Letterkunde

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2022

Stefan van den Bossche: De literaire Ardennen. Van de Tachtigers tot vandaag

door Yvan de Maesschalck

Stefan van den Bossche, literatuurwetenschapper en biograaf van o.a. Jan van Nijlen (De waarheid is zoo schoon waarvan wij droomen, Lannoo 2005) en Herman Teirlinck (Ge zijt zoveel mensen geweest, Houtekiet, 2017), heeft zijn onderzoek naar de sporen van de Ardennen in de Nederlandse literatuur gebundeld in De literaire Ardennen. Van de Tachtigers tot vandaag. In een uitvoerige inleiding omschrijft hij de geografische contouren van een gebied dat de landsgrenzen overschrijdt. Bovendien lijken de Ardennen niet alleen Vlaamse en Nederlandse auteurs te hebben geïnspireerd, ook onder anderen Victor Hugo, Arthur Rimbaud, Paul Verlaine, Guillaume Apollinaire en zelfs Jean-Jacques Rousseau zijn er dankzij hun tijdelijke aanwezigheid of hun werk makkelijk mee te verbinden. Toch bakent Van den Bossche zijn terrein zo nauwkeurig mogelijk af en neemt hij De Nieuwe Gids (1895-1894) en de aanloop ertoe als uitgangspunt voor een breed opgezette verkenning. Hoewel de redactieleden diverse, ons intussen welbekende geloofspunten verdedigden inzake literatuur, overloopt de auteur – misschien een beetje ten overvloede – de belangrijkste aspecten van de door hen beoogde vernieuwing.  

Hij begint zijn literaire trektocht in La Roche met de Mathilde-cyclus (1882) van Jacques Perk, zoon van Marie Adrien Perk, zelf schrijver van In de Belgische Ardennen (1882; vierde druk 1905). Het eerste hoofdstuk memoreert de omstandigheden die tot het ontstaan van de sonnettenkrans hebben geleid, inclusief de aanvankelijk kritische houding van Carel Vosmaer, de historische ontmoeting van Perk met Oscar Wilde in juli 1879 en de stimulerende invloed van o.a. Willem Doorenbos en Willem Kloos op de jonge dichter. Ondanks zijn korte leven en veeleer beperkte productie, zullen Vosmaer, Kloos en Albert Verwey hem herhaaldelijk prijzen als de wegbereider ‘van een nieuwe dichtkunst’. Van Verwey naar Van Deyssel lijkt, achteraf gezien, maar een kleine sprong. Toch is Lodewijk van Deyssel, pseudoniem van Karel Joan Alberdingk Thijm, een totaal andere figuur, die met Een liefde (1887) zijn eerste belangwekkende, weliswaar omstreden naturalistische roman publiceerde. Het beeld dat Van Deyssel schetst van de Ardennen in Menschen en bergen (vanaf 1889) is niet bijzonder opwekkend, maar wordt door de auteur later in zijn Gedenkschriften (1924) bijgesteld. Aan het verblijf van deze Tachtiger, eerst in La Roche en later in ‘Villa les Cheras’ te Mont-Lez-Houffalize, wijdt Van den Bossche niet minder dan twintig pagina’s. Hij etaleert er zijn talent voor la petite histoire, al moet ik bekennen dat de relevantie van sommige biografische details me ontgaat (zoals het advies van Van Deyssels moeder aan haar zoon om bij voorkeur te biljarten met de pastoor van Houffalize als medespeler). Op welke manier zijn tweede roman De kleine republiek (1888) in La Roche werd geconcipieerd maar pas in Houffalize ‘gefinaliseerd’, lijkt me dan weer wel erg relevant.
 
In de drie daaropvolgende hoofdstukken gaat de auteur uitvoerig in op hoe respectievelijk Arnold Aletrino, Margo Antink en Hugo van Walden aan het Ardennen-thema hebben bijgedragen. Mijns inziens hebben vooral Aletrino’s romans Zuster Bertha (1891) en Martha (1895) de tand des tijds goed doorstaan. Het is dan ook helemaal juist aan deze wat vergeten auteur bijzondere aandacht te schenken en te onderstrepen dat ‘de dames die de Nederlandse naturalistische romans in het fin de siècle bevolken erg gevoelig zijn voor muziek, een muziek die helpt om voor even hun eigen afbakeningen en grenzen te ontgrendelen’. Of iets soortgelijks geldt voor beide andere auteurs, is zeer de vraag, al doet Van den Bossche er alles aan om Antinks roman Catherine (1899) onder het stof vandaan te halen via de uitgesponnen samenvatting van een vrij onwaarschijnlijk aandoend verhaal. Hugo van Walden kan, mede dankzij zijn betrokkenheid bij het Brusselse kunstenaarsgenootschap De Distel en het ‘kosmopolitisch georiënteerde tijdschrift De Boomgaard’, een zeker literair-historisch belang niet worden ontzegd. Maar of de romantische ‘verbeeldingswereld’ en ‘impressionistische natuurevocaties’ in Elooi in ’t woud (1914) of De gulden slede (1925) nog zoveel academische belangstelling rechtvaardigen, durf ik te betwijfelen. Dat ‘na zijn dood geen uitgever bereid [is] gevonden’ zijn ‘nagelaten werk te publiceren’, zoals de auteur in de slotzin van zijn Van Walden-hoofdstuk zelf opmerkt, is alvast geen goed teken.
 
Met zijn beschouwingen over Filip de Pillecyn en Paul van Ostaijen komt de auteur in het hart terecht van de literaire Ardennen en de Oostkantons. De Pillecyn heeft Malmédy en het landschap eromheen omgewerkt tot ‘het symptoom van een gemoedsstemming’ die de instelling van de hoofdpersonages weerspiegelt. Hoewel de schrijver voor het gegeven van een als man verklede vrouw schatplichtig is aan de Waalse schrijver Henri Pierre Faffin, zijn ‘de verschillen in inhoud, compositie en stijl’ tussen Faffins boek en de novelle Monsieur Hawarden (1935) aanzienlijk. De manier waarop De Pillecyn het landschap tekent, doet overigens denken aan de Provençaalse schrijver Jean Giono. Bovendien betreft het, zeker in Hans van Malmedy (1935), een landschap dat ‘een afspiegeling is van de menselijke natuur’ en ‘een expliciete, herinnerde status’ heeft. De uitstraling van de literaire nalatenschap van Van Ostaijen staat uiteraard allang buiten kijf. Het ‘tegendraadse en non-conformistische’ karakter van zijn werk wordt treffend gekarakteriseerd, maar verder gaat het voornamelijk over de pijnlijke pneumothoraxbehandeling die de dichter in Miavoye-Anthée (6 september 1927-18 maart 1928) moest ondergaan en over het bezoek van zijn kompanen Gaston Burssens en Eddy du Perron. Ook de hoopvolle laatste brief die Van Ostaijen daags voor zijn dood schrijft aan Oscar Jespers is als slotakkoord in het relaas opgenomen en verleent er een tragische dimensie aan. Het valt enigszins te betreuren dat de auteur geen lijntje uitgooit naar Miavoye. Op bedevaart naar Paul van Ostaijen (2014), dat Peter Holvoet-Hanssen, Koen Peeters, Pascal Verbeken en Koen Broucke samenstelden, temeer omdat de titel wellicht een knipoog is naar de ‘bedevaart’-gedachte die Van den Bossche bij monde van Raymond Herreman zelf aanhaalt.
 
De stukken gewijd aan Toen de herten riepen (1942) en Kogels voor eenzamen (1989) van de mij volslagen onbekende Marie van Dessel-Poot en de ideologisch interessante, communistisch gezinde journalist Nico Rost, die Dachau overleefde en erover schreef in Goethe in Dachau (1946), zijn vele bladzijden langer dan het Van Ostaijen-hoofdstuk. Maar het feit dat in beide hoofdstukken Johan Daisne, en in het spoor van Rost, een rist opmerkelijke auteurs als L.P. Boon, Theun de Vries, Ed Hoornik en C.J. Kelk hun opwachting maken, rechtvaardigt wellicht de omvang ervan. Niet alleen komt het kleine Waalse dorp Amonines nadrukkelijk in beeld, de lezer komt ook aan de weet dat Franz Kafka mede dankzij Rost in de Nederlanden werd geïntroduceerd en dat Boon op diens advies misschien wel enkele passages uit zijn meesterwerk De Kapellekensbaan (1953) schrapte.
 
In de zes volgende, veeleer compacte hoofdstukken behandelt Van den Bossche het verband tussen de Ardennen en respectievelijk René Verbeeck, Jos de Haes, Jan G. Elburg, Herman de Coninck, Benno Barnard, Joris Iven, Willy van Poucke, Tessa de Loo, Hella S. Haasse en Richard Hemker. De uitgebreide voorstelling van Verbeeck lijkt me verdedigbaar, omdat zijn (naoorlogse) poëzie, en zeker de bundel Het meisje van Rochehaut (1977), gekenmerkt worden door een ‘lyrische, directe spreekstijl’ en ‘een strofische, soms omzichtig berijmde en metrische vormgeving’. Dat Jos de Haes, die een klassieke poëtica belijdt, toch een vernieuwer is gebleken, komt treffend tot uiting in het pregnante, in hoofdzaak op de bundel De azuren holte (1964) toegespitste hoofdstuk. Nog meer betrokken op de Ardennen is de Vijftiger Elburg, die volgens de auteur een veel prominentere plaats had kunnen innemen in dit overzicht, als een volledige door hem in Givroulle geschreven bundel niet ‘spoorloos’ was verdwenen. Hoe therapeutisch Bas-Oha, Stavelot en omgeving hebben gewerkt voor De Coninck en Barnard komt in het relatief korte hoofdstuk ‘En een horizon vol heuvels’ aan bod. Een van de aantrekkelijkste aspecten is de verwijzing naar het door Barnard bezochte ‘Hôtel du Mal-Aimé’, waar Guillaume Apollinaire in 1899 een tijdlang verbleef en waarover Barnards vader Guillaume van der Graft in 1969 een pakkend gedicht schreef waarin ‘dichters van oudsher / onbetrouwbaar’ worden genoemd.
 
Een hoogtepunt in deze grondige studie is mijns inziens de bondige synopsis van Tessa de Loo’s De tweeling (1993) en Haasses mythologische collaboratieroman Fenrir (2000), inclusief de situering ervan in hun oeuvre en in de geografische ruimte. De eerste roman brengt onder meer het mondaine Spa in beeld, terwijl de tweede roman zich afspeelt ‘vlakbij het Mont-Lez-Houffalize van Lodewijk van Deyssel’. Dat laatste is wellicht een bewuste contaminatie, waarbij de werkelijkheid van Van Deyssels woonplaats en de fictionele omgeving in Haasses roman op elkaar worden geënt. Maar hiermee is het laatste woord over Van den Bossches doortimmerde verkenning allerminst gezegd. Wie wil grasduinen in het kritisch apparaat (noten, bibliografie en personenregister), zal ongetwijfeld stuiten op allerlei aandoenlijke realia en anekdotes. Dat het boek, hoe ruimhartig de auteur zich ook heeft opgesteld, voor aanvulling vatbaar is, lijkt me onvermijdelijk. Zo komt Viroinval, dat als (voormalig) geografisch middelpunt van de Europese Unie een rol speelt in Peter Holvoet-Hanssens (tweede) roman Zoutkrabber Expedities (2014), niet ter sprake en zijn er misschien nét voldoende argumenten voorhanden om Geert van Istendael, die prachtig over Wallonië schreef in Het Belgisch labyrint (1989) en als dichter doorbrak met De iguanodons van Bernissart (1983), een plaatsje te gunnen in dit al bij al indrukwekkende aperçu.
 
Stefan van den Bossche: De literaire Ardennen. Van de Tachtigers tot vandaag, Houtekiet, Antwerpen 2021, 333 p. : ill. ISBN 9789089249869

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2022

De blauwe schuit

Shūgorō Yamamoto

Het lied van ooievaar en dromedaris

Anjet Daanje

Ogentroost

A.H.J. Dautzenberg

Voor wie de tijd verstrijkt

Miriam Van hee

Weerspiegeld in een waterglas

Annette Portegies

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2022

Achter de bomen stond een leeuw

Daan Remmerts de Vries

De Pinguïnsint en andere dierenklazen

Edward van de Vendel, Saskia Halfmouw (ill.)

Het levende hoofd

Els Pelgrom, Sylvia Weve (ill.)

Ik ben hier!

Joke van Leeuwen

Wolvenweer

Simon van der Geest, Karst-Janneke Rogaar (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri