Poëzie

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2021

Yerna Van den Driessche: Op twee benen lopen is moeilijk

door Yvan de Maesschalck

‘In mijn winter is er geen ruimte voor een kind’  

Yerna Van den Driessche debuteerde in 2009 bij uitgeverij P met Reconstructie, waarin ze de onverwachte dood van haar zus een poëtische stem verleende. Op twee benen lopen is moeilijk is intussen al haar vierde bundel. Hoewel de bundels in thematisch opzicht elkaar nogal lijken te ontlopen, hebben ze vanuit compositorisch oogpunt duidelijk een en ander gemeen. Zo zijn ze alle opgetrokken rond een dwingende centrale gedachte, die over diverse cycli wordt uitgesplitst. In Mendeljevkoorts (2012) maakt de dichter bijvoorbeeld gebruik van chemische symbolen en processen om een aantal menselijke interacties in kaart te brengen. En in Schaken met de dood (2016) wordt gedicht na gedicht een dag van een bepaalde januarikalender weggestreept.
 
Ook de nieuwe bundel is een opvallende compositie van tien korte reeksen die schijnbaar op zichzelf staan, maar bij nader inzien betrekking hebben op ontluikend of kwetsbaar leven. Overigens bouwt Van den Driessche aan een oeuvre waarin de verschillende bundels op elkaar worden geënt of met elkaar zijn verknoopt. De integratie van een paar gedichten uit Schaken met de dood in de jongste bundel is daar een voorbeeld van. De ‘buurman’, die eerder in Mendeljevkoorts zijn vrouw gruwelijk verminkte, wordt nu als een paranoïde voyeur te kijk gezet.
 
De titel van de nieuwe bundel is ontleend aan het gedicht ‘Mama’ uit de reeks ‘Het meisje met de fles Evian’. Het begint en eindigt met de volgende tweeregelige strofe:
 
‘ik heb het geprobeerd op twee benen lopen
maar mijn hoofd krijgt het niet geregeld’
 
Niet alleen spreekt een gevoel van onmacht uit deze verzen, de suggestie is duidelijk dat er een tweespalt bestaat tussen het lichaam en wat de ik ermee aankan. Of nog, een tweespalt tussen wat van de ik verwacht wordt en waartoe diezelfde ik maar in staat is. Wie tussen twee verlangens in moet leven, komt onvermijdelijk op de grens ervan of in een tussengebied terecht. De deur naar de gewone wereld staat wel op een kier, maar wordt vaak hardhandig dichtgetrokken.
 
De bundel opent met de reeks ‘Duinzicht’, een woord dat spontaan doet denken aan een kommerloze vakantie aan zee. Het eerste gedicht, ‘Zeemoment’, roept aanvankelijk een idyllisch plaatje op, maar die associatie wordt in de kiem gesmoord: de ik-figuur rent de zee tegemoet, gaat ‘bij de derde golf […] onderuit’, ervaart ‘het zachte bijten van haar zout’ en ondervindt ‘dat ook zij eenzaam is’. De zee wordt verpersoonlijkt en is als dusdanig vrouwelijk: de eenzaamheid van de ik spiegelt zich in die van de zee. Het gedicht kan trouwens ook gelezen worden als het verslag van een (mislukte) zelfmoordpoging. In de volgende reeksen komen verschillende ik-figuren aan het woord, maar bijna altijd zijn ze behoorlijk eenzaam en vrouwelijk, al geldt dat laatste niet noodzakelijk voor de pas- of nog ongeborenen die iets verder het woord voeren.
 
De grimmige, ronduit wrange toonzetting van de eerste gedichten is een opmaat voor wat volgt: een meisje dat aan anorexia lijdt en aan genadeloze zelfanalyse doet, lijkt sterk verwant met het ‘stengelmeisje’ uit de gelijknamige reeks. Het meisje, dat met zelfmoord- en braakneigingen worstelt, bekent: ‘ik word opgenomen omdat ik lichter word / mijn schouders tot vleugels transformeren / mijn demonen aan de ketting moeten’. Het lijk van een in lakleer gestoken meisje, dat alleen in een schimmige onderwereld kon proberen te overleven, wordt uiteindelijk dood aangetroffen ‘in A dok 5’. De ik die het krantenbericht leest wordt met een gevoel van schuldige moedeloosheid opgezadeld: ‘ik zet koffie / zoek de juiste klanken / in mijn kopje staren haar demonen mij zwijgend aan’. Maar haar slachtofferschap heeft hooguit het water even doen rimpelen:
 
‘alors on danse
alors on danse
alors’  
 
(in ‘La la la la la’)
 
Alle daaropvolgende reeksen, die uit drie of vier gedichten bestaan, evoceren existentiële situaties ‘op het snijvlak van blijven en weggaan’, zoals de titel van een gedicht uit ‘Belegerd’ luidt. De dichter maakt met klinische zin voor precisie ‘de balans op’ van een belegerde stad, een belegerd vrouwenlichaam, een misdadige zwangerschap, een onvruchtbaar mannenlichaam. Je zou kunnen zeggen dat op een of andere manier een mannelijke agressor – of zijn sperma – aan zet is en dat een vrouw daarvan telkens weer het weerloze slachtoffer is, of toch bijna altijd. In de cyclus ‘Kruis’ krijgen zowel de verkrachte vrouw als de vrucht van de verkrachting een krachtige stem. De aanklacht van ‘Andjela’ is even messcherp als striemend. De slotverzen klinken zo:
 
‘dat ik leef verwijt ik de wachter bij de ingetrapte deur
met aangeschoten stem en wegkijkogen geweer in de aanslag
 
maanden later schrob ik nog altijd de gesels van mijn huid
resten geil en DNA uit de groeven
 
met afschuw zie ik hoe het groet en ’s avonds sluip ik langs gevels
in duistere portieken met kogelgaten zoek ik de man met het geweer’
 
‘De man met het geweer’ contrasteert met ‘het huis zonder gezicht’, de woordgroep waarmee het gedicht begint. Die man is uiteindelijk de vermaledijde vader van het oorlogskind aan wie de moeder deze ‘Brief’ richt:
 
‘zoek mij niet jongen
in mijn winter is er geen ruimte voor een kind
en kinderen verdienen zomer
 
donkere uren hebben wij afgelegd
tussen lijkvlekken en modder
langs bossen met sprekende takken
langs randen van sneeuw en regen
 
ik was jouw schild
meer niet
jouw moedertaal wordt niet die van mij’
 
Het kind is altijd het kind van de rekening, zeker als het onwelkom is, maar nog meer als marginaliteit en bijbehorende vervreemding zijn deel zijn. Een soortgelijke ik-figuur komt in de pregnante vierdelige cyclus ‘Sediment’ aan het woord. Ook daar is een eventuele zwangerschap aanleiding voor kommer en kwel en tracht de ik-figuur de stemmen te bezweren die aan de eerder genoemde demonen herinneren. Ik citeer graag twee strofen uit ‘Op de rand van het bad’:
 
‘ik ruzie met mijn stemmen
vind een reden om niet te doen
wat ik zou moeten. resoluut
 
ondanks een innerlijke rem
spoel ik de noodpil door
het riool naar de nacht’
 
Het orgelpunt van de bundel vormt de cyclus ‘Relaas van een foetus’, waarin een baby in wording in negen dubbelgedichten verslag doet van zijn/haar ervaringen in de beveiligde cocon van de baarmoeder. ‘Mijn draagster is een bedrijf / verzamelt mannen’, aldus de omineuze openingszinnen van de cyclus. Ze voorspellen weinig goeds en dat blijkt uit het gedicht ‘9a’ als volgt:
 
‘de weeën van mijn draagster testen haar acteertalent
ze heeft geen bekken om kinderen te baren
 
we worden in spoed weggereden
 
de verpleger ziet er exotisch uit
sust met zachte handen
 
in deze macabere voorstelling
speelt zij de rol van haar leven’
 
De aanstaande geboorte wordt verstrengeld met de metafoor van het theater en roept de vraag op naar de identiteit van de draagster. Is zij een paaldanseres, een escorte, een sekswerkster, een zoveelste slachtoffer van vrouwenhandel? Wellicht iemand die zich geen kind kan of wil permitteren en dat gevoel ook negen maanden heeft gekoesterd. En met resultaat: ‘ik word geboren met het kuiltje van een dood-geboren-glimlach’, zo weet het ongewenste kind (in ‘9b’).
 
Ondanks alle wrangheid die wordt uitgespeld in onopgesmukte verzen die even confronterend als raak zijn, eindigt de bundel, die motto’s ontleent aan Leonard Cohen, Hölderlin, Simić en Marías, met drie hoopgevende gedichten. Daarin worden beurtelings een meisje, een jongen en een geliefde aan het hart gedrukt. De teksten voorspellen, ondanks de vergeefsheid van het leven, een onverbiddelijk innig laatste moment. De slotverzen van de bundel luiden:
 
‘luisteren wij in ons laatste bed
naar oprispingen van gal de dissonante piep
in de luchtpijp, toondichten wij ons requiem
in een tedere verstrengeling’
 
Yerna Van den Driessche: Op twee benen lopen is moeilijk, P, Leuven 2020, 96 p. ISBN 9789793138285 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 6, JUNI 2021

2050. Gedichten

Peter Verhelst

Het bekroonde proza van Jesmyn Ward

Black Lives Matter

Het huis van de dichter

Herman Leenders

Het leven van de geest

Hannah Arendt

Stemvorken

A.F.Th. van der Heijden

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 6, JUNI 2021

Brons / Onder de golven

Linda Dielemans, Sanne te Loo (ill), Djenné Fila (ill.)

De nacht van Ronke

Jef Aerts, Marit Törnqvist (ill.)

De roos uit het beton

Angie Thomas

Groot Biegel sprookjesboek

Paul Biegel, Charlotte Dematons (ill.)

Zonder titel

Erna Sassen, Martijn van der Linden (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri