Poëzie

BOEKEN NR. 3, MAART 2021

Herman Leenders: Overstekend wild

door Hester Knibbe

Echo van een ‘andere wereld’   

Een visionaire blik kan Herman Leenders niet worden ontzegd. Lang voor COVID-19 de mensheid de straten uit, de huizen in joeg, muntte hij de titel Overstekend wild. En ja, nog voor zijn bundel het licht zag, trof je in de anders druk bemenste straten van de steden gedierte aan dat zich normaal buiten de stadsgrenzen ophoudt: everzwijnen in Barcelona, poema’s in de Chileense hoofdstad Santiago, op de boulevard van Eilat werden Nubische steenbokken gespot, een stadje in Wales werd geteisterd door een invasie van wilde berggeiten die er eens lekker uit grazen gingen in tuinen en plantsoenen, in het weer heldere water van Venetië waren vissen te zien, de eenden kwamen eindelijk aan rustig broeden toe, reeën, vossen, marters veroverden de steden. Of moet ik zeggen, heroverden terrein? Hoe dan ook, overstekend wild alom.  
 
In deze jongste bundel van Leenders komen nogal wat dieren voor: schapen die stikken in hun wol, de krolse kat Ahasverus die, zoals zijn naam suggereert, steeds de hort op was, tortelduiven, muizen, mieren, aasdieren, ree, eend, een hengst… En zo kan ik nog even doorgaan. Maar, en wellicht daarom viel het me bij eerste lezing niet direct op, die dieren komen veelal voor in een vergelijking met de mens.
 
De dichter doet hier eigenlijk het omgekeerde van wat gedragsbioloog Frans de Waal doet. De Waal bestudeert dieren, vooral primaten, en ziet hoe hun emoties en gedragingen overeenstemmen met die van mensen. De dichter linkt omgekeerd menselijk gedrag aan dat van dieren. Bijvoorbeeld: ‘mijn ogen lopen loom te grazen / vreten als slakken.’ Of:
‘als hagedissen lagen ze tegen de zuidmuur.’ En in het volgende gedicht: ‘wij schuilen als egels.’ Nog elders, in het gedicht ‘Hij’, smokkelt iemand zich naar binnen in een wel heel krachtige vergelijking namelijk: ‘als houtworm in het gebinte.’ Met zoveel dieren die worden gekoppeld aan de mens kun je je afvragen: over welk overstekend wild heeft de dichter het eigenlijk?  
 
In ‘Rit’ komt een waarschuwingsbord voor, zo’n rode driehoek met in het witte vlak een overstekend hert of een rund, ja, of schoolkinderen. Uitkijken geblazen. Dit bord wordt gerelateerd aan meer:  
 
‘Rit
 
zolang er muziek is op de radio  
en benzine in de tank
koplampen een tunnel voor hem boorden
kattenogen en witte lijnen hem redden
 
van zachte bermen grachten en bomen
zolang de maan als een pepermunt
plakte aan het verhemelte
en treinen het licht als strobalen vervoerden
 
naar de stad die aan de einder
als een bakplaat gloeide
was er hoop
God net zo aanwezig
als een gevaarsbord
voor overstekend wild’
 
Ah, de maan die als een pepermunt aan het verhemelte plakt! Maar wat mij in dit gedicht vooral triggert is die God als een gevaarsbord. Voor welk gevaar wordt hier gewaarschuwd? Of is die God de veilige plek die aan de einder als een bakplaat gloeit? God, of het mythische, komt vaker voor in deze bundel. Neem de regel van Robert L. Cioffi die Leenders als motto koos voor de reeks Argo: ‘Gods seldom appear to mortals without reason.’ In die twee gedichten is eveneens sprake van een ‘op weg zijn’:
 
‘mijn fietslicht rijt het donkere jaagpad open
op de snelweg schieten vuurpijlen
over en weer, de trein
snijdt het land middendoor
 
op het kanaal vaart een binnenschip
kabbelend klieft het de stilte
op de boeg drie schijnwerpers
tastend in de mist’
 
Hier weer die duisternis, mist, het gebrek aan zicht waar een mens zich doorheen moet ploegen. En in het tweede vers zit ook Orpheus nog eens neuriënd op de voorplecht. Het doet de ik-persoon denken aan een processie en terwijl de schuit naar zee drijft, blijft hij achter onder een maan die dit keer wordt geassocieerd met een hostie. Oude mythe en nu glijden moeiteloos in elkaar over.
 
‘Overstekend wild.’ Maar betekent het een oversteek naar zomaar een overzijde of ook naar gene zijde? De bundel begint met een ‘in memoriam’ voor, naar ik vermoed, een vader. Het is een reeks van vier die een wereld aan rouw neerzet. In het eerste komt op bijna zakelijk cynische toon het geregel aan de orde dat een overlijden nu eenmaal met zich meebrengt. De begrafenisondernemer toont ingetogen zijn handel, doet zelfs suggesties voor een gedichtje tijdens de uitvaart. Wat kies je, hoe wordt het een ‘Hij had het zo gewild?’ In het tweede wordt een leven vergeleken met een boek. Grondig geredigeerd, dat wel. Het derde geeft het ontheemd zijn aan van wie achterblijven, de lege plek aan tafel die nooit echt leeg is omdat de herinnering hem daar altijd doet zitten. En er wordt afgesloten met een rouw die zelfs de natuur omarmt: geknotte wilgen, een geamputeerde wereld. Het is een reeks die balans zoekt én vindt.
 
Ook in de tweede afdeling van de bundel, ‘Zo onbetamelijk stil’, is duidelijk sprake van een oversteek naar het dodenrijk. Het woord ‘onbetamelijk’ zegt al genoeg: gesneuvelde soldaten, veelal veel te jong voor die definitieve reis.  
 
Piet Gerbrandy zegt in zijn essaybundel Grondwater (Atlas/Contact 2018): ‘De ware dichter is een filosoof die goochelt met een hypothetische wereld, een proefopstelling waarvan hij zelf de parameters bepaalt.’ De proefopstelling van Herman Leenders gaat niet alleen uit van een dagelijkse werkelijkheid, maar mede van het onderhuidse dat naar benoeming zoekt.
 
In Overstekend wild is een sterke gelaagdheid voelbaar waarin regelmatig sprake is van de drie-eenheid mens, dier en het bovenzintuiglijke. Maar op een nuchtere aardse wijze die het dier erkent als medeburger op aarde, alsook het dier in de mens zijn plek gunt. Het ‘andere’ niveau waarop hij in deze bundel zijn poëzie tilt, is mooi merkbaar in het gedicht ‘Verboden terrein’:
 
we stonden oog in oog
de eenhoorn en de jager
de wandelaar en de ree
bevroren als een still
 
we wisten het van elkaar
geen van beiden op zijn plaats
zij niet tussen het koren
ik niet in de schemering
 
zonder pen, alleen gewapend
met de smartphone
beheerst sprong ze uit beeld
keek nog eenmaal achterom
 
alle buren zaten
voor lichtbakken
elk in hun eigen zwijgen
op zoek naar ontroering.’
 
Weg van de emoties op smartphone en tv, is er die andere ontroering: een ontmoeting in de natuur. De eenhoorn en de jager / de wandelaar en de ree. Twee keer de tijd bevroren in een tableau vivant. In het tweede vers wordt de ree dood teruggevonden in een sloot. Een anticlimax die het bijna mystieke moment om zeep helpt. Of is ook hier sprake van een metafoor? De ontmoeting met een ree of een hert komt in veel verhalen voor. Altijd roept het dier een merkwaardige echo op van een ‘andere’, zuiverder wereld. Het confronteert de mens met zichzelf, met zijn missers en schuld.
 
Neem de aristocraat Hubertus. Op Goede vrijdag van het jaar 683 ging hij op jacht. Hij nam een hert onder schot. Juist toen hij de trekker wilde overhalen, draaide het zich om en zag hij een lichtend kruis tussen het gewei. Waarop de wereldse Hubertus zich bekeerde en de rest van zijn leven aan het geestelijke wijdde. Boeddha zou zijn gereïncarneerd als hert, in een Indiaas verhaal staat het dier voor empathie, mededogen en karma, in een Keltische sage wordt het geassocieerd met het bovenzintuiglijke. Martinus Nijhoff verwijst er naar in zijn Uur U, waarin hij de dokter, de leraar en de rechter een moment van inkeer, herinnering aan een voorbije zuiverheid laat herbeleven. Alsook ‘de dame die niemand kent / het kreng zoals men haar noemt’. Zij knielt als ze oog in oog met de zuiverheid van het dier staat.  
 
Waarom sta ik zo uitgebreid stil bij de symboliek van het hert? Vanwege de eenhoorn die in hetzelfde gedicht figureert, een fabeldier en door geen jager klein te krijgen, dat eveneens wordt geassocieerd met zuiverheid, genade, zelfs met de Bijbelse Jezus. (En ja, ook met seksualiteit.)  
 
Ging Leenders’ vorige bundel Dat is wij onder meer over verwijdering, in deze bundel belicht de dichter juist het zoeken naar contact, desnoods over de dood heen, zoals in het al eerder aangehaalde ‘In memoriam’. Orpheus neuriënd op de plecht van de Argo, de boot van de Argonauten, roept de herinnering op aan zijn tocht door het dodenrijk om zijn geliefde Eurydice terug te halen. Of het nu een verbinding met de natuur betreft of die met een medemens, de dichter verwoordt een zoektocht naar Wahlverwandtschaft.  
 
In deze sterke en empathische bundel, zijn beste tot nu, staat Herman Leenders volop in het leven van deze tijd met al zijn gadgets, terwijl hij zich tegelijk ingebed weet in een traditie, en dat beaamt.
 
Herman Leenders: Overstekend wild, De Arbeiderspers, Amsterdam 2020 78 p. ill. ISBN 9789029541282. Distributie L&M Books 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 5, MEI 2021

De gast uit het Rifgebergte

Khalid Mourigh

De hemelproef

Olli Jalonen

Dingen die je meeneemt op reis

Aroa Moreno Durán

Kraaien in het paradijs

Ellen de Bruin

Oude afdekkerij

Wolfgang Hilbig

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 5, MEI 2021

De eik was hier

Bibi Dumon Tak, Marije Tolman (ill.)

Fruitvliegje

Geert Vervaeke

Misschien…

Chris Haughton

Noem me Nathan

Catherine Castro, Quentin Zuttion (ill.)

Witje

Paul de Moor, Kaatje Vermeire (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri