Poëzie

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2022

Paul Demets: De landsheer van de Lethe

door Dirk De Geest

Wat Paul Demets ertoe aanzet om een ongeziene productiviteit aan de dag te leggen, weet ik niet. Opvallend is in ieder geval hoe de dichter de afgelopen jaren de ene bundel na de andere publiceerde. Naast zijn reguliere uitgever De Bezige Bij (bij wie zopas De bijendans is verschenen) verschenen bij het Poëziecentrum zijn plattelandsgedichten, maar ook twee bundels met veel ouder, tot hiertoe ongepubliceerd werk. Na de Raveel-gedichten in Het web van omtrek ziet nu een al even lijvige bundel het licht die inspiratie zoekt in het beeldend werk van de Oostendse schilder Léon Spilliaert.  
Spilliaert is bij uitstek de schilder van de zee en het water, een ervaring die hij doorgaans omzet in donkere kleuren en geometrische contouren waarbij de abstractie soms niet veraf is. Het is een ander oeuvre dan dat van Raveel, maar de spanning tussen abstract en realistisch en de hang naar het symbolische en het sublieme is bij beide schilders prominent aanwezig; het is ongetwijfeld die spanningsboog die dichter bij uitstek heeft gefascineerd. De landsheer van de Lethe werd al in 1997 geschreven, en de redenen voor de laattijdige publicatie ervan worden in een begeleidend nawoord kort geschetst. Blijkbaar vreesde de dichter dat zijn eigen werk in de weg zou staan van zijn activiteiten als recensent (of andersom). Bovenal was er echter de schroom om de al te persoonlijke aanleiding bij sommige gedichten, die de levensbedreigende aandoening van zijn pasgeboren dochter ter sprake brachten. Hoe dan ook ligt de bundel, een kwarteeuw na de realisatie ervan, toch op de leestafel.
 
Het stramien dat Demets gebruikt, doet duidelijk denken aan de structuur van zijn latere werk. Een aantal motto’s verwijzen naar (hoofdzakelijk) Franse denkers en kaderen de gedichten in een soort van theoretische reflectie. In dit geval is dat niet toevallig Julia Kristeva die aangrijpend geschreven heeft over zowel de geboorte als het traumatische ‘abjecte’, de ervaringen waarin het subject zichzelf dreigt te verliezen in de confrontatie met de wereld. Daarenboven zijn de gedichten streng opgebouwd en gestructureerd in reeksen, die alle verwijzen naar het water. Dat water, van ‘Ebstroom’ over ‘Springtij’ tot ‘Doodtij’, staat symbolisch voor de wisselvalligheden van het leven maar het verwijst ook naar de vele voorstellingen ervan door Spilliaert; ieder (titelloos) gedicht kreeg trouwens een specifiek schilderij mee als een soort van ondertitel.
 
Dat beeld van het water domineert de hele bundel, met inbegrip van de belangrijkste personages. Het symboliseert de existentiële onrust van het dichterlijke ik, de romantische dromer naar een onbereikbaar ‘elders’ maar ook de strandjutter die meeneemt wat zich toevallig aandient. Elders wordt dat ik haast opgeslokt als een Jonas door de walvis of komt het terecht in een storm. Ook de ontmoeting met de geliefde wordt in dezelfde termen opgeroepen: het kan een samen onderweg zijn maar evenzeer de wanhopige gebaren van twee drenkelingen of twee nietige silhouetten in de diepe schaduw van de oneindige zee. Die dubbelzinnigheid van het water krijgt een hoogtepunt in de reeksen die over de pasgeboren dochter handelen: het ziekenhuis Gasthuisberg waar vrijwel meteen na de geboorte een dringende operatie wordt uitgevoerd, wordt evenzeer een schip of drift. Het natuurelement krijgt zo iets dwingends en iets onmenselijks, geheel in overeenstemming met wat kunstenaars en filosofen over het sublieme stellen. De mens dreigt te worden opgeslokt door wat hem ontgaat, en tegelijk lijkt dat de ultieme verlossing uit de tekorten van het bestaan.
 
Demets is vooral een meester van het beeld. De vele metaforen zorgen ervoor dat de anekdotische aanleiding gecamoufleerd wordt en dat de autobiografische laag wordt getransformeerd tot een universeler niveau. Tegelijk dragen de symbolen ertoe bij dat de dichter extra kan verwijzen naar antieke mythen maar evenzeer naar eigentijdse gebeurtenissen en wantoestanden. Het precaire bestaan van mensen wordt zo vertaald naar de problematiek van vluchtelingen en wandaden. Poëzie is zo tegelijk een getuige van vandaag en een taalvorm voor alle tijden.  
 
Paul Demets: De landsheer van de Lethe, Poëziecentrum, Gent 2021, 79 p. ISBN 9789056554392

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2023

beginnen voor gevorderden

Hélène Gelèns

Het boek van de huizen

Andrea Bajani

Regentijd

José Eduardo Agualusa

Tegenkultuur: Nederlandse Undergroundpublicaties 1964-1796

Jan Pen en Peter Sijnke

Victoriestad

Salman Rushdie

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 2, FEBRUARI 2023

De kaarten van madame Petrova

Marjolijn Hof, Annette Fienieg (ill.)

Deze rots is van ons

Kate Temple, Jol Temple, Merel Eyckerman (ill.)

Duet met valse noten

Bart Moeyaert

Soms ben ik…

Kathrin Schärer

Voor altijd dichtbij

Elvis Peeters, Yule Hermans (ill.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri