbellum als ‘Klein-Parijs’ omschreven vanwege de vele contacten en de daarmee gepaard gaande kruisbestuivingen met en tussen Parijse en Roemeense kunstenaars. Na zijn studies wijsbegeerte aan de universiteit van Boekarest trok Naum naar Parijs om aan de Sorbonne een proefschrift te schrijven over de middeleeuwse Franse theoloog Pierre Abélard. Hij verdiepte zich tevens in alchemistische teksten. Dit zal in zijn werk, en zeker ook in Zenobia, sporen nalaten. Het spreekt voor zich dat Gellu Naum in Parijs in contact kwam met surrealistische kunstenaars als André Breton en René Char, maar ook met zijn landgenoten Jacques Hérold en Gherasim Luca.
 
Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog richtte Naum samen met Luca en enkele gelijkgestemden de Roemeense surrealistische groep op. Tijdens de oorlog bleef het stil, maar vanaf 1945 volgden talrijke publicaties in het Roemeens en het Frans en werden meerdere tentoonstellingen op poten gezet. Tijdens de communistische bezetting wou Naum literair overleven en schreef hij werk dat aan de heersende sociaal-realistische norm voldeed. In zijn verzameld werk zijn de werken uit deze periode niet opgenomen. Vanaf eind jaren zestig van de vorige eeuw sloot het werk van Naum terug aan bij zijn surrealistisch werk. Dat zal zo blijven tot aan zijn dood in 2001.
 
Zenobia is een experiment, een literair werk dat zich expliciet inschrijft in de surrealistische traditie waarin het onderscheid tussen droom en realiteit, het banale en het verhevene, de ratio en het gevoel wordt opgegeven. Het is een visioen. Toch is er een rudimentaire narratieve structuur terug te vinden. De roman vangt aan tegen het decor van een moeras. In het daargelegen huis van de heer Sima ontmoet de ik-figuur, die Naum heet en trekken van de auteur heeft, twee jonge heren, Iason en Petru, alsook een meisje dat hij beslist Zenobia te noemen: 
 
“Lieverd,” zei ik zachtjes tegen het meisje, “omdat ik niet weet hoe je heet, zal ik je Zenobia noemen, en je moet weten dat ik van je hou, meer dan men zich kan voorstellen […].”
 
De laatste persoon in het huis is Dragoş, een oude man, die languit op een tafel ligt; het is oorspronkelijk niet geheel duidelijk of hij slaapt of dood is. Deze personen zullen verder in het boek nog opduiken.  
 
Het is weinig belangrijk om hier het verhaal samen te vatten. Zenobia is een roman die ondergaan en niet zozeer begrepen of rationeel benaderd moet worden. Daar wordt in de tekst ook op gewezen, waardoor meteen een metastructuur wordt aangebracht. Naum schrijft In Zenobia: ‘In feite was ik niet geïnteresseerd in begrijpen of uitleggen.’ Over het begrijpen: ‘[In] het begin wilde ik koppig begrijpen in de gebruikelijke zin van het woord, maar dat begrip kon enkel zeer verre echo’s raken van wat amper nog flakkerende, als verkwijnende stralen […].’ Zenobia behoedt de ik-figuur voor een uitleg of verklaringen: ‘We wisten allebei dat we geen behoefte hadden aan formuleren, maar aan leven in overeenstemming met de voorvoelde wereld waar we ons allebei voor openstelden […].’ Betekenissen, waarheden en systemen zijn nooit in overeenstemming met het universum van de roman Zenobia in het bijzonder en het surrealisme in het algemeen.
 
Daarbij aansluitend is ook een groot aantal passages te vinden waarin de auteur verwijst naar ‘waarheid’. Waarheden worden steeds vervangen door andere waarheden en worden zo door elkaar opgeheven, maar op hetzelfde moment zijn alle waarheden toch geloofwaardig. ‘Natuurlijk, in wat ik zeg (of schrijf, want het schijnt dat ik schrijf) gaat het niet om waarheden als zodanig, maar om waarheden van alle slag […].’ Ook het kiezen voor de fantasierijke teksten van alchemisten als Meester Eckhard of Cornelius Agrippa boven geschriften van traditionele wetenschappers, iets dat Naum letterlijk doet in Zenobia, moet in deze context worden begrepen.
 
Hoewel de Roemeense auteur beïnvloed is door het surrealisme, wil hij zich toch buiten de literatuur plaatsen – iets dat natuurlijk nooit kan lukken. Wel past hij zijn woordenschat aan en spreekt denigrerend over ‘pohezie’ en ‘pohemen’, en dat doet hij ook in Zenobia. Hij wijst de pohezie af, maar schrijft toch ook zelf pohemen. Hij heeft een afkeer van kranten en spreekt over artikelen in termen van ‘vulgariteit’ en ‘monsterlijke pornografie’, maar toch wordt de tekst in Zenobia afgewisseld met korte artikelen uit kranten. Ook de ‘boekgewrochten van het moment’ worden omschreven als ‘solide geconstrueerde urinoirs, voorzien van subtiele, uiterst geperfectioneerde leidingen met kranen waaruit de theorie stroomde en de poëzie krabbelde, je werd er kotsmisselijk van, en ze waren zo rigide, altijd klaar om zich met hun houten kaken in je vast te bijten  […].’
 
Maar niemand kan er omheen dat ook Zenobia een boek is. Naum: ‘[Ik] heb het gevoel dat ik me bezondig aan het schrijven van zoiets als een homan, wat me vreselijk op de zenuwen werkt [...].’ Het zijn dergelijke tegenstrijdigheden die geen tegenstrijdigheden willen zijn omdat ze enkel bestaan binnen een rationele context. De literatuur van Naum moet eerder met de zintuigen worden gelezen dan met het verstand. In een surrealistische droomwereld is immers per definitie alles mogelijk. Volgens Naum is alles bestendig en omkeerbaar, zeker en bedrieglijk.
 
In Zenobia heersen andere wetten dan in conventionele romans. Er duiken wezens op met lichtgevende handen en doorschijnende gezichten, het is niet altijd duidelijk of iemand leeft of dood is, er wordt gespeeld met tijd en ruimte. Wie bereid is om zich open te stellen voor een compleet nieuw universum, waarin niet alles kan en moet worden begrepen, waarin waarheden wankel zijn en wijsgerige terzijdes deel uitmaken van de tekst, zal in Zenobia een roman vinden die geen roman is en zal als lezer de schouders optrekken en glimlachen omdat literatuur ook gewoon zot mooi kan zijn.  
 
De vertaling en het nawoord zijn van Jan H. Mysjkin. Bij Uitgeverij Vleugels verscheen ook een selectie van de poëzie van Gellu Naum onder de titel De andere kant. De vertaling is eveneens van Mysjkin.
 
Gellu Naum: Zenobia, Vleugels, Bleiswijk 2020, 224 p. ISBN 9789493186194. Vertaling van Zenobia door Jan H. Mysjkin 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2021

De gast uit het Rifgebergte

Khalid Mourigh

De hemelproef

Olli Jalonen

Dingen die je meeneemt op reis

Aroa Moreno Durán

Kraaien in het paradijs

Ellen de Bruin

Oude afdekkerij

Wolfgang Hilbig

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2021

De eik was hier

Bibi Dumon Tak, Marije Tolman (ill.)

Fruitvliegje

Geert Vervaeke

Misschien…

Chris Haughton

Noem me Nathan

Catherine Castro, Quentin Zuttion (ill.)

Witje

Paul de Moor, Kaatje Vermeire (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri