Als Vincent Hunink gelijk heeft, dan is
Gaius Caecilius Plinius Secundus geslaagd in zijn opzet. Zijn verzamelde
brieven zijn, volgens de vertaler, niets minder dan een gooi naar eeuwige roem.
Een mens kan zich afvragen of zijn kinderloosheid er iets mee te maken heeft. Een
aantal van die 247 brieven zitten in het collectieve geheugen van wie op school
met Latijn in contact kwam, en met voorsprong wellicht de twee brieven aan de
historicus Tacitus over de uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 79. Maar ook
het spookhuis in Athene of de dolfijn van Hippo doen wellicht een belletje
rinkelen.
Plinius
was een intellectueel die over een aanzienlijk vermogen kon beschikken en
politiek carrière maakte, zij het in een politiek systeem dat al zeer
autocratisch was. Daar hoort een briefwisseling bij met veel hoge piefen uit
die tijd, maar ook met persoonlijke vrienden of familieleden.
Op een bepaald moment heeft
Plinius dus beslist om die brieven te bundelen en klaar te maken voor uitgave,
volgens hemzelf zonder enige systematiek. De 247 brieven lijken echter niet
willekeurig geordend te zijn, maar met een zekere afwisseling tussen lichtere
en zwaardere onderwerpen. Vincent Hunink grasduinde al eerder door de collectie
en vertaalde thematische bundels. Brieven over landhuizen, brieven aan vrouwen,
aan historicus Tacitus of de correspondentie met keizer Trajanus. Die laatste
brieven vormen een tiende boek en zijn hier niet opgenomen omdat ze te zeer
verschillen van de andere. Geen nood: ze zijn vrij te downloaden op de mans
website.
Het
zat er dus aan te komen dat hij ooit de hele collectie zou aanpakken en hij
doet dat in lijn met zijn eerdere bloemlezingen - zelfs de cover sluit er
typografisch bij aan. De tekst is vooral ‘naar het Nederlands’ en niet ‘uit het
Latijn’ vertaald, wat alleen maar een pluspunt is. Plinius lardeert zijn
brieven weleens met wat Griekse citaten, en ook dat effect blijft hier overeind
door die passages of woorden in het Engels weer te geven. Desondanks behoeft de
tekst op veel punten nog wat toelichting en die krijgen we ook overvloedig, zij
het op een wat onhandige manier. Alle noten bij namen of passages volgen onder
de brief, zonder dat er in de tekst zelf aangeduid wordt waar er uitleg zal
volgen. Het systeem om de geadresseerden te duiden is ronduit absurd. Daar
wordt telkens naar de voorgaande brief aan dezelfde persoon verwezen, waar je
opnieuw doorverwezen kan worden. Er mag nog eens nagedacht worden over een
elegantere oplossing.
Plinius’ bedoeling was te schitteren als (invloed)rijk
intellectueel, evenwel zonder te pretentieus over te komen. Dat kan je doen
door je schoongrootvader, heel attent, te laten weten dat je volgende
familiebezoek enkele dagen vertraging zal oplopen omdat je aanwezigheid vereist
is bij de inhuldiging van een tempel. Je bent immers patroon gemaakt van de
stad waar die zich bevindt (wat een ‘gering oordeelsvermogen’ hadden ze toen ze
daar ooit beslisten jou tot beschermheer te kiezen) en die tempel is ook met je
eigen geld bekostigd. Maar ook het louter schrijven over je vakantie naar
bekende namen als Tacitus betekent dat je erbij hoorde, alsof hij jouw
Instagrampost een hartje had gegeven. En zelfs als je een aanmoedigend berichtje
stuurt naar een beginnende dichter die blijkbaar nooit de onsterfelijke roem
heeft bereikt, toon je nog dat je begaan bent met literatuur en jeugdig
enthousiasme daarin iets te verwezenlijken.
Niet elke brief lijkt voor ons
nog even relevant, maar de gevarieerde thematiek en de uitgebalanceerde
beschrijvingen, kenmerkend voor het Latijn uit die tijd, geven mooi weer waar
een vooraanstaand man anno 100 zich mee onledig hield, en alleen al daarom is deze
uitgave interessant. Of, om het met Vincent Hunink te zeggen: dat we nog altijd
boeken als dit kunnen maken, is een groot geluk.
Plinius: Voor altijd. Een
zelfportret in brieven, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2025, 485
p. ISBN 9789025318284, 485 blz. Vertaling van Epistulae door Vincent Hunink.
Distributie L&M Books
deze pagina printen of opslaan