Vertaald proza

BOEKEN NR. 11, DECEMBER 2020

Uwe Johnson: Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage

door Herman Jacobs

Het kind dat ik was   

‘Je zou haast zeggen dat hij zich met dat boek de dood in heeft geschreven,’ zoals – en zij was niet de enige – Margarethe von Trotta zei, de filmregisseuse die – daarin is ze alsnog wél de enige – in 2000 een poging tot verfilming van Jahrestage heeft gedaan. Feitelijk waar is dat Uwe Johnson (spreek uit oeve joonzon) de publicatie van het laatste deel van Jahrestage, zijn tetralogie over een Noord-Duitse vrouw (en haar dochter, en haar ouders, en haar familie, en verder over zo’n beetje alles wat hem uit de periode van de jaren dertig tot 1968 met de oorlog in Vietnam maatschappelijk-historisch relevant voorkwam), geen jaar zou overleven. Een hartklap velde hem op 24 februari 1984, tien maanden nadat hij eindelijk, eindelijk de allerlaatste pagina van deel vier had geschreven (hij was op 29 januari 1968 aan deel één begonnen, dat in 1970 gepubliceerd werd; delen twee en drie verschenen successievelijk in 1971 en 1973), en vijf maanden voor zijn vijftigste verjaardag.
 
Macaber detail: het zou nog bijna drie weken duren eer zijn stoffelijk overschot werd ontdekt. Johnson, wiens leven tegen het einde deerlijk in het ongerede was geraakt, woonde toen al jaren alleen in het Engelse vissersgat Sheerness op het eiland Shippey, net bezuiden de monding van de Theems, vanuit Canterbury drie kwartier met de auto naar het noordwesten. De bekentenis in 1975 van zijn vrouw Elisabeth, met wie hij in 1962 was getrouwd, dat zij in de eerste jaren van hun huwelijk een al eerder bestaande relatie met de Tsjechische musicoloog en Mozartkenner Tomislav Volek – die onlangs, hij leeft nog, zijn 89ste verjaardag vierde – had gecontinueerd, bleek onverteerbaar voor de schrijver, die in de jaren daarop bovendien de paranoïde en geheel denkbeeldige overtuiging ontwikkelde dat deze Volek een agent van de Tsjechische geheime dienst was geweest. Het huwelijk werd een hel; Elisabeth verliet in 1978 het huis in Sheerness en scheidde van Johnson.
 
Al heb je dan nog bijna zestienhonderd bladzijden te gaan, na de eerste tien à twintig pagina’s van deel één van Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl heb je als lezer wel al vrijwel alle grote lijnen aangereikt gekregen van wat nog zal volgen. Van twee zeeën, in onstuimige branding brekend dan wel sloom kabbelend, is hier het gerucht te vernemen, meteen in de eerste alinea al: de Atlantische Oceaan bij een kustdorp in New Jersey anno 1967, en de Oostzee aan de Noord-Duitse kust voor de oorlog. Meteen is er ook sprake van ‘Joden die niet gewenst zijn’, en vraagt het hoofdpersonage zich af hoe dat ook alweer zat met de Joden vóór 1933 in haar geboorteland: ‘Ze is er niet zeker van of Joden voor 1933 nog mochten huren in het vissersdorp bij Jerichow [dat laatste een fictief oord in het huidige Mecklenburg-Voor-Pommeren, hj]; ze kan zich geen verbodsbord zoals uit de jaren erna herinneren.’ En van rassenwaan gesproken: ‘Het gekleurde personeel in deze plaats vult een eigen kerk, maar negers mogen hier geen huizen kopen of woningen huren of in het witte, grofkorrelige zand liggen.’
 
Vervolgens is er sprake van rassenrellen in New Haven, en van bombardementen ten noorden van de (toen nog) Noord-Vietnamese hoofdstad Hanoi, wat een van de andere hoofdpersonages van de roman introduceert: The New York Times, ‘tante Times’ voor Gesine, het voor haar enig denkbare én onontbeerlijke venster op de wereld. Vele, vele citaten en parafraseringen uit het beroemde dagblad zijn in de roman terechtgekomen – ook niet zó vreemd wellicht bij een roman die niet geritmeerd is in hoofdstukken maar in dagen, van 21 augustus 1967 tot 20 augustus 1968.
 
Daarop wordt Praag genoemd, de stad die Johnsons vrouw Elisabeth, naar wie Gesine grotendeels gemodelleerd is, zo goed kende (en zelfs nog beter dan Johnson vermoedde toen hij aan de roman begon…), de stad ook waar daags na de laatste dag van de roman Russische tanks de naar haar vernoemde Lente zouden smoren… Vervolgens doemt een beeld op van Gesines vader in 1931. Tot slot maken we kennis met de tienjarige Marie, Gesines dochter. Aan haar zal zij het verhaal doen van haar familie en haar jeugd in Mecklenburg, de nazitijd in Duitsland, de oorlog, daarna de bezetting, eerst door de Engelsen en vervolgens door de Russen, en dus de opsplitsing van Duitsland en het uitroepen van de DDR, de installatie van een stalinistisch regime en de daarbij horende onderdrukking, en hoe ze in 1961 met haar in New York is terechtgekomen, waar ze voor een bank werkt.
 
Jahrestage, zou je kunnen zeggen is ‘een plas, een zee, een chaos’, ‘een roman waarin ge alles holderdebolder uitkeert, kwakt, gelijk een kuip mortel die van een stelling valt’ – alleen is het, net zoals Boons Kapellekensbaan dat was, meticuleus in elkaar gezet, dit is geen action painting met woorden, maar het is wél de bedoeling dat het boek een uitwerking heeft die daarbij in de buurt komt. Tegelijk is het het soort boek waarin de schrijver op zeker ogenblik zichzelf met zijn hoofdpersonage in gesprek laat gaan, naar aanleiding van een lezing die hij in januari 1968 ook echt heeft gehouden (Johnson heeft zelf vanaf 1966 tot 1968 met zijn gezin in New York gewoond, en wel op exact hetzelfde adres als hij Gesine toebedeelt), lezing die Gesine in het boek bezoekt:
 
‘Waar zat je, Gesine.
Goed genoeg om jou te zien, kameraad schrijver.
Achterin.
Ja, ver weg, dicht bij een deur.’ […]
‘Wie vertelt hier eigenlijk, Gesine.
Wij allebei. Dat hoor je toch, Johnson.’

 
Elk gedicht wordt mettertijd een elegie, dichtte Borges. Je kunt dat uitbreiden tot al het geschrevene. Het geldt absoluut ook voor Jahrestage: behalve wat het allemaal nog meer is, bijvoorbeeld een onderzoek naar hoe een mens zich (ethisch) tegenover de wereld dient te verhouden en hoe hij of zij zich (emotioneel) in die wereld staande kan houden, bijvoorbeeld een bij momenten ook licht ironisch beschouwen van ’s mensen bedrijf (Jahrestage is natuurlijk een serieus boek, maar voor de Teutoonse tierischer Ernst hoeft niet te worden gevreesd), is dit oneindige boek een gedenkplaats voor al het voorbijgegane uit de levens die erin oplichten. Zij het dat in het laatste, vierde deel, dat Johnson zoveel moeite heeft gekost om te voltooien, het inderdaad bij vlagen weemoedig-elegische dat zijn evocatie van het Mecklenburg van zijn jeugd in de eerste drie delen kenmerkt, plaats maakt voor veel grotere zwartgalligheid of zelfs cynisme (een stemming waar het eerder genoemde ‘verraad’ van zijn vrouw Elisabeth niet vreemd aan zal zijn geweest). En toch, de slotzin raakt je midscheeps – de plaats van handeling is een strand (ditmaal een Deens) van dezelfde Oostzee waar ook op de allereerste pagina al sprake van was, de ‘wij’ zijn Gesine, haar dochter Marie en Gesines oude oud-leraar Latijn en Engels die ze er tegen het lijf zijn gelopen:
 
‘Al wandelend langs de zee liepen we een stukje het water in. Ratelende kiezelstenen rond onze enkels. We hielden elkaars hand vast: een kind; een man onderweg naar de plaats waar de doden zijn; en zij, het kind dat ik was.’  
Denk je met een stugge, strenge gewezen Oost-Duitse schrijver te maken te hebben (Johnson nam op 10 juli 1959 in Oost-Berlijn met een koffertje en een typemachine de tram om in West-Berlijn weer uit te stappen, en is nooit meer naar de boeren- en arbeidersrepubliek teruggekeerd), en dat heb je ook. Maar behalve dat was Johnson ook zeer getalenteerd: je ontkomt er niet aan dat Jahrestage je onder de huid gaat zitten; het boek is tegelijk intellectueel uitdagend én emotioneel indringend. Na die laatste zin was ik even niet in staat fluks wat anders te gaan doen, zo groot was de ban die was geslagen. Respekt, Herr Johnson.
 
Wat de vertaling betreft: je bent een hónd als je op deze titanenonderneming iets zou willen afdingen, en aangezien ik geen hond wil zijn… Nee, serieus, ik neem mijn hoed af voor vertaler Marc Hoogma, die hier gewoon op de bonnefooi aan begonnen is, zonder er zelfs maar een uitgever voor te hebben (dit is dus de – loffelijke! en aan te moedigen – uitzondering op de regel, want zó gaat het bijna nooit). Zonder hem zou deze vertaling er domweg niet zijn, zo vast als een huis. Dus alle lof voor zijn werk en moed. Maar zou ik tegelijk toch mogen opmerken dat hij en zijn medevertaler Theo Veenhof over het algemeen de keuze maken om Johnsons taal een tíkje glad te strijken? Hij heeft, of zij hebben, vaak fraaie oplossingen, o zeker, zeker. Alleen zijn ze ervoor teruggeschrokken Johnsons soms ietsje hoekige taal of ongebruikelijke woordkeuze na te volgen in zijn hoekigheid en ongebruikelijkheid. Als, om nu één voorbeeld te geven, Johnson schrijft ‘sie lief durch eine schneewindige Straße’, dan lees je in de vertaling ‘ze liep door sneeuwvlagen over een straat’. Inhoudelijk uitstekend en het leest ook heel soepel en prettig – maar als je echt streng bent: dat staat er niet. Er staat dat ze ‘door een sneeuwwinderige straat’ liep. Dat klinkt een tikje raar, inderdaad. Het punt is dat Johnsons ‘schneewindige Straße’ in het Duits precies even raar klinkt.
 
Maar goed, dit is niet meer dan een héél klein aanmerkingetje dat ik zou willen maken. Onthoudt u vooral mijn bewondering en lof voor Hoogma en Veenhof.
 
Uwe Johnson: Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage, Van Oorschot, Amsterdam 2020, 1.599 p. ISBN 9789028280441. Vertaling van Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl door Marc Hoogma, met medewerking van Theo Veenhof. Distributie Elkedag Boeken 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2021

De gast uit het Rifgebergte

Khalid Mourigh

De hemelproef

Olli Jalonen

Dingen die je meeneemt op reis

Aroa Moreno Durán

Kraaien in het paradijs

Ellen de Bruin

Oude afdekkerij

Wolfgang Hilbig

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2021

De eik was hier

Bibi Dumon Tak, Marije Tolman (ill.)

Fruitvliegje

Geert Vervaeke

Misschien…

Chris Haughton

Noem me Nathan

Catherine Castro, Quentin Zuttion (ill.)

Witje

Paul de Moor, Kaatje Vermeire (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri