Poëzie

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2021

Liesbeth Lagemaat: Vissenschild

door Jo Vanderwegen

Vissenschild kun je structureel gezien het beste omschrijven als een episch gedicht opgebouwd uit tweeregelige verzen met spanningsbogen, metaforen, betekenisverschuivingen en tal van neologismen. Maar de bundel is veel meer dan een opeenvolging van technische vondsten en nauwkeurige taal. Het is een waterval aan beelden, referenties en klankrijmen die de lezer bij wijlen doet duizelen. Liesbeth Lagemaat (° 1962) hanteert tal van culturele, botanische en dierkundige verwijzingen, en legt de lat voor haar publiek hoog om haar werk ten volle te kunnen begrijpen.  
  
Aanvankelijk doet Vissenschild denken aan het werk van Delphine Lecompte (1978). In De baldadige walvis zijn de maritieme verwijzingen ook niet van de lucht; los van tandwalvis en fontein spelen ook fabelbeesten een niet te onderschatten rol. In Vissenschild hebben we naast vissen te maken met forellenpoorten en mannen met werphengelhoofden.  Onderwaterklokken en een zeeanemoon ‘met zachte tentakels die zwaaien /op stroming’ zijn een paar andere van de talrijke watergerelateerde fenomenen. Het ‘schirrekind’ is een verwijzing naar de demonen; bij Lagemaat een gefantaseerd figuur: een schir is bij de demonen een figuur met geitenkop. Bij Delphine Lecompte hebben we veeleer te maken met fabels, maar ook met saters. Misschien zit het beroepsverleden van Lagemaat er voor iets tussen hier; zij werkte een tijd lang als havenmeester.
 
De legende van de Fiere Margriet is de rode draad. In dat volksverhaal werkt Margaretha van Leuven (Margriet dus) in de herberg van haar oom, wanneer een groep reizigers daar na het sluitingsuur aanbelandt. Ze wordt om een kruik wijn gestuurd en stelt bij haar terugkeer vast dat de herbergier en zijn vrouw vermoord zijn. Wanneer de boeven haar meenemen en willen misbruiken, verzet ze zich hevig en wordt ze in de Dijle geworpen, alwaar ze wordt gered door de vissen, die haar ondersteunen (een vissenschild bij Lagemaat). Begeleid door engelengezang drijft Margaretha verder. Ze wordt uiteindelijk gered door de Hertog van Brabant.
 
Het aloude epos wordt door Lagemaat als basis gebruikt voor Vissenschild - een kalligrafist vertelt het verhaal van Elpis, die wordt onteerd door Allesman/Nietsman:
 
‘Zijn ogen zwart. Groot. Gaten.
 
Zijn hoofd een schedel. Hand krampt om mijn hals. Schreeuwen
wil ik tegen mijn lippen zijn mond’
 
Het is opgebouwd uit een verteller (de kalligrafist), de visie van Elpis zelf, de herbergierster (‘De Daalderse vrouw’), het ‘schirrezusje’ (een door Elpis bedacht ‘nevelkind’ ook wel ‘nevelzusje’ genoemd, een fantasiefiguurtje dat haar probeert te behoeden (‘Aan de oever ligt drijfzand vandaag, weg bij die beek.’)
 
Meteen al bij de eerste verzen blijkt de worsteling van de kalligrafist:
 
‘Dacht ik me ooit vrij uit dit scriptorium?’ Een kalligrafist.
De mollenblinde donkerte. Graafdierenzwart werpt aarden
 
wal van nacht. Nergens een schering- of inslagdraad gevonden,
foetus van taal, zo nat van klank nog. Reidans de morsetekens’
 
In dezelfde zin lezen we ook dat de kalligrafist zijn pen bij tijd en wijlen als ‘hakbijl’ hanteert.
 
Naast het verhaal van Elpis zelf lezen we dus ook de problemen die opduiken voor de kalligrafist: het verhaal dwingt hem Elpis te doen herbeleven wat ze meemaakte; hij wil er wel een ander einde aan breien, maar kan dat niet, gedwongen door de verhaallijn:
 
‘Met een doezelaar zich de vingers uitwissen,
 
het handschrift, de hand?’
 
In de wisselende perspectieven (Elpis/de kalligrafist/de herbergierster) en de verhalende stijl herkennen we eerder werk van Liesbeth Lagemaat; ook Abri (2018) was aldus opgebouwd. Haar beelden zijn krachtig en poëtisch (‘is het een mens, iemand die// zich oprolde in die zwerm van grafiet’), de keuze om het gedicht op te bouwen uit disticha versterkt het gevoel te maken te hebben met een ballade, een episch muziekstuk uit vroeger tijden. Haar woordkeuze is wijdlopig: van ouderwetse termen tot neologismen. ‘Uitspanseligheid’ en ‘gezelschappelijkheid’ doen veeleer denken aan de woordenschat van Roald Dahls Grote Vriendelijke Reus dan aan poëzie, maar dat hindert niet.
 
Vissenschild is een fantasierijk gedicht, opgebouwd uit beeldende taal met hier en daar (ver)gezochte woordenschat, met verrassende gedachten. Het is Liesbeth Lagemaats zevende gedichtencyclus. Een aantal van haar vorige bundels werd bekroond: haar debuut, Een grimwoud in mijn keel, kreeg in 2005 de C. Buddingh’ prijs en Nachtopera (2017) ontving de Karel van de Woestijneprijs. Ook publiceerde ze samen met Martin Michael Driessen onder het pseudoniem Eva Wanjek een roman, Lizzie (2015).
 
Liesbeth Lagemaat: Vissenschild, Wereldbibliotheek, Amsterdam 2020, 63 p. ISBN 9789028451278. Distributie Mythras Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2021

De gast uit het Rifgebergte

Khalid Mourigh

De hemelproef

Olli Jalonen

Dingen die je meeneemt op reis

Aroa Moreno Durán

Kraaien in het paradijs

Ellen de Bruin

Oude afdekkerij

Wolfgang Hilbig

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2021

De eik was hier

Bibi Dumon Tak, Marije Tolman (ill.)

Fruitvliegje

Geert Vervaeke

Misschien…

Chris Haughton

Noem me Nathan

Catherine Castro, Quentin Zuttion (ill.)

Witje

Paul de Moor, Kaatje Vermeire (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri