Nederlands proza

BOEKEN NR. 1, JANUARI 2022

Guido van Heulendonk: Vrienden van de poëzie. Verhalen

door Yvan de Maesschalck

Bijna-roman die fonkelt van lichtheid  

Ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag werd onlangs stijlvol eer betoond aan Guido van Heulendonk. Dat gebeurde op 9 november 2021 in het cultuurcentrum Den Hoogen Pad van Adegem (Maldegem), nabij zijn geboortestad Eeklo. Bevriende auteurs als Herman Leenders, Stefan Hertmans en Miriam Van hee brachten een treffende hommage aan een bescheiden maar precieus auteur, die sinds zijn debuut Hoogtevrees (Bruna 1985) al veertien prozaboeken heeft gepubliceerd. Het leeuwendeel ervan zijn vernuftig geconstrueerde romans waarin het (scherp observerende) hoofdpersonage doorgaans uitgerust is met een stevig ontwikkeld gevoel voor defaitisme en een nauwkeurig afgesteld moreel kompas. Behalve een tiental romans heeft Van Heulendonk twee opmerkelijke verhalenbundels, De echo van de raaf (Kritak 1991) en Aimez-vous les moules? (De Arbeiderspers 1998), in het licht gegeven. Na meer dan twintig jaar heeft hij er een derde bundel, Vrienden van de poëzie, aan toegevoegd.
 
De aanleiding voor de pas verschenen verhalen is een initiatief dat in de schaduw van de coronamaatregelen tot stand is gekomen. Als uitgangspunt neemt de auteur de kettingmail waarin gevraagd wordt een ‘troostend’ gedicht te selecteren en aan een groep zielsverwanten door te sturen. De goedbedoelde oproep wordt in vier losse verhalen in verschillende contexten ingebed. In ‘Trisha’ komt de mail binnen bij een voormalige bankmedewerker, die op zoek gaat naar de identiteit van zijn vroegere ‘Australische’ ICT-collega Patricia (Coldfield), kortweg Trish. Herinneringen aan hoe zij als een masculiene collega werd gezien – ‘zo’n binair manwijf’ – botsen met wat de verteller na haar dood ontdekt over haar ware geaardheid en dichterlijke profiel. In ‘Leda’ wordt het gelijknamige, van haar man Lothar gescheiden, hoofdpersonage geconfronteerd met het bekende sonnet uit 1923 ‘Leda en de zwaan’ van Nobelprijswinnaar W.B. Yeats. Wat een poëtische traktatie zou moeten zijn, wordt uiteindelijk ‘een klap van een reuzenvlerk’, een ironische knipoog naar ‘a sudden blow’, de openingswoorden van het toegestuurde gedicht. Het brengt Leda op het spoor van ene Rouan Adelheid, de nieuwe scharrel van haar man en gehospitaliseerd slachtoffer van het virus.
 
In ‘Madonna’ wordt de premier van een niet nader genoemd land door een zekere M.C. getrakteerd op het vierregelige gedicht ‘Marsman’. Het blijken verzen van diens eigen hand, waarmee de politicus Gerrit Wilghe, zijn toenmalige leraar Nederlands, ooit publiekelijk voor schut zette en waaraan zijn vroegere klasgenoot hem nu herinnert. Zoals hij hem ook herinnert aan het noodlottige leven van de toen bevlogen leraar en aan zijn eigen ploertige of hypocriete gedrag tegenover zijn kiezers, zijn vrouw en zichzelf. De hooggeprezen kracht van de poëzie wordt omgezet in ‘poëzie als valkuil’, en dat in meer dan een betekenis van het woord. Het vierde verhaal voert de lezer in zekere zin terug naar Down Under, meer bepaald naar Bluff in Nieuw-Zeeland, vaak het zuidelijkste punt van Australië genoemd. Daar zit de ik-verteller vanwege een tijdelijk vliegverbod vast bij zijn broer Arthur en diens vrouw Barbara. De Amerikaanse backpacker Jenny, de overgebleven helft van een tweeling, is er ook gestrand en zij zorgt voor een onverwachte, minder opwekkende noot. Onder meer door uitvoerig te vertellen over haar moeilijke relatie met haar moeder en de dood van haar broer Jim.
 
Het feit dat het eerste verhaal in Australië uitmondt en het vierde er helemaal is gesitueerd, ondanks het mentale pendelen tussen België en de Verenigde Staten, doet vermoeden dat de verhalen een cyclisch patroon vertonen. En dus met elkaar verklonken zijn, zoals de schakels van een min of meer gesloten ketting. Daar wordt visueel naar verwezen op het voorplat, dat een schakel afbeeldt van de reusachtige ketting die Zuidland denkbeeldig met Stewart Island verbindt. ‘De gigantische blanke schakels […] die een eind voor het water in de bodem verdwijnen’ komen ook in beeld wanneer de verteller en Jenny een lange wandeling maken langs de kustweg tot aan de veelarmige wegwijzer van Point Stirling. Een metafoor voor de verbinding tussen alle mensen over alle water- en landgrenzen heen? Voor de aan elkaar gelinkte gedichten die op het wereldwijde web onstuitbaar worden doorgestuurd? Of voor de varianten van het virus dat zich aan geen grenzen stoort?
 
Het staat de lezer vrij de verhalen, waarin telkens andere personages in een andere setting aantreden, los van elkaar te lezen. Maar wie er oog voor heeft, kan een aantal (dunne) draden oprapen die de verhalen in elkaar doen haken. Ze lijken ten minste van tweeërlei aard, al kan je over de motiefwaarde van sommige elementen uiteraard van mening verschillen. Behalve de terugkerende kettingbrief en het feit dat de verteller of een hoofdpersonage telkens met zichzelf geconfronteerd wordt, lijkt in elk verhaal een verwijzing naar zelfdoding aanwezig. In ‘Trisha’ gebeurt dat al op de tweede bladzijde, onder meer wanneer het hoofdpersonage terugdenkt aan een bezoek aan Enniscorthy, waar zich in 1798 een opstand voordeed van de Ieren tegen de Engelsen en sommigen voor zelfmoord kozen. En er is de referentie aan Julian Barnes’ roman The Sense of an Ending (2011 vert. Alsof het voorbij is, Atlas/Contact 2020 ), waarin zelfmoord erg centraal staat. In het tweede verhaal duikt het op in een gedachte aan Sisi, Keizerin Elizabeth van Oostenrijk, die vluchtte in de kunst en de poëzie ‘tot de zelfmoord van haar zoon voorgoed haar pen brak’. In het derde verhaal komt de tragische zelfmoord van de leraar uitvoerig ter sprake in de mails die Mario de premier toestuurt, terwijl in het vierde verhaal de onfortuinlijke dood van Jenny’s broer Jim, ‘wellicht een nawee van zijn vroegere cokegebruik’, als een langzame zelfmoord kan worden opgevat.
 
Een misschien wel flinterdunne draad die de vier verhalen dichter naar elkaar toehaalt, is een of andere vorm van blindheid. Dat is het lot van de aangeschoten kerkuil in het gedicht van Gwen Harwood. Na het eerste schot van het meisje is de uil ‘een obsceen druipend gedrocht, strompelend in het bebloede strooisel, met blinde ogen waarin ze haar wreedheid weerspiegeld ziet’. In de lange brief die de verteller richt aan Trish, komt – bijna onvermijdelijk – ‘de blinde koning’ Oedipus langs, al wil hij zich met hem allerminst vergelijken, omdat ‘Oedipus achterna’ hem ongewild aan castratieangst doet denken. In ‘Leda’ wordt twee keer melding gemaakt van een ‘(virtuele) blinddoek’. Hoewel het lang wachten is in het derde verhaal tot een verwijzing opduikt, is die er wel degelijk wanneer de verteller het onderwerp van Wilghes masterscriptie vermeldt: ‘niet Marsman, zoals hij blindelings had aangenomen, maar Het nevenschikkend voegwoord…’. En ook in het slotverhaal is meteen sprake van de ‘exotische blindheid’ van de ik-figuur, die zijn situatie in Bluff zo omschrijft: ‘we zitten hier klem als die blinde, vleugellamme vogels in hun hol’. Maar dat geldt ook voor de geadresseerden van de kettingbrief: ook zij behoren volgens hem tot ‘het rijk der blinden’. Een erg opzichtige lijn die doorheen alle teksten fladdert is die van allerlei vogels: een kerkuil, een condor, een zwaan, een albatros, een meeuw, een bosuil en ook een zangerige toei, zonder twijfel de vreemdste vogel van de hele ‘vogeltroep’.
 
Er zijn wellicht nog andere draadjes te vinden waardoor alle verhalen op elkaar aansluiten, zoals een been- of voetmotief, maar de leukste vind ik die die onopvallend naar een enkel verhaal terugverwijzen, of andersom, vooruitwijzen naar een later verhaal. Ik beperk me tot een paar voorbeelden. Eentje komt voor in het vierde verhaal, waarvan de titel ‘Belladonna’ (deels) is ontleend aan de gelijknamige ‘prachtroman’ van Hugo Claus uit 1994. Het door een zekere Charles Veenbroek doorgemailde gedicht is niets anders dan de ‘openingsparagraaf’ ervan. Een knipoog naar diezelfde roman kan de lezer terugvinden in ‘Madonna’, wanneer eraan herinnerd wordt dat Gerrit Wilghe, net als Willem Elsschot, een buitenverblijf had in Sint-Idesbald. Het kan geen toeval zijn dat ook Claus in Belladonna daarvan gewag maakt Een ander voorbeeld tref je aan op het einde van het vierde verhaal tijdens een ‘tafeldiscussie’ over een familieschilderij dat door Arthur smalend als ‘dat soort bric-à-brac’ wordt aangeduid. Mogelijk een verwijzing naar het aan Victor Hugo opgedragen gedicht ‘Le cygne’ van Charles Baudelaire. Het zwaan-gedicht wordt hier weliswaar niet geciteerd, maar ‘le bric-à-brac confus’ uit Baudelaires derde kwatrijn lijkt me moeiteloos associatief te verbinden met W.B. Yeats’ gedicht ‘Lea and the Swan’ uit het derde verhaal. Dat het elliptische zinnetje ‘Veel te laat geboren’ een allusie is op een vers van Hendrik Marsman, wiens gedicht ‘Madonna’ integraal wordt geciteerd, zal vermoedelijk niemand betwisten. Ook het feit dat de tandarts van de ik-figuur in het eerste verhaal Mario heet, net als de vroegere klasgenoot van de minister in het derde verhaal, is beslist geen toeval. Enzovoort.
 
Duidelijk is dat de vier verhalen door allerlei bruggetjes met elkaar verknoopt zijn en op die manier (bijna) een roman vormen. Waarover die bijna-roman precies zijn licht laat schijnen, is gelukkig niet ondubbelzinnig. Misschien wel over de ingeboren wreedheid van de mens? Over zijn fundamentele eenzaamheid? Of nog, over zijn nietigheid en petieterig egoïsme? In ieder geval betreft het een soort boek dat de lezer aan het denken zet. Of aan het monkelen, want net als in zijn eerdere romans en verhalen toont Van Heulendonk zich ook hier een meester van het understatement. Net als in zijn vroeger proza staat ook hier geen woord te veel, en wat er staat fonkelt en sprankelt van lichtheid. En is altijd weer stilistisch gaaf.
 
Guido van Heulendonk: Vrienden van de poëzie, De Arbeiderspers, Amsterdam 2021, 203 p. ISBN 9789029545112. Distributie L&M Books

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2022

De blauwe schuit

Shūgorō Yamamoto

Het lied van ooievaar en dromedaris

Anjet Daanje

Ogentroost

A.H.J. Dautzenberg

Voor wie de tijd verstrijkt

Miriam Van hee

Weerspiegeld in een waterglas

Annette Portegies

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 9, NOVEMBER 2022

Achter de bomen stond een leeuw

Daan Remmerts de Vries

De Pinguïnsint en andere dierenklazen

Edward van de Vendel, Saskia Halfmouw (ill.)

Het levende hoofd

Els Pelgrom, Sylvia Weve (ill.)

Ik ben hier!

Joke van Leeuwen

Wolvenweer

Simon van der Geest, Karst-Janneke Rogaar (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri