Vertaald proza

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2021

Fernando Pessoa: De ontraadselaar. Detectiveverhalen

door Monica Jansen

De detectiveverhalen in deze bundel beantwoorden, zoals de titel al aangeeft, tot het klassieke genre van het mysterieverhaal waarin niet zozeer de misdaad centraal staat als wel de logische oplossing ervan. De ‘ontraadselaar’ is Abílio Fernandes Quaresma, aan wie Fernando Pessoa, net als aan zijn ‘heteroniemen’, een eigen biografie verleende. In het voorwoord van de in 1888 in Lissabon geboren Portugese dichter lezen we de volgende korte beschrijving: ‘Abílio Fernandes Quaresma, dokter zonder praktijk en puzzelaar, in 1865 geboren in Tancos en overleden in New York in dit jaar 1930’.   

De bundel is volgens dit voorwoord een eerbetoon aan deze dokter en vriend die, ondanks het onnavolgbare talent waarmee hij talloze misdaadzaken oploste, roemloos is gestorven. ‘Daarom’, zegt de bezorger en schrijver van de bundel, die samenvalt met de auteur Pessoa, ‘heb ik de taak op me genomen om zoveel mogelijk gevallen uit alle windstreken te verzamelen en uit te geven waarbij het redeneervermogen van dokter Quaresma de Oedipus was geweest van een criminele sfinx’.
 
In dit literaire voorwoord vallen een paar dingen op die in het nawoord van de vertaler, Harrie Lemmens, extra aandacht krijgen. Een eerste aspect zijn de terloopse metaliteraire opmerkingen, die laten zien hoe het realistische en literaire plan in Pessoa’s proza moeiteloos door elkaar heen lopen. Zijn enkele van de verhalen ‘verteld in de woorden van de getuigen’, andere beweert Pessoa zelf geschreven te hebben, ‘op de manier van een romancier’, maar ervoor zorg dragend dat wat hij verhaalt ‘minutieus historisch klopt’. Bovendien verwijt Pessoa zijn onderwerp Quaresma een totaal gebrek aan ‘esthetisch gevoel’ en een ‘kilheid’ die in zijn eigen schrijven dreigt door te dringen. De auteur voegt hier aan toe dat hij echter in de verhalen geen oordeel over zijn vriend velt, maar hem beschrijft zoals hij hem zou zien met ‘een filmcamera’.
 
Een ander opvallend element zijn de typeringen van Quaresma die gelijkenissen met Pessoa zelf vertonen. Zo wordt hij in het voorwoord beschreven als een ‘dagdromer die opgesloten zat in zijn onverbeterlijke drankzucht en zijn haast automatische redeneringen’ en wordt er gerefereerd aan zijn tabaksverslaving die hem noodlottig is geworden: ‘Ik ben er heilig van overtuigd dat de Companhia de Tabacos toen ze het sigarenmerk ‘Peraltas’ uit de productie haalde, in zekere zin heeft bijgedragen aan de dodelijke hoest die de hoofdrolspeler van deze verstandelijke drama’s tot zijn slachtoffer zou maken’.
 
Volgens Lemmens, in zijn compacte maar zeer inzichtelijke nawoord, is in alle verhalen de figuur van Pessoa herkenbaar, niet alleen in de beschrijvingen van Quaresma maar ook in die van de andere personages. Neem bijvoorbeeld de typische gleufhoed, de bril en de snor waarmee Pessoa met enkele streken is weergegeven in het summiere portret dat op de kaft figureert. Dit profiel komt overeen met dat van de verdachte in het eerste en langste verhaal van de bundel, over ‘De zaak-Vargas’, waarin deze aldus vermomd het slachtoffer opwacht in een donkere steeg van Lissabon. En het correspondeert ook met het uiterlijk van de onbekende – ‘een man in een donkere overjas en met een slappe hoed op’ – die uit het donker naar voren treedt en de straat oversteekt in het tweede verhaal, ‘Misdaad’.
 
Lemmens rept van een ‘bijzondere vertelinstantie’ in ‘De diefstal in de Quinta das Vinhas’, een geval dat verteld wordt door de getuige die uiteindelijk door Quaresma is ontmaskerd als de schuldige. In alle gevallen worden de verhalen herleid naar het doorslaggevende gezichtspunt op de zaak: dat van de ‘ontraadselaar’. Volgens Pessoa volgt het ideale misdaadverhaal de logica van de deductie van de feiten en zijn toevalligheden een zwaktebod ‘dat het gebrek aan redeneerkunst moet verdoezelen’. Daarom, aldus Lemmens, ‘is het brein van de detective het podium waarop alles zich afspeelt’. En hij citeert Pessoa zelf over het genre: ‘Zijn redenering is de plot van het misdaadverhaal en niet, zoals velen denken, de misdaad die leidt tot het speurwerk’.
 
Zoals Lemmens aangeeft is Pessoa’s kennismaking met het genre waarschijnlijk via zijn Engelstalige opvoeding in het Zuid-Afrikaanse Durban gelopen. De vertaler typeert Quaresma als de ‘Portugese Sherlock Holmes’, maar ook de detectives van Chesterton klinken mee in deze verhalen waarin de psychologie van de daders ontrafeld wordt, niet met de instrumenten van de psychiater die neurosen bestudeert voor klinische doeleinden, maar met de logische analyse van Quaresma die telkens op drie elementen berust. Met name in het eerste verhaal krijgt de ‘ontraadselaar’ alle ruimte om zijn redeneerkunst tentoon te spreiden, zozeer dat de rechter-commissaris uitroept dat hij getuige is geweest van de uiteenzetting van een ‘redeneermachine’. Wat op het eerste gezicht zelfmoord lijkt – een doodsoorzaak die kennelijk voor de dienders die in deze verhalen het onderzoek uitvoeren telkens als de meest voor de hand liggende beschouwd wordt – blijkt daarentegen het werk te zijn geweest van een moordenaar van het intellectuele type
 
Het is verleidelijk om te denken dat Pessoa, via Quaresma, de draak wil steken met de positivistische theorieën uit die tijd. De drie soorten en geestesfuncties waarin misdaden zijn onder te verdelen leiden namelijk ondubbelzinnig naar de conclusie dat de dader in het eerste verhaal ‘de mentaliteit van een strateeg’ heeft en ‘een misdadiger met voorbedachte rade’ is. Dit staaltje deductie laat echter niet onverlet dat Quaresma, zodra hem gevraagd wordt waarom er niet maar één oplossing kan bestaan die geloofwaardig is, antwoordt dat ‘als de gegevens eenvoudig zijn’ er gemakkelijk ‘verschillende hypothesen’ oprijzen. Bovendien, zegt Quaresma, bergen wij allemaal in ons ‘potentiële epileptische, hysterische en neurasthene vermogens.
 
Enkele definities van ziektebeelden komen heel plausibel over, zoals dat van de paranoïcus bijvoorbeeld. Maar in de ‘kille’ retoriek van Quaresma is ook een kunstzinnige belangstelling te ontdekken. Zo worden Cellini, Da Vinci, Shakespeare en Poe ten tonele gevoerd om bepaalde geestesfuncties te illustreren en wordt ook gesuggereerd dat literatuur dat beter kan dan de medische wetenschap:
 
‘Wie bijvoorbeeld wil weten wat hysterische neurasthenie is, kan in plaats van een psychiatrische verhandeling beter Hamlet lezen. Wie wil weten wat terminale dementie is, leze in plaats van een handboek King Lear’.
 
Er wordt ten slotte een amusant onderscheid gemaakt tussen de criticus, die enkel over kritische intelligentie beschikt, en het ‘genie’ dat creatieve intelligentie bezit, een verschil in graad waarvan ook de auteur van deze recensie zich rekenschap moet geven: ‘Dat is de reden waarom literatuur- en kunstkritiek, ook de grote voorbeelden daarvan, zulke slechte proeven hebben afgelegd bij het ontrafelen en begrijpen van de genieën in letteren en kunst’.
 
De overige drie verhalen zijn korter van omvang maar vertonen in de aard van de redeneringen overeenkomsten met het eerste verhaal. Zo wordt bijvoorbeeld de soldaat, die in het eerste verhaal getypeerd wordt als een moordenaar die handelt uit een impuls van buitenaf, opnieuw ten tonele gevoerd in het laatste verhaal, ‘De dood van meneer João’, waarin de moordenaar zelf zijn koelbloedigheid verklaart vanuit zijn ervaring met doden in de oorlog. Uit deze reflecties wordt Pessoa’s visie op oorlog als ‘een staat van collectieve waanzin’ duidelijk. Is er voor de moordenaar in het eerste verhaal weinig begrip, in de andere verhalen lijkt Quaresma meer compassie te tonen met de daders die hij ontmaskert. In het laatste verhaal helpt hij de dader zelfs om vrijuit te gaan door hem te suggereren om de wijk te nemen naar Brazilië.
 
De ‘kille’ rationaliteit van Quaresma blijft dus niet verstoken van het gevoelsleven, zoals bij de moordenaar in het eerste verhaal, die bekent dat bij hem ‘denken en voelen’ niet met elkaar zijn verbonden. Het lijkt er dus op of het hardop redeneren van Quaresma niet slechts de abstractie van de feiten dient, die overigens juridisch maar een beperkte bruikbaarheid blijken te hebben, maar ook dient om te laten zien waar deze logica moet worden bijgesteld. Zo passen in deze verhalen de puzzelstukjes van de rationele oplossing van de misdaad en de psychologische uitkomst van de bekentenis toch niet naadloos in elkaar en laten ze nog iets aan de verbeelding en het rechtvaardigheidsgevoel van de lezer over.   

Fernando Pessoa: De ontraadselaar. Detectiveverhalen, Koppernik, Amsterdam 2020, 218 p. Vertaling van Seleção de Escritos Policiarios door Harrie Lemmens. ISBN 9789083048031 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2021

De gast uit het Rifgebergte

Khalid Mourigh

De hemelproef

Olli Jalonen

Dingen die je meeneemt op reis

Aroa Moreno Durán

Kraaien in het paradijs

Ellen de Bruin

Oude afdekkerij

Wolfgang Hilbig

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2021

De eik was hier

Bibi Dumon Tak, Marije Tolman (ill.)

Fruitvliegje

Geert Vervaeke

Misschien…

Chris Haughton

Noem me Nathan

Catherine Castro, Quentin Zuttion (ill.)

Witje

Paul de Moor, Kaatje Vermeire (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri