Non-fictie

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2022

Simone Weil: Over oorlog en het probleem van motivatie in crisistijd / Verworteling. Wat we de mens verplicht zijn

door Fabian Van Samang

Nadat Uitgeverij IJzer eerder, in 2021, Simone Weils boek Waar strijden wij voor had uitgegeven, publiceerde ze dit jaar twee essaybundels van dezelfde Franse filosofe: Verworteling. Wat we de mens verplicht zijn, geschreven in 1943, en Over oorlog en het probleem van motivatie in crisistijd (1933-1943). De publicatie van beide bundels is een lovenswaardige poging om enkele weinig bekende filosofische traktaten over uiteenlopende thema’s onder de aandacht van het brede publiek te brengen.    

De biografie van Simone Weil (1909-1943) kende nogal wat bokkensprongen. Ze was een tot het christendom bekeerde joodse vrouw die seculier was grootgebracht, een geboren Française die - uitgeteerd en overwerkt - stierf in Groot-Brittannië, een pacifiste die twee mondiale conflicten meemaakte, een socialistische activiste in een naar rechts opschuivend Europa en een schrijfster die in haar streven naar een beter leven voor allen dat van zichzelf razendsnel ruïneerde.  
 
Van de beide bundels is Over oorlog wellicht de meest toegankelijke. In een eerste essay, geschreven in 1933, maant Weil de arbeidersklasse aan tot voorzichtigheid: de bellicose retoriek die de revolutionaire linkerzijde van oudsher heeft gebezigd, brengt mogelijks geen verlossing, maar enkel een meer verfijnde knechting van het proletariaat. Blijf daarom jezelf trouw, bezweert ze, en schik je niet naar een apparaat dat alle menselijke waarden met de voeten treedt. De roep van de arbeidersklasse naar een sterke Franse staat was - gezien de opkomst van haar sterke noordoostelijke buurstaat - begrijpelijk, beargumenteert Weil in haar tweede bijdrage, maar zo’n sterke staat zou onvermijdelijk tot de teloorgang van een aantal zwaar bevochten sociale verworvenheden leiden. Steeds meent men te strijden voor grote principes, gaat ze verder in een artikel uit 1937. De natie. De vrijheid. Het eigendom. De democratie. Het zijn allemaal loze, nietszeggende begrippen, die verduidelijking en begrenzing nodig hebben, als we tenminste niet willen dat het gros van de bevolking binnenkort als slachtvee op de ‘velden van eer’ (nog zo’n loos begrip) sneuvelt. Als liefhebster van de Griekse oudheid zoekt en vindt Weil grootsheid, schoonheid en evenwicht in de Ilias, waarvan de geest naar haar mening terug te vinden is in het evangelie. Nu en dan, claimt de auteur, komt diezelfde geest in al haar glorie boven. In de kathaarse tolerantie en gelijkwaardigheid van de Pays d’Oc, bijvoorbeeld, tot ze in de 13 de eeuw door de kracht van de onverdraagzaamheid ten gronde werden gericht. Sindsdien, stelt Weil, bestond er enkel nog onderwerping.  
 
Verworteling
bestaat uit vier teksten, die in toenemende mate van abstractie gerangschikt zijn. In het eerste essay breekt Weil een lans voor wat ze ‘plichten’ noemt – de eeuwigdurende en onveranderlijke ethische imperatieven die ons ertoe aanzetten de rechten van elkeen te respecteren. Ze stipt ‘orde’ als de meest fundamentele verplichting van een samenleving aan, maar verdedigt ook de keuzevrijheid en de gehoorzaamheid, de gelijkwaardigheid, het privébezit, het risico en de zekerheid, en uiteraard ook de re-integratie en de waarheid. Het negeren of verwaarlozen van de plichten leidt tot ontheemding, beargumenteert ze in ‘Ontworteling van de arbeiders’. Ze kant zich met klem tegen het ‘bedrijfsgigantisme’ en het machtsmisbruik van de leidinggevenden en gelooft dat kwalitatief onderwijs, meer vrije tijd voor kinderen en deelname aan het beleid de arbeiders en boeren steviger in de samenleving kunnen verankeren. Vooral in Frankrijk, waar sinds Karel V (1338-1380) en Karel VI (1368-1422) een afkeer is gegroeid van de monarchie, onder meer omdat die landen en volkeren als slaven heeft ingelijfd, heeft de ontworteling een vreselijke ravage aangericht, beweert Weil. De staat evolueerde in de richting van het totalitarisme, de Franse revolutie maakte haar beloftes niet waar, en de verfoeide staat waarmee nog weinigen zich identificeerden, stuurde in 1914 haar eigen zonen de loopgraven in. Waar het Franse volk nood aan heeft, beargumenteert ze, is een Vaderland – een lotsgemeenschap, gebaseerd op mededogen, waarin de sterktes worden gekoesterd en de zwaktes aan de kaak worden gesteld. In het laatste, zeer uitvoerige essay ‘Worteling’, betreurt ze de teloorgang van de religie ten voordele van de wetenschap en doet ze een omslachtige poging om politiek, ratio en god met elkaar te verzoenen.  
 
Bijwijlen is het frappant hoe tijdloos de inzichten van Weil lijken te zijn. Ze had het over het huidige Russisch-Oekraïense conflict kunnen hebben, wanneer ze opmerkt:  
 
‘De bewapeningssystemen zijn evenals degenen die ermee moeten vechten de werkelijke helden van de moderne oorlogen, maar ze worden gestuurd door mensen die zelf niet aan die strijd deelnemen’ (Over oorlog).  
 
In het kader van de aanhoudende crisis op het Europese niveau klinkt het advies nog even fris als in 1941:  
 
‘In Europa zou men mogelijk iets van de epische genialiteit kunnen terugvinden als men zou begrijpen dat niets veilig is voor het noodlot en men erin zou slagen nooit de kracht te bewonderen, nooit de vijanden te haten en nooit de ongelukkigen te minachten.’
 
Maar ze maakt zich weinig illusies. ‘Het valt te betwijfelen of dat binnen afzienbare tijd mogelijk is’ (Over oorlog). Wie enige voeling heeft met het Vlaamse onderwijsveld herkent zich mogelijks in Weils vaststelling: ‘Wat ‘het opleiden van de massa’ wordt genoemd, is in feite het aanbieden van een aan de massa aangepast product’ (Verworteling). En verder: ‘In de mooie jaren van het seculiere enthousiasme was er het onderwijs. Maar dat is in de ogen van zowel de ouders als de kinderen al lang een machine geworden om diploma’s te produceren, dat wil zeggen: banen’ (Verworteling).  
 
Een halve eeuw voor psychische aandoeningen, mentale uitputting en suïcidaal gedrag een onmiskenbaar symptoom van zowat alle moderne staten werden, waarschuwde de auteur al voor grenzeloze regulitis, ongebreidelde keuzevrijheid en een gebrek aan participatie. ‘Initiatief en verantwoordelijkheid, het gevoel nuttig te zijn en zelfs onmisbaar, zijn vitale behoeften van de menselijke geest,’ schrijft ze. ‘Elke gemeenschap, van welk soort ook, die hierin tegenover zijn leden tekortschiet, is verdord en moet veranderd worden’ (Verworteling). En wat de arbeidersbeweging en het vaderland betreft, merkt ze op: ‘Uit pure noodzaak kan men er vanuit een sociaal standpunt niet meer omheen om over het begrip vaderland na te denken […]. Een gezonde arbeidersbeweging kan niet zonder een leer waarin een bepaald en welomlijnd idee van het vaderland een plek heeft […]. Het is onaanvaardbaar dat dit woord dat vandaag de dag bijna voortdurend aan het woord plicht gekoppeld wordt, bijna nooit voorwerp van enige studie is geweest’ (Verworteling). Het had zo uit de pen van Mark Elchardus kunnen vloeien.  
 
Anderzijds getuigen sommige standpunten van een jeugdige frivoliteit, een ondoordachtheid die hier en daar naar het naïeve neigt. De gedachte dat de Griekse lyriek en de heldendichten uit de Oudheid aan jonge boerenzonen, kasseileggers-in-opleiding en leerlingen automechaniek bijgebracht zouden moeten worden zal bij heel wat praktijkleerkrachten ongetwijfeld op een meewarige monkellach worden onthaald (Verworteling). Minder frivool is haar pleidooi om het verschil tussen militairen en burgers af te schaffen. Immers: ‘Iedere onderdaan van een natie is alles, inclusief zijn leven, verschuldigd aan zijn land zolang dat in gevaar is’ (Verworteling). De aanname dat oorlog een uitzonderingssituatie is en dus beperkt moet zijn in de tijd en enkel belligerents aangaat, is echter een basisregel in het krijgsrecht, die precies bedoeld was om onschuldigen onnodig oorlogsleed te besparen. Het is moeilijk om te zien hoe het uitwissen van dit onderscheid veel niet-betrokkenen ten goede zou kunnen komen. Wie in 2022 terugblikt op de naoorlogse rol van Frankrijk in de Europese en mondiale geschiedenis, staat wellicht versteld van de taak die Weil voor Frankrijk weggelegd ziet, de roeping die het land volgens haar in de gemeenschap der volkeren heeft. Geen EGKS. Geen atoommacht. Geen permanent lid van de VN-Veiligheidsraad. ‘De invloed die we nu hebben en die we kunnen krijgen, kunnen voor de Engelsen heel bruikbaar zijn,’ schrijft ze. ‘Dat hoort kennelijk bij wat men de roeping van Frankrijk noemt. Om al deze redenen is het aan ons om ons in te spannen voor het creëren van de juiste, hartelijke sfeer (Verworteling, mijn cursivering).
 
Joke Hermsen heeft het bij het rechte eind wanneer ze in haar nawoord bij Verworteling opmerkt dat Weil stellingen poneert met een zekerheid die nauwelijks tegenspraak duldt. ‘Ze presenteert haar gedachten op even affirmatieve als compromisloze wijze in de vorm van profetische waarheden, brede, historische analyses en filosofische aforismen, die van de lezer niet zozeer om een kritisch weerwoord lijken te vragen, maar eerder om een nederig gemompelde instemming. Dat doet ze bovendien vaak in een hoogdravende en bombastische taal, die de behandelde thema’s eerder nodeloos compliceert dan verheldert (daarom alle lof voor de vertaler, die ondanks de kolkende woordenstroom en de ingewikkelde syntaxis een vloeiende en transparante Nederlandse tekst heeft afgeleverd).
 
De oplettende lezer zal echter al snel merken hoe vaak die stellingen botsen met de feiten. Zo vermeldt ze in Verworteling – om het bij mijn veld van expertise te houden - dat ‘een tienderangswerk over Sulla’ een ‘zeer diepe indruk op [Hitler] als puber [heeft] gemaakt’. De toegevoegde voetnoot is verklarend (ze geeft uitleg bij de Romeinse dictator), maar geeft niet aan waar de auteur haar anekdote heeft teruggevonden. In de (niet altijd even betrouwbare) gepubliceerde memoires van Hitlers jeugdvriend August Kubizek (Young Hitler, Allen Wingate 1954) komen voor zover ik kon nagaan geen verwijzingen naar Sulla voor. Ook Timothy Ryback, die een standaardwerk publiceerde over de boeken in Hitlers privébezit (Hitlers privébibliotheek, Balans 2008), lijkt in de archieven geen spoor van een werk over Sulla te hebben aangetroffen; ondanks de ‘zeer diepe indruk’ die de Romeinse veldheer naar verluidt op Hitler maakte, vermeldt hij Sulla niet in Mein Kampf of in de tafelgesprekken die door Henry Picker werden uitgegeven (Tischgespräche im Führerhauptquartier, Seewald Verlag 1976).
 
Dat het Hitlers ‘enige wens’ was om geschiedenis te schrijven (Verworteling) lijkt een nogal reductionistische visie en wordt in elk geval niet door de bronnen gedragen; terugblikkend houdt Weils profetie (‘of men hem [Hitler] nu doodt, martelt, opsluit of vernedert, de geschiedenis zal altijd zijn ziel beschermen tegen elke smet van lijden en dood’) geen stand (er is weinig roemruchts aan een kwijlende, bevende, slechtziende, in het nauw gedreven dictator van 56 jaar, die in een bedompte bunker onder het puin van de hoofdstad het leven vaarwel zegt om niet door zijn eigen bevolking gedood en vernederd te worden, zoals dat eerder met zijn Italiaanse ambtsgenoot gebeurde, of om niet te eindigen aan een galg in Neurenberg, nadat Duitse documenten het criminele karakter van zijn regime hebben blootgelegd – het ziet er niet naar uit dat ‘de geschiedenis’ de ziel van Hitler tot dusver heeft beschermd ‘tegen elke smet van lijden en dood’). Ook haar zware verdict, dat wetenschappers ‘misschien nog meer schuld hebben aan de misdaden van Hitler dan Hitler zelf (Verworteling) doet weinig recht aan de sterk geproblematiseerde verhouding van de Duitse dictator tot waarheidsvinding in het algemeen en wetenschappelijke methodieken in het bijzonder. Hoewel in de twee essaybundels dus uitdagende standpunten worden verdedigd, met nu en dan verrassend actuele en verfrissende inzichten, lijkt de jonge auteur zich soms vergaloppeerd te hebben in de beoordeling van de historische feiten – de lezer doet er dan ook goed aan het aangereikte feitenmateriaal voorzichtig te benaderen en te toetsen aan betrouwbare studies, vooraleer hij of zij de theorievorming voor waar aanneemt en als dusdanig uitdraagt.
 
Simone Weil: Over oorlog. En het probleem van motivatie in crisistijd, IJzer, Utrecht 2022, 157 p. ISBN 9789086842599. Vertaling uit het Frans door Jan Mulock Houwer
Simone Weil: Verworteling. Wat we de mens verplicht zijn, IJzer, Utrecht 2022, 322 p. ISBN 9789086842551.Vertaling van L'enracinement : prélude à une déclaration des devoirs envers l'être humain 

deze pagina printen of opslaan

Nieuwe recensies

BOEKEN NR. 8, OKTOBER 2023

Geest komt op

Isabella Hammad

Het voorland

Herman Leenders

Treurwil

Rik van Puymbroeck

Tussen verleden en toekomst. Acht oefeningen in het politieke denken

Hannah Arendt

Valse krengen

Camila Sosa Villada

naar overzicht

JEUGDBOEKEN NR. 8, OKTOBER 2023

De tuin van mijn Baba

Jordan Scott, Sydney Smith (ill.)

Levi’s nieuwe liedje

Edward van de Vendel, Saskia Halfmouw

Mahmood en de gouden honden

Jan de Leeuw, Noëmi Plateau (ill.)

Over een zombiefilm en gelukkige getallen

Jaco Jacobs

Woorden temmen. Toon de stad

Lies Van Gasse, Laurens Ham (sam.)

naar overzicht


ontwerp: Ann Van der Kinderen   |   programmatie: dataweb   |   © MappaLibri