Poëzie

BOEKEN NR. 3, MAART 2021

Lieke Marsman: In mijn mand

door Carl De Strycker

In het eerste gedicht van haar nieuwe bundel In mijn mand schrijft Lieke Marsman: ‘Ik herken mij niet in de methodes van de cultuuranalyse / noch in de uiteenzettingen van critici / die mijn gedichten doorplozen als boedelbeschrijving.’ Daarop geeft ze een voorbeeld van een vers uit haar debuut dat een interviewer symbolisch interpreteerde, hoewel zij het letterlijk bedoeld had. En ze schrijft ‘ik ben ook wel eens pathetisch genoemd / door mannen met verstand van de canon.’ Die voorbeelden lijken mij niet de beschrijving van zomaar een botsing met de leesgewoontes van de poëziespecialisten. Ze duiden een breuk in de poëziepraktijk aan. De hedendaagse lyriek is eerder rechttoe rechtaan – er staat wat er staat in plaats van het modernistische adagium van Martinus Nijhoff ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ – en gaat volop over gevoelens (Marsman: ‘door de hele geschiedenis heen / dat verdomde verdoemen en minachten van emoties…’) daar waar modernistische en postmoderne poëzie eerder als koel en intellectualistisch gekarakteriseerd kunnen worden.   

En ja, dat geldt ook voor In mijn mand, een bundel waarin geen enkel interpretatieprobleem opduikt en er rechtuit gezegd wordt wat gezegd wil worden. Bovendien is de bundel, net als Marsmans vorige, De volgende scan duurt vijf minuten (Pluim 2018), geschreven tegen de achtergrond van de levensbedreigende ziekte waarmee de dichteres te kampen heeft. Dat maakt dat het spreken in deze verzen begrepen wil worden als oprecht en ondubbelzinnig. Dat betekent evenwel ook dat het moeilijk is om er kritiek op te leveren. Als een literatuurkenner vindt dat deze verzen weinig meer zijn dan een gevoelseruptie die literair gesproken niet bijster erg interessant is, dan misprijst die minstens de emoties of, erger nog, is zij of hij gewoonweg ongevoelig, want wie kan er onbewogen blijven bij het verhaal van een jonge dertiger die de dood in de ogen kijkt?
 
In weinig van de gedichten uit In mijn mand is de dood niet aanwezig: er worden verschillende posities tegenover het mogelijk nabije levenseinde onderzocht: van angst over hoop en opstandigheid tot apathie. Tekenend is het tweede gedicht uit de bundel, waarin staat:
 
‘Wat heeft het voor zin om te fantaseren
over waar je over tien jaar zou kunnen wonen
als de dokter morgen kan bellen
om te zeggen dat het klaar is?
Er is geen toekomst, alleen een lang
en stroperig hier en ik zijn.’
 
Waarop even verder in het gedicht goed nieuws volgt: ‘De dokter belt eerder / dan verwacht en weet de gemoederen / voor even te bedaren.’ Dat leidt echter niet tot opluchting en euforie, maar tot een zekere leegte:
 
[…] Dan
slaat de betovering van de dood
waarin ieder gebaar of geluid betekenis heeft
opeens weer om in het gewone onrustige klik-klak
van een middag zonder doelen.’
 
Hier speelt Marsman met het filosofische cliché dat je leven maar betekenis krijgt in het licht van de dood en ze concludeert ironisch: ‘Het is ook nooit goed met die pathetische dichters.’ Dit gedicht maakt ook duidelijk dat, hoewel de verzen helder en klaar zijn, ze toch niet van techniek gespeend zijn. Niet alleen is er de filosofie als intertekst, ook is de slotregel een verwijzing naar het eerste gedicht waarin Marsman haar positie in de poëzie bepaalde; er het taalspel (‘hier en nu’ wordt ‘hier en ik’), het betekenisvolle enjambement na ‘lang’, de alliteratie in ‘gebaar en geluid’. De inhoud blijft dominant, maar met de vorm wordt subtiel gespeeld. Gedichten als ‘De onttovering van de wereld’ (over de gevoel dat je nooit meer zo onbevangen in het leven staat als toen je kind was) of ‘Spijt’ (over de gemiste kansen en niet gerealiseerde opportuniteiten in je leven) werken op dezelfde manier.
 
Daarnaast bevat de bundel, in de tweede afdeling, ook heel wat zogenaamd geëngageerde gedichten. Die doen vermoeden dat de nieuwe Dichter des Vaderlands van Nederland – gelijktijdig met het verschijnen van de nieuwe bundel werd bekend dat Marsman deze functie de komende twee jaar op zich neemt – zich best kritisch zal uitlaten over allerlei misstanden. ‘Verzet’, over de vrijheidsbeperkingen tijdens de gezondheidscrisis, is een coronagedicht net als ‘Verlate kamervragen’ waarin een aantal kritische noten bij het beleid worden geplaatst, met als cruciale gewetenskwestie:
 
‘we dachten
dat liefde
het belangrijkste
in het leven was, blijkt
dat in leven blijven
het belangrijkste
in het leven is’.
 
Het sterkste gedicht is evenwel ‘Spelen’, waarin de omgang met andersgeaardheid (homoseksualiteit, maar ook polyamorie, transseksualiteit en non-binariteit) – zogenaamd geaccepteerd – wordt voorgesteld als een spel. Daaruit wordt duidelijk dat er nog een lange weg te gaan is naar totale emancipatie, met name dat dat allemaal helemaal geen issue meer is.
 
De derde afdeling opent met drie natuurgedichten in kwatrijnen waarna Marsman zich toch een keer laat betrappen op een meerduidig beeld. ‘De overkant van de canyon’ opent als volgt: ‘wat er aan de overkant was, wilden we weten / van die duizelende diepte met het heldere water’. Dat kan je niet anders dan ook metaforisch lezen en het verlangen de overoever te kennen is dan uiteraard de vraag naar wat er na dit leven komt. Besluiten doet de bundel met het lange titelgedicht, een overpeinzing over leven en dood aan de hand van citaten en posities van een aantal filosofen en schrijvers doorweven met persoonlijke herinneringen. ‘Ik heb niet stilgezeten’, opent het gedicht, maar de engelbewaarder is toch stellig: ‘in je mand’. De dichter wordt aangemaand om in bed te kruipen, maar ook om in te binden, gehoorzaam en stil te zijn. Dat is waar haar lichaam haar toe dwingt, maar waar haar geest – en haar gedichten – zich tegen verzetten, zoals blijkt uit de levensbevestigende en voluntaristische slotstrofe (onderstreept door de anafoor van ‘Ik wil’).
 
Voor de strijd die Marsman levert, zowel persoonlijk als in haar poëzie, kan je alleen maar respect hebben; de dichteres laat je met deze gedichten geen keuze.  
 
Lieke Marsman: In mijn mand, Pluim, Amsterdam 2021, 56 p. ISBN 9789083095356 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Baksteen

Femke Vindevogel

Brandingen

Paul Verrept

de Lach van de Sfinx

Frans Kuipers

Onder buren

Juli Zeh

Ons deel van de nacht

Mariana Enriquez

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2021

Een leven vol kleur. Alles is kunst, als je maar goed kijkt

Cara Manes, Fatinha Ramos (ill.)

Ik wil een hond (en het maakt niet uit welke)

Kitty Crowther

Ik wil een wiegje worden zei de wilg

Bette Westera, Henriëtte Boerendans (ill.)

Vanaf hier kun je de hele wereld zien

Enne Koens, Maartje Kuiper (ill.)

Victorine

Jet van Overeem, Annemarie van Haeringen (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri