Men zou het
zo meteen niet verwachten, maar het populaire fenomeen van de kermis in de Lage
Landen wachtte nog altijd op een substantiële historische studie. Historica Emma
D’haene heeft daar met haar proefschrift in voorzien, en met de deze publicatie
ligt een publieksversie van dat onderzoek voor. D’haenes ambitie was om ‘een
collectieve biografie van de kermis in de Habsburgse Nederlanden’ te schrijven,
en daar is zij ook bijzonder goed in geslaagd: in heldere taal, en in een
logisch opgebouwd verslag van de verschillende aspecten van de kermistraditie,
ontsluit zij de complexiteit van dit sociale fenomeen op een toegankelijke
manier zonder in te boeten op wetenschappelijke acribie (onder meer door het
opnemen van een bijzonder gedetailleerd notenapparaat en uitgebreide
bibliografie).
Een kermis is iets anders dan een foor, althans in beginsel. Een foor (of fair
in het Engels) is in wezen een jaarmarkt, wat eveneens gepaard ging met
feestelijkheid, terwijl een kermis een religieus fenomeen is. De kermis is een
kerk-mis en werd in principe jaarlijks in bijna elke parochie of dorp gevierd
om ofwel de stichting van de lokale kerk te herdenken, of op de feestdag van de
heilige aan wie de kerk was gewijd. Aangezien het protestantisme dit soort vertier
veroordeelde, zijn kermissen met name geassocieerd met katholieke landen, en
hier in Vlaanderen zijn ze een zeer bekend fenomeen. Bijna elk dorp of gemeente
heeft nog altijd de jaarlijkse kermis, al zullen zich nog weinigen bewust zijn
van de vaak eeuwenlange traditie waarvan zij een uitloper is.
De kermis had in de middeleeuwen
en in de vroegmoderne tijd een volledig ander karakter dan vandaag. De kermis
met draaimolens of andere “mechanische” attracties is een uitvinding van de
negentiende eeuw. Voorheen was de kermis vooral georganiseerd als een
collectief devotiemoment. In aanloop naar de kermis werden de kerk en de
straten opgetooid, en de kermisdag zelf begon met een misviering, bereikte haar
hoogtepunt met een processie of ommegang (waarbij vaak een heiligenbeeld of een
in de kerk bewaarde relikwie werd meegedragen), om vervolgens te eindigen met
een volksfeest met spijs en drank, en ook met dans en ander vermaak. De kermis
kon zich vervolgens over verschillende dagen uitbreiden.
D’haene puzzelt de geschiedenis
van de kermis bij elkaar uit wetteksten, omzendbrieven, processtukken en ander
verspreid archiefmateriaal om zo de veellagigheid van het fenomeen in beeld te
brengen. Zo bezochten mensen niet alleen de eigen kermis, maar reisde men ook
naar omliggende dorpen, en soms zelfs naar verder gelegen plaatsen, om kermis
te vieren. Aangezien kermissen omwille van voor de hand liggende
meteorologische redenen vooral tussen Pasen en midden november plaatsvonden,
leidde dit tot een lang uitgerekt kermisseizoen waarbij sommige pretmakers van
kermis naar kermis reisden, wat niet altijd op bijval van de kerkelijke
overheden kon rekenen.
Er is doorheen de eeuwen veel gegoocheld met de
kermiskalender, onder meer in een poging om het aantal kermisdagen te beperken.
Er werd ook streng opgetreden tegen geweld op de kermisdagen, en D’haene pluist
mooi uit welke sociale conventies er heersten omtrent wenselijk en onwenselijk
gedrag tijdens de feestelijkheden. We leren ook heel veel over de rol van de
schuttersgilden en de rederijkers bij het organiseren van het kermisvertier en
over de verschillende vormen van amusement (schietingen, ganstrekken, theater)
die met de kermis werden geassocieerd. De kermisommegang was ook de context
waarin de vandaag nog steeds wijd en zijd geliefde reuzen werden
geïntroduceerd.
Interessant, en misschien ook verrassend, is de centrale rol van de
kerkelijke overheden, maar ook van Albrecht en Isabella, bij het in stand
houden van de kermistraditie. Dat had alles te maken met het feit dat men de
kermis zag als ‘een instrument dat de katholieke hervorming bevorderde,’ niet
in het minst omdat deze traditie in de protestantse landen met spot werd
bekeken en bekritiseerd. Hierdoor wist de kermis zich diep te nestelen in de
lokale tradities en bleef zij eeuwenlang bestaan. In dat opzicht is de kermis
ook een belangrijke context om inzicht te krijgen in hoe middeleeuwse en
vroegmoderne gemeenschappen functioneerden.
D’haene heeft een zeer
waardevolle en doorwrochte bijdrage geleverd aan onze kennis van het
kermisfenomeen. Het boek, dat vlot leest en bovendien rijk is geïllustreerd met
eigentijdse schilderijen die op hun beurt ook heel veel iconografische
documentatie aanleveren, belicht alle aspecten van de kermis tegen een brede
sociale, religieuze en politieke achtergrond. Zowel voor de geïnteresseerde
leek als voor de professionele historicus heeft dit boek heel veel inzicht en
kennis te bieden: het is wetenschappelijk uitstekend onderbouwd en
gedocumenteerd, is genuanceerd en veelzijdig in de (soms complexe) analyse,
maar blijft altijd helder en zeer vlot leesbaar – een mooi voorbeeld van hoe fundamenteel
wetenschappelijk onderzoek toch voor een breed geïnteresseerd publiek
aantrekkelijk kan worden gemaakt zonder in te boeten aan diepgang.
Emma D’haene: Blije
kermisdagen: Feesten in de Spaanse en Oostenrijkse Nederlanden (1500-1800),
Sterck & De Vreese, Gorredijk 2025, 320 p. ISBN 9789464713558
deze pagina printen of opslaan