Nederlands proza

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2020

Ilja Leonard Pfeijffer: Quarantaine. Dagboek in tijden van besmetting

door Carl De Strycker

De leegte beschrijven, maar de leegte blijft   

Een van de belangrijkste thema’s van Ilja Leonard Pfeijffer is de verhouding tussen feit en fictie. De grenzen tussen spel en realiteit, waarheid en leugen, werkelijkheid en illusie worden in zijn werk ter discussie gesteld. Daarenboven is Pfeijffer een meester in ironie, de retorische truc waarmee hij die thematiek onderstreept, want door het gebruik ervan wordt wat je zegt op losse schroeven gezet: je beweert iets, maar bedoelt het tegendeel – of toch niet? Door de ambiguïteit van ironie wordt de waarheid ongrijpbaar. Aan die uitgangspunten twijfelde Pfeijffer vorig jaar openlijk met het essay Ondraaglijke lichtheid. Over nut en nadeel van de ironie voor het leven. Het wantrouwen ertegenover blijkt nog gegroeid in Quarantaine. Dagboek in tijden van besmetting, een bundeling van de stukjes die hij vanuit Genua schreef voor NRC Handelsblad en De Standaard tijdens de eerste golf van de corona-pandemie.
 
In een dagboekaantekening d.d. 26/4/2020 die niet in de krant verscheen, eigenlijk een poëticaal stukje over de reden waarom hij er in deze omstandigheden niet toe komt om poëzie te schrijven, beschouwt Pfeijffer zich als een chroniqueur met een opdracht:  
 
‘Het helpt mij te denken dat het nuttig is om mijn lezers in het verre, nonchalante vaderland te informeren over de ontwikkelingen in Italië, dat de jammerlijke voorhoede van de strijd tegen het virus.’
 
De gezondheidssituatie en haar gevolgen zijn te ernstig om er als een speelvogel van de taal mee om te gaan of er in ironische termen over te berichten. Nog vroeg in het dagboek noteert Pfeijffer: ‘Het virus heeft de wereld omgekeerd.’ Dat noopt tot een radicaal andere aanpak dan diegene die de schrijver voorheen hanteerde en die er precies in bestond om met behulp van de vermenging van werkelijkheid en fantasie en het gebruik van ironie alles op zijn kop te zetten. ‘Omdat zij begin maart voor het eerst iets van mij las wat niet ironisch was, heeft zij de ernst ingezien’, noteert Pfeijffer over de directrice van zijn uitgeefconcern. En: ‘Als ik eerlijk ben, kan ik niet ironisch zijn.’ Daarmee brengt Pfeijffer in Quarantaine in de praktijk wat hij al eerder in Idyllen (De Arbeiderspers 2019) en Ondraaglijke lichtheid formuleerde: de schrijver moet in alle ernst zeggen waarop het staat en daarbij geen ruimte voor twijfel laten.
 
Pfeijffer begint zijn relaas vanuit Italië – in de eerste golf het zwaarst getroffen land ter wereld – een week voordat wij hier in lock down gingen als een soort waarschuwing. Ook hij had het virus aanvankelijk onderschat, ook hij dacht dat het maar een griepje was, maar dat is een vergissing. Hij meldt schrijnende toestanden: een vrouw van wie de echtgenoot sterft maar niet wordt opgehaald, waardoor ze dagenlang bij zijn lijk moet leven en dan maar veel tijd op het terras doorbrengt; mensen die met een speelgoedhond gaan wandelen om toch maar even buiten te kunnen; een familielid dat sterft aan de ziekte zonder dat zijn verwanten hem nog hebben kunnen zien; de grote angst om zelf besmet te raken. Het zijn verhalen die hier telkens met ongeveer een week vertraging helaas ook werkelijkheid werden. Niet alle stukjes zijn even briljant, soms zijn ze rommelig en bevatten ze slechts een aantal losse gedachten, maar dat heeft te maken met wat Pfeijffer optekent in een metareflectie:
 
‘Ik moet de stilte beschrijven. Mijn paradoxale opdracht is een dagboek bij te houden over een periode waarin alle dagen eender zijn.’
 
Het sterkst is Pfeijffer wanneer hij zich in het korte bestek van telkens 300 woorden ontpopt tot cultuurcriticus. Zijn conclusies hier sluiten aan bij de genadeloze analyse die hij in Grand Hotel Europa maakte over het oude continent dat aan een gevaarlijke zelfvoldaanheid ten onder lijkt te gaan. Naar aanleiding van de weigering van onder andere Nederland, samen met Oostenrijk een voortrekker van de gierige vier binnen de Europese Unie die steun aan het Zuiden van het werelddeel bleven blokkeren, schrijft Pfeijffer:
 
‘Europa heeft een afspraak met de geschiedenis. Als […] er ooit een moment was om te laten zien wat Europa betekent, is het nu.’
 
Een paar dagen later constateert hij: ‘Maar iedereen in Europa denkt alleen aan zichzelf.’ Die egoïstische reflex wordt verbonden met het vervangen van de zingevingssystemen door het neokapitalisme:
 
‘Eeuwenlang is ons bestaan getekend door pogingen om zin te geven aan onze sterfelijkheid. Tegenwoordig zien we onze dood als een technisch defect, een ontwerpfout in de hardware, waarvoor technische oplossingen moeten bestaan. Omdat spirituele waarden in ons neoliberale systeem letterlijk waardeloos worden geacht, zien we ons gereduceerd tot ons lichaam. Consumeren is onze bestemming en daarvoor hebben we niets anders nodig dan ons lichaam.’
 
Pfeijffer beschrijft hier de hybris van het economische systeem dat gedreven wordt door ongebreideld hedonisme. Niet alleen is dat een hersenloos decadentisme, maar het blijkt ook een erg wankele basis te hebben: ‘Eén lullig, microscopisch klein virus sloeg onze illusie van controle aan diggelen. Dat verklaarde onze paniek en onze buitensporige reactie.’
 
Daartegenover stelt hij het schrijven: ‘Dit dagboek biedt mij houvast. Het helpt om de leegte te beschrijven, maar de leegte blijft.’ Literatuur structureert de chaotische werkelijkheid. Figuurlijk, in de zin dat het schrijven van de stukjes zin aan het bestaan geeft en helpt om greep te krijgen op de situatie, maar ook letterlijk. In de betekenis namelijk van het ordenen van het materiaal uit de realiteit. Want hoe waarheidsgetrouw Pfeijffer ook bericht, zijn verslag blijft een constructie. Door de eloquentie ervan, maar ook door de wijze waarop hij het boek componeert: Pasen is de drieëndertigste dag van zijn aantekeningen; het cruciale poëticale stukje dat ik hierboven aanhaalde verscheen niet in de krant; en in de stukjes die in het boek op zaterdagen zijn gedagtekend (en die niet eerder verschenen omdat er geen dagblad is op zondag en Pfeijffers stukjes telkens met een dag vertraging werden gepubliceerd) wordt een geheel nieuwe verhaallijn geïntroduceerd: over de pericelen rond de nieuwe woning die de schrijver en zijn geliefde hebben gekocht en aan het verbouwen zijn.
 
In zijn bundel Idyllen waarschuwde Pfeijffer met het beeld ‘de winter komt’ voor het onheil dat Europa in de nabije toekomst te wachten stond. In Grand Hotel Europa werd duidelijk hoe de auteur dat zag: het continent zou irrelevant worden omdat het vast zat in zijn verleden. Dat een virus de ontwrichting van ons wereldbeeld zou betekenen, had Pfeijffer zich vast niet kunnen inbeelden. Wat daarvan de directe, verwoestende gevolgen zijn (de vele doden, de psychische impact, de economische ravage) daarvan doet hij relaas in Quarantaine. Dat doet hij evenwel niet zonder de hoop dat het een wake up call is voor de wijze waarop wij vandaag de dag in het leven staan. Zo stelt hij bijvoorbeeld ter discussie wat hij de ‘imbeciele hoogmis van het grootkapitaal’ noemt: ‘Gaan we het voetbal en zijn miljoenencontracten, na tienduizenden doden en een economische ineenstorting, nu werkelijk als gedachteloze en infantiele consumenten opnieuw belangrijk vinden?’ Of hij stelt vast dat, nu we niet meer kunnen reizen, ‘de wereld door het virus weer groot is geworden’ in plaats van een mondiaal dorp. Daarmee is Quarantaine niet alleen de kroniek van de eerste lock down, maar ook en vooral een oproep om onze manier van leven te veranderen. Dat waren Idyllen en Grand Hotel Europa ook al, maar in Quarantaine doet Pfeijffer dat voor het eerst expliciet.
 
Ilja Leonard Pfeijffer: Quarantaine. Dagboek in tijden van besmetting, De Arbeiderspers, Amsterdam 2020, 228 p., ISBN 9789029540230. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2021

De gast uit het Rifgebergte

Khalid Mourigh

De hemelproef

Olli Jalonen

Dingen die je meeneemt op reis

Aroa Moreno Durán

Kraaien in het paradijs

Ellen de Bruin

Oude afdekkerij

Wolfgang Hilbig

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2021

De eik was hier

Bibi Dumon Tak, Marije Tolman (ill.)

Fruitvliegje

Geert Vervaeke

Misschien…

Chris Haughton

Noem me Nathan

Catherine Castro, Quentin Zuttion (ill.)

Witje

Paul de Moor, Kaatje Vermeire (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri